vonnis RECHTBANK Sector civiel recht Datum uitspraak: 26 september 2007 Zaaknummer: 106938 / HA ZA 05-1272 De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen inzake
(3)gezien de omstandigheid dat een doorkoppeling in de fundering niet ongewoon was, vertrouwen op de juistheid van die mondeling verstrekte gegevens. 4.9 Gezien het voorgaande heeft Kema bij het opstellen van haar advies niet onzorgvuldig jegens Essent gehandeld door met betrekking tot de constructie van de fundering af te gaan op de mondeling door [Medewerker van Essent] verstrekte gegevens. Dit was ook daarom niet onzorgvuldig, omdat het rapport ten behoeve van Essent werd opgesteld en het juist [Medewerker van Essent] als verantwoordelijke binnen Essent duidelijk was dat het rapport met betrekking tot de constructie van de fundering niet was gebaseerd op tekeningen en berekeningen van de mast, maar op zijn eigen mededelingen. De stellingen van Essent op dit punt leiden dan ook niet tot het oordeel dat Kema is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst. 4.10 Tot slot heeft Essent gesteld dat Kema slechts aan haar zorg van een goed opdrachtnemer zou hebben voldaan, als ondubbelzinnig een werkwijze was aanbevolen waarbij het omvallen van de mast was uitgesloten. In dat verband had Kema, volgens Essent, bij haar opmerking dat de werkzaamheden ‘poer voor poer’ moesten worden uitgevoerd, duidelijk moeten aangeven dat dit inhield dat pas aan herstel van een volgende poer kon worden begonnen, als het beton van de daarvoor herstelde poer voldoende was uitgehard. 4.11 Naar het oordeel van de rechtbank kon het advies van Kema om de werkzaamheden ‘poer voor poer’ uit te voeren, niet anders worden opgevat dan dat was bedoeld dat pas aan het herstel van een volgende poer kon worden begonnen, als de werkzaamheden aan de voorafgaande poer waren afgerond en deze poer de door de mast uitgeoefende trekkrachten weer kon weerstaan. Het advies impliceerde dan ook dat pas aan de volgende poer kon worden begonnen, als het beton van de herstelde poer voldoende was uitgehard. Slechts op deze wijze uitgelegd heeft het advies betekenis. Daarmee mist de stelling van Essent, dat Kema niet expliciet genoeg is geweest over de wijze waarop de werkzaamheden moesten worden uitgevoerd, feitelijke grondslag. 4.12 De conclusie uit het voorgaande is dat niet kan worden geoordeeld dat Kema bij het opstellen van het rapport toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Essent. Dat betekent dat de daartoe aangevoerde grond niet kan leiden tot toewijzing van het door Essent gevorderde. Andere gronden om dat te doen zijn niet gesteld of gebleken, zodat de vordering van Essent jegens Kema zal worden afgewezen. Nu op grond van het vorenoverwogene de vordering van Essent op Kema reeds moet worden afgewe¬zen, behoeven de overige, niet weergegeven, verweren van Kema geen bespreking meer. 4.13 Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van Kema gevallen en tot op heden begroot op € 244,- aan vast recht en op € 1.808,- (4 punten à € 452,-) aan salaris procureur. In de procedure tegen VSB 4.14 Aan de vordering jegens VSB heeft Essent allereerst ten grondslag gelegd dat VSB toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de met Essent Netwerk gesloten overeenkomst. Ter onderbouwing van deze grondslag voert Essent drie argumenten aan. - VSB heeft in de eerste plaats wanprestatie jegens Essent gepleegd, omdat zij de uitdrukkelijke instructie om het herstel van de mast ‘poer voor poer’ uit te voeren niet heeft opgevolgd. Deze instructie is op de ochtend van de aanvang van de werkzaamheden door VSB op 29 maart 2004 in ieder geval twee keer telefonisch door de heer Norbart van Essent aan medewerkers van VSB gegeven, eerst aan de heer Van Es en later aan (waarschijnlijk) de heer Kooijman. Bovendien volgt uit de omstandigheid dat Essent in de offerteaanvraag had vermeld dat voor de werkzaamheden drie weken werden uitgetrokken, dat de werkzaamheden niet achter elkaar mochten worden uitgevoerd. VSB heeft zich niet aan deze instructie gehouden, doordat zij aan meerdere poeren tegelijk bezig was en in ieder geval het nieuw aangestorte beton van de reeds herstelde poer niet voldoende lang heeft laten uitharden alvorens met de werkzaamheden aan de volgende poer werd begonnen. In dit opzicht is bovendien van belang dat VSB niet heeft gewerkt volgens de richtlijnen van de toepasselijke norm NEN 6722, op grond waarvan minimaal vier tot zes dagen had moeten worden gewacht op het uitharden van het beton aan de herstelde poer, voordat mocht worden begonnen met de werkzaamheden aan de volgende poer. - Ten tweede is VSB tekortgeschoten, omdat Essent Netwerk bij de verlening van de opdracht uitdrukkelijk als voorwaarde had gesteld dat de stabiliteit van de mast niet in gevaar mocht worden gebracht. VSB heeft deze voorwaarde geschonden, onder meer door de stalen hulpconstructie niet ongewijzigd op de plaats te laten. - Tot slot heeft VSB wanprestatie gepleegd, omdat op haar, afgezien van de door Essent Netwerk gegeven instructies, een eigen verantwoordelijkheid rustte om ervoor te waken dat tijdens de werkzaamheden de stabiliteit van de mast niet in gevaar zou worden gebracht. Dit impliceert dat er op VSB een zelfstandige onderzoeksplicht lag ten aanzien van de constructie van de mast. Op grond van de gegevens die VSB met betrekking tot de mast in haar bezit had, had zij kunnen weten dat er geen koppeling was tussen de ankers in de poeren en de wapening in de funderingsplaat. Door er zonder meer vanuit te gaan dat een dergelijke doorkoppeling wel aanwezig was, heeft zij niet gehandeld als een redelijk bekwaam aannemer. 4.15 Daarnaast is VSB volgens Essent jegens haar contractueel aansprakelijk voor de schade als gevolg van het omvallen van de mast, omdat VSB op grond van paragraaf 6 onderdeel 9 van de op de tussen Essent Netwerk en VSB gesloten overeenkomst toepasselijke UAV gehouden is om Essent te vrijwaren voor aanspraken van derden. 4.16 Tenslotte stelt Essent dat VSB tevens onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, omdat zij de werkzaamheden aan de mast onzorgvuldig heeft uitgeoefend. Om die reden is VSB ook op grond van de artikelen 6:162 BW en volgende jegens Essent aansprakelijk tot vergoeding van de schade die Essent door het omvallen van de mast heeft geleden. 4.17 VSB heeft de stelling van Essent dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst betwist. Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat Essent vóór de aanvang van de werkzaamheden geen instructie heeft gegeven dat deze ‘poer voor poer’ moesten worden uitgevoerd. Bepalend voor de wijze waarop zij de herstelwerkzaamheden moest uitvoeren, waren de instructies die Essent Netwerk had vermeld in haar schriftelijke opdracht aan VSB van 16 maart 2004. Daarin was niet opgenomen dat de werkzaamheden ‘poer voor poer’ moesten worden uitgevoerd. Evenmin is op de ochtend van de aanvang van de werkzaamheden door de heer Norbart deze instructie telefonisch doorgegeven aan haar medewerkers Van Es en Kooijman. Ook anderszins is deze instructie niet gegeven. Dat Essent nimmer de opdracht heeft verstrekt om ‘poer voor poer’ te werken, in die zin dat pas met de werkzaamheden aan een volgende poer mocht worden begonnen als het beton van de voorafgaand herstelde poer was uitgehard, blijkt, aldus VSB, ook uit het feit dat Essent in de schriftelijke opdracht van 16 maart 2004 als opleverdatum 9 april 2004 had gesteld. Omdat de door Essent Netwerk voorgeschreven betonsoort een uithardingstijd had van vier weken, was voor de werkzaamheden tenminste een periode van twaalf weken nodig geweest, als moest worden gewerkt op de wijze die Essent thans stelt te hebben voorgeschreven. De opzichters van Essent, die op de werkplek aanwezig waren en die de werkzaamheden begeleidden, hebben telkens toestemming gegeven om met het herstel van de volgende poer te beginnen, hoewel het beton van de daarvoor herstelde poer nog niet was uitgehard. Ook daaruit volgt, aldus VSB, dat een instructie om ‘poer voor poer’ te werken niet is gegeven. 4.18 De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. De stelling van Essent dat VSB jegens haar aansprakelijk is voor de ontstane schade, omdat VSB toerekenbaar is tekortgeschoten ten aanzien van de instructie om ‘poer voor poer’ te werken treft alleen doel als deze instructie deel uitmaakte van de overeenkomst tussen partijen. In de schriftelijke opdracht van 16 maart 2004 aan VSB (weergegeven onder 2.9) heeft Essent de instructie dat de werkzaamheden ‘poer voor poer’ moesten worden uitgevoerd niet opgenomen. Deze instructie kan dus slechts onderdeel hebben uitgemaakt van de overeenkomst, als partijen dit achteraf alsnog zijn overeengekomen. 4.19 Volgens Essent is dat het geval. Zij stelt - door VSB betwist - dat deze instructie voorafgaand aan de werkzaamheden, op de dag van de aanvang ervan, door de heer Norbart van Essent telefonisch aan de medewerkers Van Es en Kooijman van VSB is medegedeeld. Om die reden had de instructie volgens Essent moeten worden opgevolgd. De rechtbank kan Essent in deze opvatting niet volgen. De mondelinge instructie om de eerder overeengekomen werkzaamheden op een bepaalde wijze uit te voeren had slechts onderdeel kunnen worden van de reeds eerder gesloten schriftelijke overeenkomst, als zij was gegeven aan en geaccepteerd door degene die binnen VSB bevoegd was om de desbetreffende overeenkomst (aan te gaan
- en)te wijzigen. Een mondelinge mededeling aan uitvoerende medewerkers van VSB op de dag dat deze met de werkzaamheden een aanvang nemen, gedaan (volgens de eigen stellingen van Essent) in een gesprek dat plaatsvond op initiatief van de medewerkers van VSB in verband met een geheel andere kwestie, kon er niet toe leiden dat de instructie onderdeel werd van de overeenkomst die met VSB was gesloten. Dat zou anders zijn geweest, als tussen partijen was overeengekomen dat de werkzaamheden (mede) onder toezicht van Essent zouden worden uitgevoerd. Dat hiervan sprake was, is echter gesteld noch gebleken. 4.20 Ter ondersteuning van haar stelling dat VSB op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst ‘poer voor poer’ had moeten werken, heeft Essent nog aangevoerd dat de werkzaamheden op grond van de overeenkomst volgens de NEN-norm 6722 dienden te worden verricht. Ook daaruit volgt, volgens Essent, dat VSB de werkzaamheden niet achter elkaar had mogen uitvoeren, maar dat het beton vier tot zes dagen had moeten uitharden. 4.21 De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Nog afgezien van het feit dat VSB heeft betwist dat de NEN-norm 6722 van toepassing was op de uitvoering van de werkzaamheden, kan uit hetgeen Essent ter zake heeft gesteld niet worden geconcludeerd dat VSB ‘poer voor poer’ had moeten werken. De NEN-norm 6722 geeft normen voor het ontkisten van gestort beton en de uithardingstermijnen die in dat opzicht in acht moeten worden genomen. Blijkens deze norm heeft zij als doel om bij ontkisting verlies van evenwicht en vereiste vorm van het te ontkisten constructiedeel te voorkomen. In dit verband wordt nog een onderscheid gemaakt tussen dragende en niet-dragende bekisting. Uit de NEN-norm volgt dus niet dat zij (mede) als doel heeft om de stabiliteit van de gehele constructie te waarborgen, zodat uit de eventuele toepasselijkheid van deze norm niet kan worden afgeleid dat VSB in verband met het waarborgen van de stabiliteit van de mast als geheel ‘poer voor poer’ had moeten werken. 4.22 Uit het voorgaande volgt dat VSB door niet ‘poer voor poer’ te werken niet heeft gehandeld in strijd met een overeengekomen instructie en dat zij in dit opzicht dus niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met Essent Netwerk. 4.23 Essent heeft aan haar stelling, dat VSB tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, mede ten grondslag gelegd dat VSB in strijd heeft gehandeld met de voorwaarde uit de overeenkomst om de stabiliteit van de mast niet in gevaar te brengen, onder meer door de stalen hulpconstructie niet ongewijzigd in stand te laten. 4.24 VSB heeft meerdere keren aangegeven dat deze stelling iedere feitelijke grondslag mist. Deze betwisting wordt ondersteund door de foto’s van de mast, die zijn gemaakt na het omvallen ervan en die deel uitmaken van het procesdossier. Nu Essent naar aanleiding van de herhaalde betwistingen van de zijde van VSB haar stelling niet nader heeft onderbouwd, heeft zij op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan, zodat deze stelling zal worden gepasseerd. 4.25 Voor zover Essent heeft beoogd te stellen dat VSB aan Essent Netwerk een garantie had gegeven dat de mast tijdens de werkzaamheden niet zou kantelen, nu in de opdracht van 16 maart 2004 als voorwaarde was opgenomen dat onder geen voorwaarde de stabiliteit van de mast in gevaar mocht worden gebracht, kan die stelling van Essent niet worden gevolgd. De voorwaarde dat de stabiliteit van de mast niet in gevaar mocht worden gebracht, is in de opdracht in direct verband gebracht met de verplichting om tijdens en na afronding van de werkzaamheden de stalen hulpconstructie in stand te laten. Blijkens de tekst van de voorwaarde en de context waarin zij wordt gesteld heeft zij niet beoogd om op VSB een algemene verplichting te leggen om er voor in te staan dat tijdens de werkzaamheden aan de fundering de mast niet zou omvallen. Essent geeft aan de desbetreffende voorwaarde daarom een uitleg die in strijd is met haar kennelijke strekking. 4.26 De vaststelling dat VSB bij de uitvoering van de werkzaamheden niet heeft gehandeld in strijd met enige uitdrukkelijk overeengekomen verplichting die de strekking had om de stabiliteit van de mast te waarborgen, leidt vervolgens tot de vraag of op VSB de zelfstandige verplichting rustte om, zoals Essent als derde argument heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar stelling dat VSB wanprestatie heeft gepleegd, een onderzoek in te stellen naar de krachten die op de fundering werden uitgeoefend en te onderzoeken of deze krachten door de fundering konden worden opgevangen, als VSB de voorgeschreven werkzaamheden zou uitvoeren. 