vonnis RECHTBANK MAASTRICHT Sector civiel recht Datum uitspraak: 26 september 2007 Zaaknummer: 103016 / HA ZA 05-718 De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen inzake: het publiekrechtelijke lichaam DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend te Den Haag, eiser in conventie, verweerder in reconventie, procureur: mr. Ch.M.E.M. Paulussen tegen:
(2)het onderwerp ‘schadevergoeding’ volledig aan de orde te stellen in het kader van een schadestaatprocedure. De rechtbank zal de Staat in staat stellen om zich hierover bij akte uit te laten. Essent Netwerk zal, eveneens bij akte, mogen reageren. 4.34 Nu het onderhavige vonnis ten dele eindvonnis zal zijn en ten dele - voor zover het betreft de zaak tegen Essent Netwerk - tussenvonnis, acht de rechtbank termen aanwezig om te bepalen dat van het vonnis voor zover geen eindvonnis tussentijds hoger beroep zal kunnen worden ingesteld. 4.35 In afwachting van de resultaten van de aktewisseling houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan. In de zaak tegen VSB 4.36 Ter onderbouwing van zijn stelling dat VSB in verband met de uitvoering van de herstelwerkzaamheden onrechtmatig jegens de Staat heeft gehandeld, heeft de Staat allereerst aangevoerd dat VSB heeft gehandeld in strijd met een instructie van Essent Netwerk om de werkzaamheden poer voor poer uit te werken, alsmede in strijd met de instructie om de stabiliteit van de mast tijdens de werkzaamheden niet in gevaar te brengen. Hierdoor heeft zij niet alleen wanprestatie gepleegd jegens Essent, maar tevens een onrechtmatige daad jegens de Staat. Ten tweede heeft de Staat aangevoerd dat VSB onrechtmatig heeft gehandeld door voorafgaand aan de werkzaamheden geen zelfstandig onderzoek uit te voeren naar de constructie van de mast. 4.37 VSB heeft de stelling van de Staat, dat zij instructies van Essent niet zou hebben opgevolgd, betwist. Een instructie om de werkzaamheden ‘poer voor poer’ uit te voeren is door Essent Netwerk schriftelijk noch mondeling aan VSB gegeven. Daartoe voert VSB aan dat een dergelijke instructie niet in de schriftelijke opdracht van Essent Netwerk is opgenomen. Ook uit de omstandigheid dat Essent Netwerk de opdracht op 16 maart 2004 heeft verstrekt, terwijl in de opdracht was bepaald dat de werkzaamheden uiterlijk op 9 april 2004 moesten worden opgeleverd, volgt dat het niet mogelijk was om ‘poer voor poer’ te werken, in die zin dat het beton van een herstelde poer volledig had moeten zijn uitgehard, voordat met de werkzaamheden aan de volgende poer had kunnen worden begonnen. 4.38 De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Niet is gebleken dat Essent Netwerk schriftelijk aan VSB de instructie heeft verstrekt om de werkzaamheden ‘poer voor poer’ uit te voeren, in die zin dat de werkzaamheden aan een volgende poer pas mochten worden begonnen als de daarvoor herstelde poer volledig was uitgehard. In de schriftelijke opdracht van 16 maart 2004 noch in enig ander schriftelijk stuk is deze instructie opgenomen. Deze instructie kan ook niet op indirecte wijze uit de reparatieopdracht worden afgeleid. De Staat heeft in dit verband nog gewezen op de opdracht om proefkubussen te maken waarvan de druksterkte diende te worden bepaald na 28 dagen verhardingstijd. Als proefkubussen 28 dagen moeten uitharden, dan had VSB zich moeten realiseren dat de totale uitvoeringstijd zoals overeengekomen te kort was, aldus te Staat. De rechtbank kan begrijpen dat de Staat aan de opdracht in verband met de proefkubussen in dit verband een zeker belang hecht. Dat is echter vooral terecht in het licht van de kennis die inmiddels beschikbaar is, over de fout in het Kema-advies en over de uit dat advies niet overgenomen instructie om ‘poer voor poer’ te werken. De rechtbank kan niet inzien waarom VSB daaraan in 2004, gelet op wat zij op dat moment wist en kon weten, het belang had moeten hechten als door de Staat bedoeld, zeker ook gelet op de termijn waarbinnen VSB de werkzaamheden volgens de opdracht diende af te ronden. Verder is evenmin gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat een dergelijke instructie naderhand mondeling is verstrekt, op