RECHTBANK MAASTRICHT Sector Civiel Datum uitspraak : 18 augustus 2006 Zaaknummer : 112655 / KG ZA 06-291 De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen inzake 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MARTEL B.V., gevestigd en kantoor houdende te Brunssum, 2. [Naam eiseres sub 2], wonende te Heerlen, 3. [Naam eiseres sub 3], wonende te Heerlen, 4. [Naam eiser sub 4], wonende te Heerlen, 5. [Naam eiser sub 5], wonende te Heerlen, 6. [Naam eiseres sub 6], wonende te Heerlen, eisers in kort geding, procureur mr. R.J. Kramer; tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Naam ] PROJECTEN B.V. gevestigd en kantoor houdende te Andijk, gedaagde in kort geding, advocaat mr. W. de Vis, kantoor houdende te Alkmaar, procureur mr. J.A.M.G. Vogels. 1. Het verloop van de procedure Eisers hebben gedaagde, [Naam gedaagde b.v.] gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 16 augustus 2006, hebben eisers hun eis gewijzigd –deze wijziging hebben zij vóór de zitting aan de voorzieningenrechter en de wederpartij doen toekomen- en voor het overige gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij hun vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties aan de hand van een pleitnota nader hebben doen toelichten. [Gedaagde] heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties. Ter zitting heeft zij nog enkele stukken, waaronder een situatietekening/kaart en een afbeelding van de situatie ter plekke, getoond, welke nadien aan de stukken zijn toegevoegd. Ook is door [Gedaagde] een digitale foto getoond. Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd, waarna eisers om vonnis hebben verzocht. De voorzieningenrechter heeft, conform de aankondiging ter zitting, op 18 augustus 2006 mondeling uitspraak gedaan, behoudens voor wat betreft de kostenveroordeling. De motivering van die uitspraak en de kostenveroordeling zijn nadien op schrift gesteld. 2. Het geschil 2.1 Eiseres sub 1, hierna te noemen “Martel B.V.”, is eigenares van het pand aan de Akerstraat 22, 22a tot en met 22J te 6411 HA Heerlen. Het betreft een gebouw met op de begane grond een tweetal commerciële ruimten (een groentehandel en een electronicazaak) en op de eerste tot en met de vierde verdieping acht appartementen. Eisers sub 2 tot en met 6, hierna gezamenlijk te noemen “de bewoners” (van de appartementen Akerstraat 22 c, e, g en j), zijn als huurders woonachtig op respectievelijk de eerste verdieping (eiseres sub 2), de tweede verdieping (eiseres sub 3), de derde verdieping (eiser sub 4) en de vierde verdieping (eiser sub 5 en eiseres sub 6). Achter het pand van Martel B.V. ligt op circa 50 meter afstand het monumentale Peutzgebouw dat op dit moment in desolate en “gestripte” staat verkeert. [Gedaagde] is eigenares van het perceel gelegen tussen de Dr. Poelsstaat en de Akerstraat, alsook van het op dit perceel gelegen Peutzgebouw. [Gedaagde] is kort voor de bouwvakvakantie begonnen met een verbouwing en uitbreiding van het Peutzgebouw, welk gebouw wordt omgetoverd tot drie appartementen van ruim 200m2. Ernaast komt een 17,6 meter hoog appartementencomplex met 50 appartementen. Dit complex zal vijf verdiepingen tellen en komen te liggen in de vrije ruimte die nu bestaat tussen de achterzijde van het pand van Martel B.V. en het oude Peutzgebouw, en wel in de richting van de achterzijde van het pand van Martel B.V.. Onder het pand wordt een ondergrondse parkeergelegenheid aangelegd. Op de begane grond komen ruimtes voor winkels en kantoren. Eisers komen in dit geding op tegen de voorgenomen bouw van het deel van het appartementencomplex genaamd “Wolf-Herzdahl”, gelegen aan de Dr. Poelsstraat. 2.2 Voor het bouwplan van [Gedaagde] is aanvankelijk op 18 juli 2002 een bouwvergunning met vrijstelling afgegeven, welke vergunning inmiddels onherroepelijk is geworden. Tegen deze bouwvergunning is door eisers geen bezwaar of beroep aangetekend. Bij besluit van 21 maart 2006, verzonden op 28 maart 2006, heeft de gemeente Heerlen wederom een bouwvergunning met vrijstelling verleend voor het bouwplan van [Gedaagde], omdat het plan op onderdelen de bebouwingsgrens en de bouwhoogte met meer dan 10% overschrijdt. De verleende bouwvergunning met vrijstelling betreft een wijzigingsvergunning ten aanzien van de reeds in 2002 verleende bouwvergunning. Eisers zijn tegen het voornemen tot verlening van de vrijstelling niet opgekomen. 2.3 Eisers stellen –kort samengevat en voor zover thans van belang- het volgende. 2.3.1 Met name de gevolgen van de uitbreiding van het Peutzgebouw met een groot appartementencomplex, zijn voor eisers ingrijpend. Van de achterzijde zal aanzienlijk minder daglicht doordringen in de appartementen, welke allen drie ramen aan de achterzijde hebben: een balkonraam (tevens het woonkamerraam), een klein raam in de tussenkamer en een slaapkamerraam. Uit de daglichtberekening van ing. [Naam] Raadgevende Ingenieurs B.V. in diens rapport van 14 augustus 2006 met nummer 2006.2114-1 (hierna: rapport Cauberg-Huygen), blijkt dat alle appartementen een aanzienlijke hoeveelheid daglicht moeten inleveren. Uit de in het rapport Cauberg-Huygen berekende bezonningsuren volgt daarnaast dat niet meer aan de zogenaame TNO-norm wordt voldaan. De appartementen voldoen op dit moment ruimschots aan deze norm en bieden een redelijk bezonningsklimaat. Dit klimaat zal door het project van [Gedaagde] veranderen in een onaanvaardbaar slecht klimaat. Ofschoon een omwonende een zekere mate van hinder