RECHTBANK MAASTRICHT Sector Civiel Datum uitspraak: 4 augustus 2005 Zaaknummer: 101534 / FA RK 05-577 De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake: [moeder], wonende te [woonplaats moeder] en [grootmoeder], wonende te [woonplaats grootmoeder], verzoeksters, procureur mr. I.G. Schoones-Aarts en: [vader], wederpartij, verder te noemen: de man, wonende te [woonplaats man], geen procureur.
- Verloop van de procedure De vrouw heeft op 20 mei 2005 een verzoekschrift tot wijziging in de uitoefening van het ouderlijk gezag ingediend. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 27 juli
- De raad is ter zitting vertegenwoordigd door de heer P.J.M. van den Borne. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.
- Beoordeling Verzoeksters hebben verzocht hen voortaan gezamenlijk te belasten met het gezag over de minderjarige [kind]. Verzoekster [moeder] heeft gedurende zeven jaar een relatie gehad met de man, uit welke relatie [kind] is geboren. De man heeft de vrouw vóór de geboorte van [kind] verlaten. Hij heeft het kind niet erkend. Verzoekster [moeder] heeft alleen het gezag over [kind]. Zij wenst samen met haar moeder verzoekster [grootmoeder], grootmoeder van het kind, het gezamenlijk gezag over [kind] omdat verzoekster [grootmoeder] in een nauwe persoonlijke relatie tot haar kleinkind staat en dit kind voor een groot deel verzorgt en opvoedt alsmede een deel van de verantwoording ten aanzien van [kind] heeft gedragen en nog steeds draagt. De met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat kunnen, op grond van artikel 1:253 t van het Burgerlijk Wetboek, de rechtbank verzoeken hen gezamenlijk met het gezag over het kind te belasten. De raad, bij monde van de heer van den Borne, heeft tot afwijzing van het verzoek geadviseerd. De rechtbank is van oordeel dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn, mede in aanmerking genomen dat de vader van [kind] nog in leven is, grootmoeder van moederszijde gezamenlijk met haar dochter met het gezag over [kind] te belasten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het onderhavige verzoek niet in het systeem van de wet past en dient te worden beschouwd als een - verkapt - verzoek tot adoptie. Nu uit artikel 1:228 lid 1 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat één van de voorwaarden voor adoptie is dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek dient te worden afgewezen en zij zal dienovereenkomstig beslissen.
- Beslissing De rechtbank: Wijst af het verzoek. Deze beschikking is gegeven door mr. W.T.M. Bröcker, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2005 in tegenwoordigheid van H.P. Thevissen, griffier. Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.