een zodanige wijze dat het niet-naleven van die instructie door medewerkers van VSB moet worden beschouwd als wanprestatie jegens Essent Netwerk en als een onrechtmatig handelen van VSB jegens de Staat. De enkele stelling van de Staat dat Essent Netwerk voorafgaand aan de werkzaamheden op de dag van de aanvang daarvan aan de uitvoerend medewerkers van VSB heeft medegedeeld dat ‘poer voor poer’ moest worden gewerkt - hetgeen VSB overigens heeft betwist -, is onvoldoende om tot een dergelijk oordeel te komen. Een mondelinge instructie om de werkzaamheden op een bepaalde wijze uit te voeren, had slechts onderdeel kunnen worden van de reeds eerder gesloten schriftelijke overeenkomst, indien zij was gegeven aan en geaccepteerd door degene binnen VSB die bevoegd was de overeenkomst aan te gaan en te wijzigen. Een mondelinge mededeling aan uitvoerende medewerkers van VSB op de dag dat deze met de werkzaamheden een aanvang nemen kan er niet toe leiden dat de instructie onderdeel wordt van de overeenkomst die met VSB was gesloten. Dat zou anders zijn geweest, als tussen partijen was overeengekomen dat de werkzaamheden (mede) onder toezicht van Essent zouden worden uitgevoerd. Dat hiervan sprake was, is echter gesteld noch gebleken. 4.39 De stelling van de Staat dat VSB jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, omdat zij door niet te voorkomen dat de mast is omgevallen, heeft gehandeld in strijd met de door Essent Netwerk opgedragen instructie om de stabiliteit van de mast onder geen beding in gevaar te brengen, kan evenmin worden gevolgd. De voorwaarde dat de stabiliteit van de mast niet in gevaar mocht worden gebracht, is in de tekst van de opdracht in direct verband gebracht met de verplichting om tijdens en na afronding van de werkzaamheden de stalen hulpconstructie in stand te laten. Blijkens de tekst van de voorwaarde en de context waarin zij wordt gesteld heeft zij niet beoogd om op VSB een algemene verplichting te leggen om er voor in te staan dat tijdens de werkzaamheden aan de fundering de mast niet zou omvallen. Van handelen in strijd met een instructie zoals door de Staat gesteld is daarom geen sprake. 4.40 Uit voorgaande overwegingen volgt dat de stellingen van de Staat - afzonderlijk noch in hun onderlinge samenhang beschouwd - kunnen leiden tot het oordeel dat VSB bij de uitvoering van de werkzaamheden onrechtmatig jegens de Staat heeft gehandeld door het negeren van instructies van de zijde van Essent die waren gericht op het waarborgen van de stabiliteit van de mast. 4.41 Ten tweede heeft de Staat aan zijn vordering jegens VSB ten grondslag gelegd dat op VSB als professionele aannemer een zelfstandige onderzoeksplicht rustte naar de beveiliging van de mast. Zij had niet zonder meer mogen afgaan op aanwijzingen van Essent dan wel op het onderzoek van Kema, maar had voorafgaand aan de werkzaamheden adequate voorzorgsmaatregelen moeten nemen, teneinde te voorkomen dat mast tijdens de werkzaamheden kon omvallen. In ieder geval had VSB, aldus de Staat, inzage moeten vragen in het rapport van Kema, in welk geval VSB direct had kunnen en moeten constateren dat het uitgangspunt van Kema, waarop het advies betreffende het herstel van de mast was gebaseerd, onjuist was. Bovendien was VSB in het bezit van de berekeningen van DHV d.d. 23 augustus 1974, waaronder pagina 122, en bezat zij tekeningen van de mast, waaronder tekening D
- Zowel uit pagina 122 van het rapport van DHV als uit de tekening D 8241 had zij zonder meer kunnen afleiden dat de ankers in de poeren niet waren doorverbonden met de wapening in de funderingsplaat, zodat zij tevens had kunnen concluderen dat de door Kema voorgestelde uitvoeringswijze tot een onveilige situatie zou leiden. 