4.27 VSB heeft betwist dat op haar een zodanige verplichting rustte. Het doen van een dergelijk onderzoek maakte volgens haar geen deel uit van de opdracht en van VSB kon ook niet worden verwacht dat zij voorafgaand aan het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden voor een bedrag van € 8.500,- een dergelijk uitgebreid onderzoek zou doen. Bovendien was het VSB bekend dat Kema reeds een dergelijk onderzoek had uitgevoerd en dat de instructies van Essent aan VSB waren gebaseerd op de uitkomsten van dat onderzoek. VSB mocht vertrouwen op de deugdelijkheid van het onderzoek van Kema en de daarop gebaseerde instructies. 4.28 De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Op de aannemer rust op grond van artikel 7:754 BW een zelfstandige verplichting om de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kent of redelijkerwijs behoort te kennen. Deze verplichting strekt zich blijkens de bepaling uit tot fouten of gebreken in de door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen of bestekken. Deze verplichting brengt dus mee dat de aannemer niet zonder meer mag vertrouwen op de juistheid van de door de aanbesteder opgestelde opdracht of van door deze verstrekte gegevens, maar dat hij gehouden is om de opdrachtgever te waarschuwen als er voor hem aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte opdracht dan wel overhandigde gegevens. Of daartoe aanleiding bestaat zal afhangen van alle feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de opdracht, alsmede van de deskundigheid van de aanbesteder dan wel van derden die bij het opstellen van de opdracht zijn betrokken. Het niet nakomen van deze verplichting levert jegens de opdrachtgever een tekortkoming op in de nakoming van de verbintenis. 4.29 Uit het voorgaande volgt allereerst dat de opvatting van Essent, voor zover Essent met haar stelling dat VSB onzorgvuldig heeft gehandeld door geen zelfstandig onderzoek in te stellen naar de constructie van de fundering van de mast, heeft beoogd aan te voeren dat op VSB onder alle omstandigheden de verplichting rustte om te onderzoeken of Essent Netwerk bij het verstrekken van de opdracht was uitgegaan van de juiste gegevens, geen steun vindt in het recht. Slechts als er voor VSB aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de aan haar verstrekte opdracht, had zij niet zonder meer mogen overgaan tot het uitvoeren daarvan. In dat geval was zij op grond van artikel 7:754 BW overigens niet gehouden geweest om een zelfstandig onderzoek te doen naar de juistheid van de gegevens, maar had op VSB slechts de verplichting gerust om Essent Netwerk te waarschuwen. 4.30 Door Essent zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die - als zij zouden komen vast te staan - leiden tot het oordeel dat er in het onderhavig geval voor VSB aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de door Essent Netwerk aan haar verstrekte gegevens en instructies. Tussen partijen staat vast dat het mede afhangt van de constructie waarmee de mast aan de fundering is verankerd of de door VSB gevolgde werkwijze, zoals die uit de opdracht voortvloeide, al dan niet verantwoord was. Daaruit volgt dat VSB de door haar gevolgde werkwijze alleen dan niet had mogen volgen, als er voor haar redenen waren geweest om te betwijfelen of in dit concrete geval de constructie van de mast de uitvoering van de opdracht toeliet. Daarvoor was echter geen aanleiding. Omdat de opdracht was gebaseerd op een advies van Kema en VSB er ook van op de hoogte was dat Kema als deskundige betrokken was geweest bij het voorbereiden van de opdracht en, zoals VSB onweersproken heeft gesteld, in dat kader mede een onderzoek had gedaan naar de trekkrachten op de fundering, mocht VSB er op vertrouwen dat de mast op zodanige wijze was gefundeerd dat met de door haar gekozen werkwijze de stabiliteit van de mast niet in gevaar zou komen. 4.31 Ook de omstandigheid dat VSB de beschikking had over de tekeningen en de statische berekeningen van de mast en de mastvoet, leidt - anders dan Essent heeft gesteld - niet tot het oordeel dat VSB de onjuistheden in de opdracht van Essent Netwerk redelijkerwijs had behoren te kennen en haar daaromtrent had moeten waarschuwen. De gegevens met betrekking tot de mast waren door Essent Netwerk niet aan VSB verstrekt in verband met de opdracht tot het verrichten van de herstelwerkzaamheden, maar in verband met het verzoek van Essent Netwerk uit september 2003 om een offerte uit te brengen voor het opstellen van een advies over onder meer het herstel van de mast. De opdracht voor het opstellen van het advies is vervolgens niet aan VSB maar aan Kema verstrekt. Nog afgezien van het feit dat VSB na de verstrekking van de gegevens aan Essent had laten weten dat de verstrekte gegevens, in ieder geval voor haar, niet toereikend waren om inzicht te verkrijgen in de belastbaarheid van de mast, is het niet duidelijk waarom VSB ter gelegenheid van de verstrekking van de opdracht tot het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de hand van de in een andere context verstrekte gegevens had moeten controleren of Essent Netwerk dan wel Kema bij het formuleren van de opdracht de gegevens juist had geïnterpreteerd. Juist omdat Essent Netwerk de opdracht had gebaseerd op het advies van Kema, terwijl VSB niet alleen wist dat Kema een advies aan Essent had verstrekt, maar ook dat Kema in verband met het opstellen van dat advies de tekeningen en de statische berekeningen van de mast had gehad, mocht ze erop vertrouwen dat de opdracht gebaseerd was op juiste uitgangspunten over de stabiliteit van de mast. 4.32 Dat laatste zou alleen anders zijn geweest als het voor VSB op basis van de gegevens die haar eerder waren verstrekt zonder meer duidelijk had moeten zijn dat de wijze waarop zij op grond van de door Essent Netwerk geformuleerde opdracht de werkzaamheden wilde uitvoeren, tot instabiliteit van de mast zou leiden. Door Essent zijn echter geen feiten gesteld waaruit volgt dat daarvan sprake was. 4.33 De stelling van Essent, in dit verband gedaan, dat uit de rapportage van prof. ir. H.H. Snijder volgt dat VSB uit de berekeningen van DHV d.d. 23 augustus 1974 had kunnen en moeten afleiden dat er geen doorkoppeling in de fundering aanwezig was, kan niet worden gevolgd. VSB had reeds in het najaar van 2003 aangegeven dat zij uit de haar verstrekte gegevens, waartoe ook het DHV-rapport behoorde, niet kon afleiden op welke wijze de mast was gefundeerd. Indien Essent van oordeel is dat de wijze van fundering van de mast wel uit de berekening van DHV had kunnen worden afgeleid en dat dat bovendien ook voor de medewerkers van VSB zonder meer duidelijk had moeten zijn, dan had van haar mogen worden verwacht dat ze gemotiveerd had aangegeven waarom die berekening zo duidelijk is dat ook de medewerkers van VSB dit hadden behoren te begrijpen. Door dit niet te doen, heeft zij haar stelling onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank deze zal passeren. 