RECHTBANK MAASTRICHT Sector Bestuursrecht Procedurenummers: 1) AWB 07 / 1331 WRO VV en AWB 07 / 1332 WRO VV 2) AWB 07 / 1403 WRO VV t/m AWB 07 / 1407 VEROR VV 3) AWB 07 / 1412 WRO VV t/m AWB 07 / 1416 VEROR VV Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake 1) [naam verzoeker 1], wonende te Landgraaf, verzoeker, 2) Stichting Bewonersbelangen Bungalowpark De Bousberg, gevestigd te Landgraaf, verzoekster, 3) [naam verzoekster 3], wonende te Landgraaf, verzoekster, gezamenlijk aan te duiden als verzoekers, tegen het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landgraaf, gevestigd te Landgraaf, verweerder. Datum bestreden besluiten: 31 juli 2007 Kenmerk: fase 1 no. 2007-0287 (bouwvergunning); 5.3 mo (vrijstelling en kapvergunningen) Behandeling ter zitting: 11 oktober 2007 1. Procesverloop Bij de in de aanhef van deze uitspraak als eerste twee genoemde besluiten heeft verweerder aan Project Research and Management (PRM) te Maastricht vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van 88 woningen (met de daarbij behorende infrastructurele voorzieningen, groenvoorzieningen en dergelijke), op de percelen kadastraal bekend gemeente Nieuwenhagen, sectie A, nummers 1192, 1609, 2173 t/m 2175, 3329, 3771 t/m 3774 en 3829, en gemeente Schaesberg, sectie E, nummers 832 en 1295, plaatselijk bekend als vakantiepark “De Bousberg” te Landgraaf. Bij de overige in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten heeft verweerder aan PRM een drietal kapvergunningen verleend voor de kap van 142 bomen (fase 1), 336 bomen (fase 2 ) en 193 bomen (fase 4), teneinde de realisatie van (een deel van) voornoemd woningbouwproject mogelijk te maken. Door of namens verzoekers is tegen voornoemde besluiten (tijdig) bezwaar gemaakt bij verweerder, met dien verstande dat verzoeker sub 1 enkel bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten waarbij de bouwvergunning eerste fase en de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO zijn verleend. Voorts hebben verzoekers de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht, dan wel doen verzoeken, ter zake van de besluiten waartegen zij (ieder voor zich) bezwaar hebben gemaakt, dan wel doen maken, een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te treffen. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb is PRM in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken, alsook de in de loop van de procedure aan de dossiers toegevoegde stukken, zijn in kopie aan partijen gezonden. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank op 11 oktober 2007, waar verzoeker sub 1 en verzoekster sub 3, laatstgenoemde bijgestaan door mr. G.B.A. Paquay, werkzaam bij Keizersgracht Bedrijfsjuristen te Heerlen, in persoon zijn verschenen. Verzoekster sub 2 heeft zich - met kennisgeving - niet ter zitting doen vertegenwoordigen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. A. van de Schraaff, mr. M. Ouarani en F.J.C. Geurts, allen ambtenaren der gemeente, A. Dritty, wethouder, mw. mr. D.R. Boer, werkzaam bij de provincie Limburg, ing. M.W. Klasberg, werkzaam bij Arcadis, ir. M.A. Blaas, werkzaam bij Van Heukelom Verbeek landschapsarchitectuur, en mw. M.J.H.F. Oberendorff, werkzaam bij adviesbureau AAG. Voor PRM zijn verschenen mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, en ing. N.W.M.G. Spronken, werkzaam bij PRM. 2. Overwegingen 2.1 In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is - voor zover in dezen van belang - bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de respectieve hoofdzaken wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedures. 2.