4.42 De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Op de aannemer rust op grond van artikel 7:754 BW een zelfstandige verplichting om de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Deze verplichting strekt zich blijkens de bepaling uit tot fouten of gebreken in de door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen of bestekken. Deze verplichting brengt dus mee dat de aannemer niet zonder meer mag vertrouwen op de juistheid van de door de aanbesteder opgestelde opdracht of van door deze verstrekte gegevens, maar dat hij gehouden is om de opdrachtgever te waarschuwen, indien er voor hem aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte opdracht dan wel overhandigde gegevens. Of daartoe aanleiding bestaat zal afhangen van alle feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de opdracht, alsmede de deskundigheid van de aanbesteder dan wel derden die bij het opstellen van de opdracht zijn betrokken. Het niet nakomen van deze verplichting levert jegens de opdrachtgever een tekortkoming op in de nakoming van de verbintenis. Eveneens kan het niet nakomen van deze verplichting onder omstandigheden meebrengen dat de aannemer jegens derden handelt in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk betaamt. Of dat zo is zal afhangen van bijvoorbeeld het gevaar dat voor derden in het leven kan worden geroepen door van de onjuiste gegevens uit te gaan en het risico dat dit gevaar zich daadwerkelijk verwezenlijkt. 4.43 Voor zover de Staat met zijn stelling, dat VSB onzorgvuldig heeft gehandeld door geen zelfstandig onderzoek in te stellen naar de constructie van de fundering van de mast, heeft beoogd aan te voeren dat op VSB onder alle omstandigheden de verplichting rustte om te onderzoeken of Essent Netwerk bij het verstrekken van de opdracht was uitgegaan van de juiste gegevens, volgt uit het voorgaande dat deze stelling geen steun vindt in het recht. Slechts indien er voor VSB aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de aan haar verstrekte opdracht, had zij niet zonder meer mogen overgaan tot het uitvoeren daarvan. In dat geval was zij op grond van artikel 7:754 BW overigens niet gehouden geweest om een zelfstandig onderzoek te doen naar de juistheid van de gegevens, maar had op VSB slechts de verplichting gerust om Essent Netwerk te waarschuwen. 4.44 Door de Staat zijn verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die - indien zij zouden komen vast te staan - leiden tot het oordeel dat er in onderhavig geval voor VSB aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de door Essent Netwerk aan haar verstrekte gegevens en dat VSB niet van de juistheid ervan had mogen uitgaan. Tussen partijen staat vast dat het mede afhangt van de constructie waarmee de mast aan de fundering is verankerd of de door VSB gevolgde werkwijze, zoals die uit de opdracht voortvloeide, al dan niet verantwoord was. Daaruit volgt dat VSB de door haar gevolgde werkwijze alleen dan niet had mogen volgen, indien er voor haar redenen waren geweest om te betwijfelen of in dit concrete geval de constructie van de mast de uitvoering van de opdracht toeliet. Daarvoor was echter geen aanleiding. Essent Netwerk had in haar opdracht van 16 maart 2004 gedetailleerd omschreven welke werkzaamheden VSB moest uitvoeren en had daarbij tevens bepaald dat deze werkzaamheden uiterlijk 9 april 2004 moesten zijn voltooid en dat de fundering in week 16 weer volledig belastbaar moest zijn. Daarbij had Essent Netwerk niet de instructie gegeven dat het, nu de oplevertermijn meebracht dat de vier poeren direct na elkaar zouden moeten worden hersteld, noodzakelijk was om maatregelen te nemen die de stabiliteit van de mast tijdens de herstelwerkzaamheden zouden waarborgen. Omdat de opdracht was gebaseerd op een advies van Kema en VSB er ook van op de hoogte was dat Kema als deskundige betrokken was geweest bij het voorbereiden van de opdracht en, zoals VSB onweersproken heeft gesteld, in dat kader mede een onderzoek had gedaan naar de trekkrachten op de fundering, mocht VSB er op vertrouwen dat met de door haar gekozen werkwijze de stabiliteit van de mast niet in gevaar zou komen. 4.45 Voor zover de Staat met zijn stelling dat Essent Netwerk in de opdracht de voorwaarde had opgenomen dat de werkzaamheden zo moesten worden uitgevoerd dat de stabiliteit van de mast onder geen enkele voorwaarde in het geding zou komen, nog heeft willen betogen dat hieruit volgt dat op VSB een zelfstandige onderzoeksplicht lag, kan zij niet worden gevolgd. Blijkens de formulering van de opdracht was deze voorwaarde gesteld in het kader van de instructie om de tijdens de werkzaamheden de aangebrachte stalen hulpconstructie op zijn plaats te houden; de rechtbank heeft daar eerder op gewezen. De voorwaarde beoogde derhalve niet om op VSB een zelfstandige verplichting te leggen om onderzoek te doen naar de wijze waarop de stabiliteit van de mast tijdens de werkzaamheden moest worden gewaarborgd. 