4.34 Als tweede grondslag van haar vordering jegens VSB heeft Essent aangevoerd dat VSB op grond van de UAV gehouden is om Essent te vrijwaren voor schade die bij de uitvoering van de werkzaamheden aan derden is toegebracht. VSB heeft de toepasselijkheid van de UAV niet betwist, maar heeft gesteld dat zij op grond van de UAV slechts aansprakelijk is voor schade die te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de aannemer en zijn personeel. Daarvan was in casu geen sprake, aldus VSB. 4.35 Nu VSB aansprakelijkheid op grond van de UAV gemotiveerd heeft betwist, had het op de weg van Essent gelegen om dit onderdeel van haar stellingen nader te onderbouwen, in de eerste plaats door overlegging van de betreffende bepalingen uit het UAV en daarnaast door ook verder dit deel van haar vordering inzichtelijk te onderbouwen. Nu Essent dat niet heeft gedaan, heeft zij op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan. Deze stelling van Essent zal derhalve worden gepasseerd, zonder dat Essent tot nadere bewijslevering hoeft te worden toegelaten. 4.36 Aan haar stelling dat VSB jegens Essent onrechtmatig heeft gehandeld, heeft Essent geen andere feiten ten grondslag gelegd dan zij reeds ten grondslag heeft gelegd aan haar stelling dat VSB toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Reeds in de vaststelling dat VSB niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en in de motivering die daarvoor is gegeven, ligt besloten dat evenmin kan worden geoordeeld dat VSB onrechtmatig heeft gehandeld jegens Essent. 4.37 Een en ander betekent dat geen van aangevoerde gronden kan leiden tot toewijzing van het door Essent gevorderde. Andere gronden om dat te doen zijn niet gesteld of geble¬ken, zodat de vordering van Essent jegens VSB zal worden afgewezen. Nu op grond van het vorenoverwogene de vordering van Essent op VSB reeds moet worden afgewe¬zen, behoeven de overige, niet weergegeven, verweren van VSB geen bespreking meer. 4.38 Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van VSB gevallen en tot op heden begroot op € 244,- aan vast recht en op € 1.808,- aan salaris procureur. In de zaken tegen de gemeente Beek en de gemeente Stein 4.39 De rechtbank begrijpt dat Essent haar vorderingen tegen de gemeente Beek en tegen de gemeente Stein baseert op dezelfde feiten en juridische gronden. De beide gemeenten hebben gezamenlijk verweer gevoerd. De rechtbank zal de vorderingen en het daartegen aangevoerde verweer dan ook gezamenlijk bespreken. 4.40 Aan haar vorderingen jegens de gemeenten heeft Essent allereerst ten grondslag gelegd dat zij onrechtmatig hebben gehandeld door in strijd met artikel 3 van de Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo) niet de pijpleiding van DPO in hun rampenplannen te vermelden. Door deze onvolledigheid van de rampenplannen waren de hulpdiensten niet op de hoogte van het bestaan van de leiding en de aard van de vloeistof die daar doorheen liep. Hierdoor heeft de brandweer de gevolgen van het lek in de pijpleiding niet adequaat kunnen bestrijden. Zij heeft de kerosine weggespoten dan wel met een schuimlaag afgedekt, waardoor deze zich over een groter oppervlak heeft kunnen verspreiden dan wel dieper de grond heeft kunnen inlopen. Ten onrechte ook heeft de brandweer besloten om de wegverharding en het hemelwaterriool schoon te spuiten. Indien de rampenbestrijdingsplannen ten aanzien van de aanwezigheid van de leiding van DPO meer volledig waren opgesteld, dan had de brandweer adequater kunnen optreden en, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Essent, waren de gevolgen van het lek raken van de leiding minder omvangrijk geweest. 4.41 Daarnaast heeft Essent aan haar vordering tegen de beide gemeenten ten grondslag gelegd dat de gemeentelijke hulpdiensten zich onvoldoende hebben gekweten van hun taak, omdat zij vastgestelde procedures niet hebben nageleefd en omdat zij ook anderszins chaotisch te werk zijn gegaan. Essent heeft deze, onder verwijzing naar de rapporten en verslagen, in slechts algemene termen de dagvaarding geformuleerde grondslag nader onderbouwd in haar conclusie van repliek, door te verwijzen naar de volgende feiten en omstandigheden. - De gemeenten wisten te laat dat de leiding die was geraakt, toebehoorde aan DPO en dat de brandstof die daaruit stroomde kerosine was. Uit verslagen blijkt dat de gemeenten er pas om 17.30 uur van op de hoogte waren dat de uitstromende brandstof kerosine was. Mocht de stelling van de gemeenten, dat zij reeds om 16.18 uur van deze gegevens op de hoogte waren, juist zijn dan hebben zij veel te traag gehandeld bij het nemen van verdere maatregelen om de gevolgen van de ramp te beperken, waardoor de schade is vergroot. Zo is er pas om 17.22 uur (na 135 minuten) gebeld met de heer Druler van DPO en is de schuimdeken pas na 18.30 uur aangebracht, terwijl deze niet voor het merendeel uit water bestond. - Er is verwijtbaar te laat verzocht om de inzet van afzuigwagens, die pas om 18.45 uur ter plaatse waren. Omdat het voor de inzet van afzuigwagens niet uitmaakte welke vloeistof er uit de leiding stroomde, hadden de gemeenten niet hoeven wachten met het inzetten van afzuigwagens totdat er duidelijkheid bestond over de aard van de vloeistof. Zij hadden vervolgens containers van transportbedrijf Dirix kunnen gebruiken voor de opslag van kerosine. - Behalve dat de gemeenten te laat hebben gereageerd, hadden ze zelf bovendien meer zelfstandige acties kunnen ondernemen. Zo hadden zij zelfstandig kunnen overgaan tot het sluiten van de leiding in plaats van de komst van een medewerker van DPO af te wachten. In ieder geval had de komst van de medewerker van DPO kunnen worden bespoedigd door deze met een helikopter te laten afhalen. Ook hadden de gemeenten zelf maatregelen kunnen nemen om het gat in de leiding te dichten door het vol te gooien met zand, grond of zelfs beton. - Zij hadden bovendien meer maatregelen kunnen nemen om de uitstromende kerosine in te dammen. Een groot deel van de verontreiniging heeft kunnen ontstaan, omdat deze maatregelen te lang achterwege zijn gebleven, waardoor de kerosine heeft kunnen weglopen in het riool, in de bermsloten en in de grond. Bovendien is er te lang gewacht met het verwijderen van de verontreiniging uit bodem en sloten, waar pas na 24 uur mee is begonnen. 4.42 Als zelfstandige grondslag heeft Essent ten derde aangevoerd dat de burgemeesters van beide gemeenten ten onrechte geen gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid om op grond van artikel 175 van de Gemeentewet noodmaatregelen te treffen. Omdat het Openbaar Ministerie de toegang tot de rampplek in verband met onderzoek had afgesloten, konden hulpdiensten de rampplek niet bereiken, waardoor de schade groter is geworden dan nodig was. De burgemeesters hadden gebruik moeten maken van hun bevoegdheden op grond van de Gemeentewet, om aldus hulpdiensten tot de rampplek toe te laten. Hierdoor had de schade ten gevolge van de uitstroom van de kerosine aanzienlijk kunnen worden beperkt. 4.43 De beide gemeenten hebben allereerst als verweer aangevoerd dat, al zou er sprake zijn van handelen in strijd met de Wrzo door de transportleiding van DPO niet in het gemeentelijke rampenbestrijdingsplan op te nemen, dat nog niet betekent dat de gemeenten daardoor onrechtmatig jegens Essent hebben gehandeld, omdat de Wrzo niet strekt ter bescherming van de belangen van de individuele burger en de schade zoals Essent die heeft geleden. In dit verband is bovendien van belang dat de aanwezigheid van de brandstoflei¬ding op het internet bekend was gemaakt en dat de brandweer ook feitelijk op de hoogte was van de aanwezigheid van de leiding van DPO. Ook om die reden kan de gemeenten in dit opzicht geen verwijt worden gemaakt, zo wordt gesteld. 