zal hebben te dulden, zijn de gevolgen van het oprichten van het appartementencomplex achter het Peutzgebouw zodanig ernstig voor de bewoners (en langs de hand van de huurovereenkomsten ook voor hun verhuurder, Martel B.V.: zij zal in ernstige mate gestoord worden in het genot van haar eigendom, welk genot zij dient te verschaffen aan de bewoners) dat er sprake is van onrechtmatig handelen van de zijde van [Gedaagde]. Tot slot handelt [Gedaagde] jegens eisers onrechtmatig door te handelen in strijd met het bepaalde in artikel 5:50 BW. De galerij van het te bouwen appartementencomplex zal zich bevinden binnen twee meter van de erfgrens. De galerij is gepland op een afstand van minder dan 1,3 meter, te rekenen vanaf de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk, tot de erfgrens. Een galerij is een “soortgelijk werk” als bedoeld in voormeld artikel. Eisers verliezen hierdoor hun visuele privacy en uitzicht. Als de bouw conform planning doorgang vindt, kijken de bewoners van de gebouwde appartementen vanaf hun galerij van een onaanvaardbaar kleine afstand op de balkons en de ramen van de bewoners, en kijken de bewoners tegen een hoge, beeldvullende muur met galerij aan. Dat [Gedaagde] beschikt over een onherroepelijke bouwvergunning met vrijstelling, vormt geen vrijbrief om onrechtmatige hinder toe te brengen aan derden. 2.3.2 Eisers zijn er op zichzelf niet op tegen dat het Peutzgebouw wordt opgewaardeerd en met appartementen wordt uitgebreid, maar zij willen dat het complex gebouwd wordt op basis van een aangepast bouwplan dat geen onrechtmatige hinder aan eisers toebrengt, meer in het bijzonder: - zonder “soortgelijke werken” als bedoeld in artikel 5:50 BW die onrechtmatige inbreuk maken op de privacy en het uitzicht van eisers; - met behoud van een redelijk bezonningsklimaat van twee uur per dag van 19 februari tot 21 oktober als bedoeld in de TNO-norm; - dat er geen grotere beperking van daglichttoetreding zal zijn dan 10%. 2.3.3 Eisers hebben een spoedeisend belang bij na te melden vordering, nu de bouwvakvakantie in de week van maandag 7 augustus 2006 eindigt en de bouwvakkers hun werk zullen hervatten. Thans is de fundering al gelegd. De daadwerkelijke bouw van het complex zal dus spoedig aanvangen. 2.4 Op grond van het vorenstaande hebben eisers –na wijziging van eis waartegen de wederpartij zich niet heeft verzet- gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [Gedaagde] gebiedt het bouwproject aan de Dr. Poelsstraat en de Uilegats waarop de besluiten van Heerlen d.d. 18 juli 2002, verzonden op 19 juli 2002 en d.d. 21 maart 2006, verzonden op 28 maart 2006, betrekking hebben, voor zover het betreft het gebouwdeel Wolff- en Herzdahl met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, tot het bouwplan dat op dit gebouwdeel betrekking heeft, zodanig is aangepast: a. dat niet langer de thans door uitvoering van het voornoemde bouwproject voor de bewoners dreigende onduldbare beperking van het uitzicht zal ontstaan, in het huidige plan veroorzaakt door de galerij en het trappenhuis in voornoemd gebouwdeel Wolff- en Herzdahl; en/of b. dat niet langer de thans door uitvoering van het voornoemde bouwproject dreigende onrechtmatige beperking van de privacy voor de bewoners zal ontstaan, in het huidige plan veroorzaakt door de galerij en het trappenhuis in voornoemd gebouwdeel Wolff- en Herzdahl dan wel vanuit de naastgelegen vensteropeningen in voornoemd gebouwdeel; en/of c. dat bij realisering van dat plan de bezonning van de appartementen bewoond door de bewoners aan de achterzijde in overeenstemming is met de maatgevende richtlijn voor een redelijk bezonningsklimaat van minimaal twee bezonningsuren per dag in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voor zover dit thans – blijkens het rapport van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs met nr. 2006.2114-1 het geval is; en/of d. dat bij realisering van dat plan de vermindering in daglichttoetreding van de appartementen bewoond door de bewoners aan de achterzijde niet groter is dan 10%, dit alles op straffe van een dwangsom ter grootte van € 100.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [Gedaagde] dit gebod met betrekking tot de onder a tot en met d genoemde aspecten, of één of meer daarvan overtreedt, één en ander tot een maximum van € 5.000.000, met veroordeling van [Gedaagde] in de kosten van de procedure. 2.5 De vordering wordt door [Gedaagde] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Op het verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan. 3. De beoordeling 3.1 Neemt men veronderstellenderwijs aan dat eisers door het oprichten van het litigieuze appartementencomplex op ontoelaatbare wijze zouden worden gedupeerd, dan is daarmee reeds een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde staking van de bouwwerkzaamheden gegeven. Overigens heeft [Gedaagde] de aanwezigheid van een spoedeisend belang aan de zijde van eisers ook niet weersproken. 3.2 Vast staat dat de aan [Gedaagde] verstrekte bouwvergunningen met vrijstelling, formele rechtskracht hebben verkregen. Eisers hebben zich immers in het bestuursrechtelijk traject niet tegen een en ander verweerd. Vast staat voorts –dit is door [Gedaagde] erkend- dat er door de bewoners enige hinder zal worden ondervonden van het nog op te richten appartementencomplex. 3.3 Eisers stellen –kort gezegd- dat door de bouw van het appartementencomlex:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.