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de eerste twee in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu door of namens verzoekers bezwaar is gemaakt tegen de besluiten ter zake waarvan een voorlopige voorziening is gevraagd en deze rechtbank bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaken kennis te nemen. Voorts acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening ten aanzien van de verleende kapvergunningen in genoegzame mate aangetoond, nu ter zitting is aangegeven dat PRM op korte termijn met het kappen van de bomen waarop de vergunningen betrekking hebben een aanvang wenst te maken. De voorzieningenrechter acht in beginsel ook de onverwijlde spoed bij de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de besluiten tot verlening van de bouwvergunning eerste fase en de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO gegeven. Het ter zitting door verweerder en PRM ingenomen (primaire) standpunt dat in dezen het spoedeisend belang ontbreekt omdat nog niet mag worden gebouwd zolang de bouwvergunning tweede fase niet is verleend, en deze vergunning nog niet is aangevraagd, kan niet worden gevolgd. Het besluit tot verlening van een bouwvergunning eerste fase is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. De mogelijkheid de voorzieningenrechter te verzoeken een voorlopige voorziening ten aanzien van een dergelijk besluit te treffen is door de wetgever in artikel 56b, eerste lid, van de Woningwet uitdrukkelijk voorzien. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een derde-belanghebbende, die bezwaren heeft tegen een verleende bouwvergunning eerste fase, er belang bij om te bewerkstelligen dat de besluitvorming die leidt tot de bouwvergunning tweede fase wordt opgeschort. Op die manier kan hij voorkomen dat een bouwtitel ontstaat voor een door hem bestreden bouwplan en wordt het risico weggenomen dat hij (achteraf bezien) onnodig in procedures betreffende de bouwvergunning tweede fase wordt betrokken. Tot het bewerkstelligen van die opschorting heeft de wetgever in artikel 56b, eerste lid, van de Woningwet expliciet de mogelijkheid geboden, mits een verzoek tot schorsing van de bouwvergunning eerste fase wordt gedaan gedurende de termijn waarbinnen tegen dat besluit bezwaar kan worden gemaakt en op dat verzoek positief is beslist. Nu aan verzoekers voor het indienen van een schorsingsverzoek - waaraan bij toewijzing daarvan de in artikel 56b, eerste lid, van de Woningwet bepaalde aanhouding is verbonden - slechts een beperkte periode ter beschikking staat, moet hun belang bij het thans indienen van hun respectieve verzoeken om een voorlopige voorziening als spoedeisend worden aangemerkt. Het zou in strijd zijn met het doel waartoe de twee fasen-verlening in het leven is geroepen, indien het debat over de rechtmatigheid van de bouwvergunning eerste fase zou worden uitgesteld tot na de verlening van de bouwvergunning tweede fase. Dat eerst met de bouw mag worden begonnen nadat deze laatste bouwvergunning is verleend, kan hier niet aan af doen. 2.3 Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld, dat zonder die voorziening het voor de indiener van het verzoek uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. In het kader van deze belangenafweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter over het geschil in de hoofdzaak. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. A. In de zaken met de procedurenummers AWB 07/1405 t/m AWB 07/1407 en AWB 07/1414 t/m AWB 07/1416 (kapvergunningen): 2.4 Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Bomenverordening Landgraaf 2004 - voor zover in dezen van belang - is het verboden om zonder of in afwijking van een door verweerder verleende vergunning een houtopstand te vellen of te doen vellen. In artikel 1.5, eerste lid, van genoemde verordening is bepaald dat verweerder de vergunning kan weigeren dan wel onder voorschriften kan verlenen in het belang van: - natuur- en milieuwaarden; - natuurwetenschappelijke, landschappelijke en ecologische waarden; - cultuurhistorische waarden; - waarden voor stads- en dorpsschoon; - waarden voor recreatie en leefbaarheid; - de beeldbepalende waarde; - monumentale waarden. 