4.44 Voorts hebben de gemeenten betwist dat zij, dan wel haar hulpdiensten, bij de bestrijding van de ramp hun taken hebben verzuimd. De gemeenten hebben, zo stellen zij, gehandeld krachtens vigerende regelgeving en het bestrijdingsplan en zij zijn daarbij voortvarend en adequaat opgetreden. Daartoe hebben zij - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd. - Nadat om 15.15 uur een melding was binnengekomen over het omvallen van de mast, is de brandweer Beek om 15.27 uur op de plek van de ramp gearriveerd. Er is door de brandweer onmiddellijk een aantal noodzakelijke maatregelen getroffen. - Zij heeft er als eerste voor gezorgd dat de spanning van de hoogspanningsleidingen werd afgehaald. Omdat de hoogspanningsleidingen terecht waren gekomen op de bovenleidingen van het spoor, heeft ze bovendien het treinverkeer laten stilleggen. - Vervolgens heeft zij nacontrole uitgevoerd in verband met een buitenbrand die had gewoed en heeft zij omringende bedrijven ontruimd en spanningsvrij gemaakt. Ook heeft zij de grond afgedekt met schuim ter voorkoming van stankoverlast en de mogelijkheid van gasexplosies via vonken door inductiespanning. Verder moest de brandweer door het treffen van maatregelen anticiperen op het omvallen van de andere hoogspanningsmasten. - Toen het duidelijk was dat de getroffen leiding toebehoorde aan DPO, heeft de brandweer onmiddellijk een medewerker van DPO weten te benaderen. Dit was om 15.50 uur. Het was de brandweer vervolgens om 16.18 uur duidelijk dat er op die dag kerosine door de leiding liep. Overigens maakt het, aldus de gemeenten, voor het intreden en de omvang van de schade niet uit als de gemeenten er eerder mee bekend waren geweest dat de vloeistof kerosine betrof; de acties die zij tot die tijd hadden ondernomen zijn hierdoor niet daadwerkelijk beïnvloed. - Om 17.15 heeft een medewerker van DPO, die daarvoor uit de Randstad moest komen, de handmatige afsluiter aan de noordzijde van het lek afgesloten en om 17.45 die aan de zuidkant. Het verwijt van Essent dat de gemeenten zelf de met de hand bedienbare afsluiters hadden moeten sluiten, kan geen doel treffen, omdat de gemeenten zelf niet de beschikking hebben over de sleutels van deze afsluiters. Dat de gemeenten een helikopter hadden moeten sturen om te zorgen dat de medewerker van DPO eerder ter plaatse was, is niet realistisch. De uitstroom vanaf de afsluiter aan de zuidkant van het lek was bovendien niet te voorkomen geweest, omdat de leiding vanaf de plaats van die afsluiter naar het lek naar beneden loopt. - Zodra duidelijk was dat kerosine wegliep richting Catsop is er een dam opgeworpen en is bij een aannemer een vrachtauto vol met zand besteld. Zo is ondermeer voorkomen dat het nabijgelegen natuurpark bij kasteel Elsloo is verontreinigd. Toen de opgeworpen dammen niet afdoende bleken te zijn, zijn er onmiddellijk zuigwagens besteld. Deze waren snel ter plaatse. Onjuist is derhalve de stelling van Essent dat het 24 uur heeft geduurd voordat van de zijde van de gemeenten met schoonmaakwerkzaamheden werd begonnen. 4.46 De gemeenten hebben verder de stelling van Essent betwist dat zij onmiddellijk zelfstandig maatregelen hadden moeten treffen om het lek in de leiding te dichten. Volgens de gemeenten was dat in de eerste uren na de ramp nog niet mogelijk en wel om de volgende redenen. - De leiding lag op diepte en het lek was niet visueel waar te nemen. Het vinden van het lek kostte daarom tijd. Om het lek te kunnen dichten was er na lokalisatie materieel zoals een graafmachine nodig. Deze produceert warmte, zodat er gevaar op ontbranding zou bestaan. - Daar kwam bij dat ook het bewegen van de mast, die op dat moment via de hoogspanningslijnen was verbonden met de andere masten, het gevaar meebracht dat ook de andere masten konden omvallen. Ook na de uitschakeling van de spanning, stond er nog een restspanning van 30.000 volt op de lijnen, zodat de gemeenten niet snel konden opereren. Omdat er zich hoogspanningskabels bevonden op de bovenleiding van de trein, kon er ook om die reden niet snel worden opgetreden. - Ook al had het lek vrij kunnen worden gemaakt, dan nog was het dichten van het lek niet mogelijk geweest. Het dichtlassen was wegens explosiegevaar zonder meer niet mogelijk geweest, terwijl het dichten van het lek door middel van zand, grond of beton ook geen mogelijke oplossing was. Kortom, het verwijt dat de gemeenten het gat hadden moeten dichten, is in strijd met de realiteit. - Bovendien miskent Essent dat het grootste deel van de uitstroom heeft plaatsgevonden direct na het ontstaan van het lek; enkele minuten na het omvallen van de mast is de kerosine in een centimeters dikke laag over vrijwel de volledige breedte van het wegdek weggestroomd en de meeste vloeistof heeft de leiding in de eerste 40 minuten na het ontstaan van het lek verlaten. 4.47 De stelling van Essent dat de burgemeesters ten onrechte geen gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheden op grond van artikel 175 van de Gemeentewet, om er aldus voor te zorgen dat de toegang tot de rampplek voor de hulpdiensten was gewaarborgd, hebben de gemeenten eveneens betwist. Het is volgens de gemeenten onjuist dat het Openbaar Ministerie aan de hulpdiensten de toegang tot de plaats van de ramp heeft ontzegd. Wel heeft het Openbaar Ministerie, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van de gemeenten, het vrijgraven van de leiding in verband met het onderzoek tegengehouden, maar dit is gebeurd op het tijdstip dat de uitstroom van vloeistof al was gestopt. De sanering van de bodem is hierdoor niet vertraagd, omdat die tijd nodig was om materieel ter plaatse te krijgen, zodat het onderzoek van het Openbaar Ministerie geen ongunstige invloed heeft gehad op de gang van zaken. 4.48 De rechtbank is van oordeel dat Essent haar stelling, dat de gemeenten aansprakelijk zijn wegens onrechtmatige daad omdat zij hebben gehandeld in strijd met artikel 3 van de Wrzo, door ten onrechte geen informatie over de aanwezigheid van de transportleiding van DPO in de rampenplannen op te nemen, onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele omstandigheid dat geen informatie over de transportleiding van DPO in de rampenplannen van de gemeenten was opgenomen, betekent niet zonder meer dat de gemeenten in strijd hebben gehandeld met artikel 3 Wrzo. Om die conclusie te rechtvaardigen had Essent feiten en omstandigheden moeten aanvoeren, waaruit volgt dat de aanwezigheid van de transportleiding van DPO moet worden aangemerkt als een risico in de zin van deze bepaling, zodat de gemeenten tot het opnemen van dat risico in het rampenplan verplicht waren geweest. De gevolgtrekking die op grond van het voorgaande kan worden gemaakt is dat niet is vast komen te staan dat de gemeenten in strijd met de Wrzo hebben gehandeld en dat op die grond de vordering niet kan worden toegewezen. Al hetgeen partijen hebben aangevoerd over de vraag of de Wrzo strekt ter bescherming van de belangen van Essent behoeft om die reden geen bespreking. 