4.46 Ook de omstandigheid dat VSB de beschikking had over de tekeningen en de statische berekeningen van de mast en de mastvoet, leidt niet tot het oordeel dat VSB de onjuistheden in de opdracht van Essent redelijkerwijs behoorde te kennen en Essent daaromtrent had moeten waarschuwen. De gegevens met betrekking tot de mast waren door Essent niet aan VSB verstrekt in verband met de opdracht tot het verrichten van de herstelwerkzaamheden, maar in verband met het verzoek van Essent uit september 2003 om een offerte uit te brengen voor het opstellen van een advies omtrent het waarborgen van de stabiliteit van de mast op korte termijn en het herstel van de mast. De opdracht voor het opstellen van het advies is vervolgens niet aan VSB maar aan Kema verstrekt. Nog afgezien van het feit dat VSB na de verstrekking van de gegevens aan Essent had laten weten dat de verstrekte gegevens, in ieder geval voor haar, niet toereikend waren om inzicht te verkrijgen in de fundering van de mast, is het niet duidelijk waarom VSB ter gelegenheid van de verstrekking van de opdracht tot het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de hand van de in een andere context verstrekte gegevens had moeten controleren of Essent dan wel Kema bij het formuleren van de opdracht de gegevens juist had geïnterpreteerd. Juist omdat de opdracht door Essent Netwerk was gebaseerd op het advies van Kema, terwijl VSB niet alleen wist dat Kema een advies aan Essent had verstrekt, maar ook dat Kema in verband met het opstellen van dat advies dezelfde tekeningen en statische berekeningen van de mast had gehad, mocht ze erop vertrouwen dat de opdracht gebaseerd was op juiste uitgangspunten omtrent de stabiliteit van de mast. 4.47 Dat laatste zou alleen anders zijn geweest indien het voor VSB op basis van de gegevens die haar eerder waren verstrekt zonder meer duidelijk had moeten zijn dat de wijze waarop zij op grond van de door Essent Netwerk geformuleerde opdracht de werkzaamheden wilde uitvoeren, tot instabiliteit van de mast zou leiden. In dit verband dienen de stellingen van de Staat te worden besproken, dat uit de aan VSB toegezonden tekening D. 8241 direct afgeleid kan worden dat de ankers van de poeren niet via schieters en haarspelden waren doorverbonden met de wapening van de funderingsplaat en dat iedere deskundige dat eveneens uit het DHV rapport had kunnen en moeten afleiden. 4.48 VSB heeft herhaaldelijk en gemotiveerd betwist dat de tekening D. 8241 haar door Essent Netwerk ter beschikking was gesteld toen haar werd verzocht een offerte uit te brengen voor het opstellen van een advies aangaande de reparatie van de mast. Deze tekening maakte volgens VSB geen onderdeel uit van de gegevens die Essent haar bij brief van 30 september 2003 heeft toegezonden. Nu de Staat zijn stelling dat VSB wel de beschikking had over deze tekening naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting door VSB niet verder heeft onderbouwd en op dit punt ook geen bewijsaanbod heeft gedaan, en nu de Staat bovendien in zijn conclusie van repliek in conventie zelf heeft gesteld dat Essent Netwerk de tekening niet heeft verstrekt bij haar brief van 30 september 2003, neemt de rechtbank als vaststaand tussen partijen aan dat VSB destijds de tekening D. 8241 niet heeft ontvangen. Daarmee ontbreekt aan het verwijt van de Staat de feitelijke grondslag. 