2.5 De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit deze bepaling volgt dat bij de verlening van een kapvergunning beleids- en beoordelingsvrijheid aan de orde is, zodat de bestuursrechter het resultaat van de afweging van belangen terughoudend heeft te toetsen. Dit laat evenwel onverlet dat bij een beslissing op de aanvraag om een kapvergunning het belang van de aanvrager - op kenbare wijze - dient te worden afgewogen tegen de hiervoor genoemde belangen. Uit de besluiten van 31 juli 2007, waarbij de litigieuze kapvergunningen zijn verleend, blijkt op geen enkele wijze dat verweerder een afweging als voorgeschreven in artikel 1.5, eerste lid, van de Bomenverordening Landgraaf 2004 heeft gemaakt. Verweerder heeft in deze besluiten volstaan met te verwijzen naar (en het inlassen van) de bij de aanvragen gevoegde toelichtingen van respectievelijk 27 juni 2007 (fase 1 en fase 2) en 16 juli 2007 (fase 4), alsook de natuurtoetsen/effectenstudie, uitgevoerd door Arcadis en Van Heukelom Verbeek landschapsarchitectuur, uitgevoerd in de periode 2005-2007, en het groeninrichtingsplan van 12 juni 2007, opgesteld door AAG, welke stukken overigens alle in opdracht van PRM zijn opgesteld. Dat de op grond van artikel 1.5, eerste lid, van de Bomenverordening Landgraaf 2004 vereiste belangenafweging in genoemde toelichtingen en rapportages is opgenomen, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Genoemde toelichtingen en rapportages bevatten, zoals ook ter zitting door verweerder is toegegeven, (slechts) een inventarisatie van de voorgenomen ingreep en de benodigde mitigerende en compenserende maatregelen, respectievelijk een beschrijving van de effecten en gevolgen van de ingreep. Genoemde besluiten missen derhalve een deugdelijke en kenbare motivering en zijn mitsdien genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:46 en 3:47 van de Awb. 2.6 De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat uit genoemde besluiten evenmin blijkt dat verweerder zich heeft gekweten van de op hem rustende plicht zich te vergewissen van de zorgvuldigheid van de verrichte onderzoeken. Mede in aanmerking genomen dat van de zijde van verzoekster sub 2 (onder meer) is aangevoerd dat de natuuronderzoeken die plaats hebben gevonden op de percelen waarop de verleende kapvergunningen betrekking hebben, onvoldoende diepgaand zijn, had verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet mogen volstaan met enkel te verwijzen naar de in de besluiten genoemde rapportages, zonder ervan blijk te geven dat hij heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 3:2 van de Awb rustende verplichting zich ervan te vergewissen dat deze rapportages op deugdelijke en zorgvuldige wijze zijn verricht, zodat zij de daaraan verbonden conclusies kunnen dragen. 2.7 Hoewel de hiervoor genoemde gebreken (waarschijnlijk) kunnen worden hersteld bij verweerders heroverweging, als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, naar aanleiding van de namens verzoeksters sub 2 en sub 3 ingediende bezwaarschriften tegen de kapvergunningen, is de voorzieningenrechter niettemin van oordeel dat de onderhavige verzoeken voor toewijzing in aanmerking komen. Indien de verzoeken niet zouden worden toegewezen, kan worden overgegaan tot het kappen van de in de kapvergunningen genoemde bomen zonder dat duidelijk is wat de afweging van verweerder is geweest die heeft geleid tot verlening van die vergunningen en zonder dat belanghebbenden voorafgaand aan de kap de mogelijkheid hebben gehad die belangenafweging ter toetsing aan de rechter voor te leggen. Bovendien kan dan met de kap worden begonnen voordat verweerder zich kenbaar ervan heeft vergewist dat de aan zijn besluiten ten grondslag gelegde onderzoeken met de nodige zorgvuldigheid zijn verricht. Mede in ogenschouw genomen dat de gevolgen van de kap van de bomen waarvoor kapvergunningen zijn verleend onomkeerbaar zijn, kunnen verzoeksters sub 2 en sub 3 niet zonder onevenredig nadeel te lijden de beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.