4.49 Bovendien is niet gebleken dat door het ontbreken van deze informatie de brandweer niet adequaat heeft kunnen optreden bij het beperken van schade. Naar de gemeenten - onvoldoende weersproken - hebben gesteld heeft de brandweer reeds om 15.50 uur contact gelegd met een medewerker van DPO. Op dat moment, 23 minuten nadat de brandweer op de plaats van de lekkage was gearriveerd, was zij er dus mee bekend dat de pijpleiding aan DPO toebehoorde en was ook contact opgenomen met de leidingbeheerder. Uit hetgeen Essent heeft gesteld, volgt niet dat, in het geval de informatie over de pijpleiding van DPO in de rampenbestrijdingsplannen van de gemeenten was opgenomen, de brandweer sneller contact had kunnen opnemen met DPO en dat door die tijdswinst de schade ook daadwerkelijk in aanzienlijke mate had kunnen worden beperkt. Essent heeft dan ook haar stelling, dat de onvolledigheid van het rampenbestrijdingsplan ertoe heeft geleid dat de brandweer met verkeerde maatregelen heeft geprobeerd om de gevolgen van de uitstroom te beperken, onvoldoende toegelicht. 4.50 De rechtbank begrijpt de door Essent aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling dat de gemeenten zich onvoldoende van hun taak hebben gekweten, procedures niet hebben nageleefd en ook anderszins chaotisch te werk zijn gegaan, aldus dat Essent van oordeel is dat de gemeenten daarmee, los van de gestelde schending van de Wrzo, wegens strijd met het ongeschreven recht onrechtmatig jegens Essent hebben gehandeld. De rechtbank begrijpt voorts uit de stellingen van Essent dat zij van oordeel is dat hierdoor de omvang van de schade die aan de Staat is toegebracht zodanig veel groter is geworden dan bij een adequate handelwijze het geval zou zijn geweest, dat de gemeenten voor de volledige schade jegens Essent aansprakelijk zijn. 4.51 De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit onderdeel van de grondslag van Essents vordering voorop dat de gemeenten bij de bestrijding van een ramp, die uit de aard der zaak op een onverwacht moment optreedt en waarbij de omvang van zowel de gebeurtenis als de aard van de gevolgen niet in één oogopslag duidelijk zullen zijn, in een kort tijdsbestek een groot aantal beslissingen moeten nemen met het oog op een groot aantal belangen van uiteenlopende aard. De gemeenten en de onder haar ressorterende hulpdiensten komt bij het nemen van deze beslissingen een grote mate van beoordelingsvrijheid toe. Daaruit volgt dat er ten aanzien van het optreden van de gemeenten na een ramp slechts plaats is voor het oordeel dat zij jegens een individuele burger (een rechtspersoon als Essent daaronder begrepen) onrechtmatig hebben gehandeld, als dat optreden in zijn geheel dan wel op onderdelen jegens deze burger dermate onzorgvuldig is geweest dat moet worden geoordeeld dat zij kennelijk hebben gehandeld in strijd met hetgeen van zorgvuldig optredende bestuursorganen onder deze omstandigheden kon worden verwacht. 4.52 Gelet op hetgeen Essent ter onderbouwing van dit onderdeel van haar vordering heeft gesteld enerzijds en de gemotiveerde betwisting door de gemeenten anderzijds, is er in onderhavig geval geen aanleiding om tot een dergelijk oordeel te komen. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. 4.53 De gemeenten hebben de stelling van Essent, dat zij eerder zelfstandig maatregelen hadden moeten nemen om het lek in de brandstofleiding te dichten, gemotiveerd weersproken. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het vanwege explosiegevaar ten gevolge van de kerosinedampen niet mogelijk was om het lek vrij te graven. Evenmin was het in de periode direct na het omvallen van de mast mogelijk om de mast uit (het lek
- in)de pijpleiding te verwijderen. Dat was onmogelijk, enerzijds omdat er nog restspanning op de hoogspanningslijnen stond, anderzijds omdat de mast nog via die hoogspanningslijnen met andere masten was verbonden. Hierdoor zouden werkzaamheden aan de omgevallen mast kunnen leiden tot het omvallen van andere masten. Ook al was het mogelijk geweest om het lek vrij te graven, dan nog was het - aldus de gemeenten - niet mogelijk geweest om het gat in de pijpleiding te dichten, omdat de daarvoor noodzakelijke laswerkzaamheden eveneens wegens explosiegevaar nog niet konden worden uitgevoerd. Het dichten van de leiding met zand, grond of beton, zoals Essent heeft betoogd, was geen realistische methode om het lek te dichten. 4.54 Essent heeft naar aanleiding van dit verweer van de gemeenten haar eigen stellingen onvoldoende uitgebreid en verdiept. Nu de gemeenten concreet een aantal risico’s hebben genoemd, die er naar hun opvatting aan in de weg stonden om onmiddellijk over te gaan tot het dichten van het lek in de pijpleiding, had van Essent mogen worden verwacht dat zij meer concreet had onderbouwd waarom de door de gemeenten genoemde risico’s zich feitelijk niet voordeden dan wel kennelijk onvoldoende waren om in de weg te staan aan het dichten van het lek. De enkele stelling van Essent dat de argumenten van de gemeenten niet overtuigen en dat de risico’s zich niet meer voordeden dan wel niet relevant waren, zoals door haar gedaan bij pleidooi, is daartoe volstrekt onvoldoende. 4.55 De rechtbank wijst er verder op dat tussen partijen, als gesteld en niet of onvoldoende weersproken, als vaststaand kan worden aangenomen dat de brandweer al snel na het ontstaan van de het lek op de plaats van de ramp aanwezig was. Op dat moment was het lek, met het daaruit voortvloeiende gevaar van explosie en verontreiniging, niet het enige probleem dat zich voordeed. Er ging tevens een direct gevaar uit van de omgevallen mast en de hoogspanningslijnen, waarop nog hoogspanning stond van 130.000 volt. De lijnen waren onder meer op de bovenleiding van het spoor terecht gekomen. Vandaar dat de brandweer er als eerste voor heeft gezorgd dat de spanning van de hoogspanningsleidingen werd afgehaald en dat het treinverkeer werd stilgelegd. Vervolgens heeft zij een nacontrole uitgevoerd in verband met een buitenbrand die had gewoed en heeft zij omringende bedrijven ontruimd en spanningsvrij gemaakt. Ook moest de brandweer door het treffen van maatregelen anticiperen op het omvallen van de andere hoogspanningsmasten. Verder heeft zij de grond afgedekt met schuim ter voorkoming van stankoverlast en de mogelijkheid van gasexplosies via vonken door inductiespanning. 4.56 De rechtbank kan uit dit geheel van feiten en omstandigheden niet afleiden dat de gemeenten met de gevolgde handelwijze direct na de ramp (door Essent in haar conclusie van repliek onder 2 bestempeld als ‘nalaten’ en ‘stilzitten’) de schade hebben vergroot, doordat de betrokken hulpdiensten bij het nemen van noodzakelijke maatregelen om de veiligheid van personen en de omgeving te waarborgen evident verkeerde keuzes hebben gemaakt. Essent denkt daar kennelijk anders over. In het licht van het door de gemeenten gevoerde verweer had Essent haar standpunt (verder) dienen te onderbouwen. Datzelfde geldt voor de stelling van Essent dat de gemeenten, bij het nemen van de maatregelen om de schadelijke gevolgen van de uitstroom van de kerosine te beperken, kennelijk onzorgvuldig hebben gehandeld. De gemeenten hebben gesteld dat de brandweer direct is overgegaan tot het aanbrengen van een schuimdeken, teneinde brandgevaar en stankoverlast te voorkomen; daarbij zou deugdelijk schuim van Chemelot zijn gebruikt. De stelling van Essent dat de brandweer hiertoe pas om 18.30 uur is overgegaan en dat door de gemeenten geen bruikbare schuim is aangebracht, is door haar niet verder onderbouwd. Verder heeft Essent niet aangegeven op welke wijze deze veronderstelde verkeerde handelwijze(