4.49 Met betrekking tot de berekening van DHV d.d. 23 augustus 1974 overweegt de rechtbank dat VSB reeds in het najaar van 2003 had aangegeven dat zij uit de haar verstrekte gegevens, waartoe ook pagina 122 van het DHV-rapport behoorde, niet kon afleiden op welke wijze de mast was gefundeerd. Indien de Staat van oordeel is dat de wijze van fundering van de mast wel uit de berekening onderaan op pagina 122 had kunnen worden afgeleid en dat dat bovendien ook voor de medewerkers van VSB zonder meer duidelijk had moeten zijn, dan had van hem mogen worden verwacht dat hij gemotiveerd had aangegeven waarom deze berekening maar op één manier kan worden uitgelegd en waarom dat bovendien zo duidelijk is dat ook de medewerkers van VSB dit hadden behoren te begrijpen. Door dit niet te doen, heeft hij zijn stelling onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling zal passeren en de Staat niet tot bewijslevering ter zake zal toelaten. 4.50 Nu geen van de door de Staat aangevoerde gronden kan leiden tot het oordeel dat VSB, gezien de wijze waarop zij de werkzaamheden heeft uitgevoerd, onrechtmatig jegens de Staat heeft gehandeld, en er ook overigens geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot dat oordeel leiden, zal de vordering van de Staat jegens VSB worden afgewezen. 4.51 De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van VSB gevallen en tot op heden begroot op € 4.584,- aan vast recht en op € 12.844,- (4 punten à € 3.211,-) aan salaris procureur. 4.52 De rechtbank verwerpt daarmee de stelling van de Staat dat hij niet in de proceskosten behoort te worden veroordeeld, omdat VSB vanaf het begin een andere lezing heeft gegeven van de gebeurtenissen dan Essent deed, waardoor het voor de Staat niet duidelijk was welke partij zij aansprakelijk kon houden. VSB heeft zich immers van meet af aan op het consistente standpunt gesteld dat zij niet voor het omvallen van de mast en de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk is, omdat haar ten aanzien van haar handelwijze geen verwijt kan worden gemaakt. Dat de Staat zich niet heeft laten overtuigen en er voor heeft gekozen om het geschil aan de rechtbank voor te leggen, is vanzelfsprekend zijn goed recht. De opvatting, dat hieruit volgt dat de Staat onder deze omstandigheden niet in de kosten van de procedure behoort te worden veroordeeld, vindt echter geen steun in het recht. In reconventie 4.53 Reeds uit hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.12 en 4.32 heeft overwogen volgt dat de in reconventie gevorderde verklaring voor recht - inhoudende dat de Staat alle schade als gevolg van de kerosineverontreiniging moet vergoeden, daaronder begrepen de volledige schade van Essent - dient te worden afgewezen. Gegeven de aard en de omvang van de aansprakelijkheid van Essent Netwerk acht de rechtbank het namelijk uitgesloten dat, als in een later stadium wordt vastgesteld wie de schade als gevolg van het omvallen van de mast uiteindelijk dient te dragen, de Staat volledig (en Essent in het geheel niet) draagplichtig zal blijken te zijn. 4.54 Mega Limburg en Essent Netwerk zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie aan de zijde van de Staat gevallen en tot op heden begroot op € 3.211,-, zijnde de kosten van de conclusie van dupliek in reconventie.
- De beslissing De rechtbank in conventie in de zaak tegen Essent Netwerk 5.1 verwijst de zaak naar de rol van 10 oktober 2007 voor het nemen van een akte aan de zijde van de Staat en naar de rol van 24 oktober 2007 voor het nemen van een antwoordakte aan de zijde van Essent Netwerk, een en ander zoals aangegeven onder 4.33 van dit vonnis; 5.2 bepaalt dat van dit vonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld; 5.3 houdt iedere verdere beslissing aan; in de zaak tegen Mega Limburg 5.4 wijst af het door de Staat gevorderde; 5.5 veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van Mega Limburg gevallen, deze kosten tot op heden begroot op nihil; in de zaak tegen VSB 5.6 wijst af het door de Staat gevorderde; 5.7 veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van VSB gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 17.428,-; 5.8 verklaart het vonnis ten aanzien van de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad; in reconventie 5.9 wijst af het door Mega Limburg en Essent Netwerk gevorderde; 5.10 veroordeelt Mega Limburg en Essent Netwerk in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 3.211,-. Dit vonnis is gewezen door de mrs. W.J.J. Beurskens, A.S. Arnold en J.J. Verhoeven, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 26 september 2007.