- n)van de brandweer zou(den) hebben bijgedragen aan het onnodig vergroten van de schade. 4.57 Ook het verwijt aan de gemeenten dat het afsluiten van de pijpleiding te lang heeft geduurd, omdat de gemeenten enerzijds DPO te laat in kennis hebben gesteld van het lek en anderzijds de afsluiters in de leiding zelf hadden moeten dichtdraaien in plaats van te wachten op de medewerkers van DPO, is - gelet op het door de gemeenten gevoerde verweer - onvoldoende onderbouwd. Zo heeft Essent de stelling van de gemeenten dat zij zelf niet tot het dichtdraaien van de afsluiters over konden gaan, omdat zij niet over de sleutels daarvoor beschikten, niet weersproken. Daarmee staat vast dat het voor de gemeenten feitelijk niet mogelijk was om de afsluiters te dichten. Essent heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat de gemeenten niet over de sleutels beschikten om de afsluiters van de leiding te kunnen dichten, mede in het licht van het risico van het ontstaan van een lek, reeds als kennelijk onzorgvuldig moet worden beschouwd. Verder heeft Essent niet duidelijk kunnen maken dat de inzet van een helikopter tot een wezenlijke bekorting van de met het afsluiten van de leiding gemoeide tijd zou hebben geleid en welke invloed deze (eventuele) tijdswinst op de omvang van de schade zou hebben gehad. De rechtbank wijst erop dat Essent in haar stellingen te weinig verdisconteert het - tussen partijen vaststaande - feit dat de grootste uitstroom van kerosine heeft plaatsgevonden onmiddellijk na het ontstaan van het lek en dat door deze uitstroom het overgrote deel van de schade is ontstaan. Het is uitdrukkelijk tegen deze achtergrond dat de vraag moet worden beschouwd of (onder meer) de gemeenten voldoende hebben gedaan om de uitstroom van kerosine uit de leiding te stoppen of te beperken. 4.58 Tenslotte dient aan de orde te komen de stelling van Essent dat de burgemeesters van beide gemeenten ten onrechte geen gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid om op grond van artikel 175 van de Gemeentewet noodmaatregelen te treffen, met name in de richting van het Openbaar Ministerie, waardoor de schade groter is geworden dan nodig was. De rechtbank verwerpt deze stelling als onvoldoende onderbouwd, nu Essent niet heeft aangegeven waarom de burgemeesters (zo zij daartoe al, op de aangevoerde wettelijke grond, de bevoegdheid hadden) bij een afweging van belangen het strafrechtelijk onderzoek (tijdelijk) hadden moeten laten afbreken. De rechtbank wijst er in dit verband verder op dat - zoals tussen partijen vaststaat - het Openbaar Ministerie pas na 20.00 uur onderzoek heeft gedaan op de plaats van de ramp, op een moment dat de uitstroom van kerosine al was gestopt. Essent heeft niet aangegeven waarom het ingrijpen van de Burgemeesters zoals door Essent aangegeven op dat moment nog van belang had kunnen zijn. 4.59 De eindconclusie luidt dat Essent haar stellingen inzake het (beweerdelijk) onrechtmatig handelen door de gemeenten en haar burgemeesters onvoldoende heeft onderbouwd, omdat zij onvoldoende nader is ingegaan op hetgeen de gemeenten als verweer hebben aangevoerd. De rechtbank zal daarom aan de stellingen van Essent inzake de (vermeende) aansprakelijkheid van de gemeenten Beek en Stein voorbijgaan, zonder Essent toe te laten tot het leveren van bewijs. 4.60 Een en ander betekent dat geen van de aangevoerde gronden kan leiden tot toewijzing van het door Essent gevorderde. Andere gronden om dat te doen zijn niet gesteld of gebleken, zodat de vordering van Essent jegens de gemeenten Stein en Beek zal worden afgewezen. 4.61 Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van de gemeenten Beek en Stein gevallen en tot op heden begroot op € 244,- aan vast recht en op € 1.808,- aan salaris procureur. In de procedure tegen de provincie Limburg 4.62 Aan haar vordering jegens de provincie legt Essent ten grondslag dat de provincie jegens Essent aansprakelijk is, als zij de door de Staat geleden schade moet vergoeden: - omdat de provincie heeft gehandeld in strijd met haar verplichtingen uit hoofde van (in het bijzonder de artikelen 30 en 31 van) de Wet bodembescherming (Wbb) en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens Essent; - omdat de provincie ongerechtvaardigd zou worden verrijkt, als Essent de kosten van sanering die de Staat heeft gemaakt voor haar rekening zou moeten nemen. 4.63 De stelling dat de provincie onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, heeft Essent als volgt onderbouwd. Op grond van de artikelen 30 en 31 Wbb rust op de provincie de zelfstandige verplichting om, in het geval dat door een ongewoon voorval een ernstige verontreiniging ontstaat, voldoende maatregelen te treffen om de oorzaak van de verontreiniging weg te nemen en om de gevolgen ervan zoveel mogelijk te beperken. De provincie heeft aan deze verplichting niet voldaan, doordat zij zelf na het omvallen van de mast niet actief is opgetreden om de uitstroom van kerosine uit de DPO-leiding te stoppen en om de verspreiding van kerosine zoveel mogelijk te beperken. Zij heeft het uitvoeren van deze werkzaamheden overgelaten aan de gemeente(
- n)en aan ProRail. De spoed die was geboden verzette zich er echter tegen dat de provincie het nemen van de noodzakelijke maatregelen om vervuiling tegen te gaan aan hen overliet. Vandaar dat de provincie zich er niet op kan beroepen, dit onder verwijzing naar artikel 32 Wbb, dat de wet op haar de verplichting legt om het nemen van de noodzakelijke maatregelen eerst aan de betrokken over te laten. In het bijzonder had, aldus Essent, van de provincie mogen worden verwacht dat zij al het nodige had gedaan om: - de transportleiding af te blokken (waarmee Essent, naar de rechtbank begrijpt, bedoelt het sluiten van de leiding door de handbediende afsluiters); - het door de mast veroorzaakte gat in de leiding te dichten; - zoveel mogelijk afzuigwagens ter plaatse te bestellen, zodat zoveel mogelijk kerosine had kunnen worden opgezogen; - maatregelen te nemen die de stroom kerosine konden indammen. Om deze doeleinden te bereiken had de provincie zich in ieder geval met gebruikmaking van haar bevoegdheden op grond van de artikelen 30 en 31 Wbb toegang moeten verschaffen tot de plaats van de ramp en had zij de politie en het Openbaar Ministerie buitenspel moeten zetten. 4.64 De door Essent aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot de toewijzing van Essents vordering jegens de provincie. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. 4.65 Zoals de provincie terecht heeft betoogd, volgt uit artikel 32 lid 2 Wbb dat de wetgever de verantwoordelijkheid van het treffen van maatregelen heeft gelegd bij de betrokkenen bij het ontstaan van het de bodem verontreinigende voorval. Slechts als het de provincie blijkt dat er onvoldoende adequaat wordt opgetreden om de gevolgen van het voorval te beperken, dient de provincie op grond van de artikelen 30 en 31 Wbb maatregelen te treffen. Voor zover Essent derhalve van oordeel is dat de provincie op grond van de artikelen 30 en 31 Wbb het primair verantwoordelijke bestuursorgaan was om de gevolgen van de ramp - in ieder geval ten aanzien van de uitstroom van kerosine en de daaruit voortvloeiende vervuiling van de bodem - te bestrijden en dat zij in de nakoming van die verplichting tekort is geschoten door niet terstond actief in te grijpen, vindt haar opvatting geen steun in het recht en kan zij om die reden niet leiden tot toewijzing van de vordering. 4.66 De vraag die dan rest is of er voor de provincie aanleiding was om, gezien de wijze waarop de gevolgen van de lekkage aan de leiding werden bestreden, ‘in subsidiaire zin’ gebruik te maken van de haar in de artikelen 30 en 31 Wbb gegeven bevoegdheden. 4.67 De provincie heeft gesteld, onder verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden, dat zij zich, nadat zij op 30 maart 2004 om 16.30 uur op de hoogte was gesteld van het ongeval, voortdurend heeft laten informeren over de bestrijding van de gevolgen van de ramp. Zij was ervan op de hoogte dat na het incident diverse overheids- en hulpinstanties ter plaatse waren gearriveerd om de gevolgen van de lekkage te bestrijden. Eveneens werd zij geïnformeerd over de maatregelen die werden getroffen door deze diensten. In het licht van dit verweer had Essent haar stellingen dienen aan te vullen, onder meer door te wijzen op feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de provincie niettemin had moeten ingrijpen, omdat dat ingrijpen de schadelijke gevolgen van het omvallen van de mast (waar het betreft de bodemvervuiling) méér had kunnen beperken dan door de optredende instanties is gebeurd. In het bijzonder heeft Essent niet aangegeven op welke wijze het voor de provincie mogelijk zou zijn geweest om op een eerder tijdstip de handbediende afsluiters te (doen) sluiten, om op een eerder tijdstip het door Essent veroorzaakte gat in de leiding te dichten en om terstond de uitgestroomde kerosine op te zuigen. Evenmin heeft Essent gemotiveerd gesteld in welke mate de provincie door het door Essent gewenste optreden de schade ten gevolge van de uitstroom van kerosine had kunnen beperken. Aldus heeft Essent haar stelling, dat er voor de provincie aanleiding was om, gelet op de Wbb, actief op te treden bij de bestrijding van de gevolgen van de lekkage, onvoldoende onderbouwd. De conclusie luidt dat Essent andermaal is tekortgeschoten in haar stelplicht, zodat het gestelde niet kan leiden tot een toewijzing van de vordering. 4.68 Haar stelling dat de provincie ongerechtvaardigd zou worden verrijkt, als de saneringskosten voor rekening van Essent zouden komen, heeft Essent als volgt onderbouwd. Op grond van artikel 30 Wbb lag op de provincie de verplichting om onmiddellijk maatregelen te nemen om de uitstroom van kerosine en de gevolgen ervan te beperken en ongedaan te maken. Indien de provincie de aldus op haar rustende verplichting was nagekomen, dan had zij ook de daarmee gepaard gaande kosten voor haar rekening moeten nemen, zonder dat zij de mogelijkheid had gehad om deze kosten te verhalen op Essent. Indien de saneringskosten thans door de Staat op Essent zouden kunnen worden verhaald, zonder dat Essent deze kosten op haar beurt kan verhalen op de provincie, dan komen de kosten ten onrechte voor rekening van Essent in plaats van de provincie. 4.69 Essent gaat er aldus van uit dat vaststaat dat de provincie verplicht was om op grond van artikel 30 Wbb maatregelen te nemen om de gevolgen van het lek raken van de DPO-leiding voor de bodem te beperken. Zoals hiervoor bleek, doet Essent dat ten onrechte. Dat betekent dat de stelling van Essent, dat uit artikel 30 Wbb volgt dat de saneringskosten in eerste instantie voor rekening van de provincie hadden moeten komen, niet kan worden gevolgd. Reeds hieruit volgt dat de stelling van Essent, dat de provincie ongerechtvaardigd wordt verrijkt als de saneringskosten ten laste van Essent worden gebracht, evenmin kan worden gevolgd. De stelling van Essent, dat uit de systematiek van de Wbb volgt dat de provincie, als zij met toepassing van artikel 30 Wbb de saneringskosten voor haar rekening had genomen, deze kosten niet op Essent had kunnen verhalen, behoeft om die reden geen bespreking. De conclusie uit het voorgaande is, dat de provincie ook op grond van ongerechtvaardigde verrijking niet jegens Essent aansprakelijk is. 4.70 Een en ander betekent dat geen van de aangevoerde gronden kan leiden tot toewijzing van het door Essent gevorderde. Andere gronden om dat te doen zijn niet gesteld of gebleken, zodat de vordering van Essent jegens de provincie zal worden afgewezen. Nu op grond van het vorenoverwogene de vordering van Essent op de provincie reeds moet worden afgewe¬zen, behoeven de overige, niet weergegeven, verweren van de provincie geen bespreking meer. 4.71 Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van de provincie gevallen en tot op heden begroot op € 244,- aan vast recht en op € 1.808,- aan salaris procureur, beide bedragen te verhogen met de wettelijke rente, waarbij de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente zal stellen op de vijftiende dag na betekening van het onderhavige vonnis aan Essent. 5. De beslissing De rechtbank in de zaak tegen Kema 5.1 wijst af het door Mega Limburg en Essent Netwerk gevorderde; 5.2 veroordeelt Mega Limburg en Essent Netwerk in de proceskosten aan de zijde van Kema gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 2.052,-; in de zaak tegen VSB 5.3 wijst af het door Mega Limburg en Essent Netwerk gevorderde; 5.4 veroordeelt Mega Limburg en Essent Netwerk in de proceskosten aan de zijde van VSB gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 2.052,-; 5.5 verklaart het vonnis ten aanzien van de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad; in de zaak tegen de gemeenten Beek en Stein 5.6 wijst af het door Mega Limburg en Essent Netwerk gevorderde; 5.7 veroordeelt Mega Limburg en Essent Netwerk in de proceskosten aan de zijde van de gemeenten Beek en Stein gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 2.052,-; in de zaak tegen de provincie 5.8 wijst af het door Mega Limburg en Essent Netwerk gevorderde; 5.9 veroordeelt Mega Limburg en Essent Netwerk in de proceskosten aan de zijde van de provincie gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 2.052,-, dit bedrag te verhogen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van het onderhavige vonnis; 5.10 verklaart het vonnis ten aanzien van de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door de mrs. W.J.J. Beurskens, A.S. Arnold en J.J. Verhoeven, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 26 september 2007.