RECHTBANK MAASTRICHT Sector Bestuursrecht Procedurenummer: AWB 06 / 2579 BAATBL ZWA Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken inzake [naam], wonende te Maastricht, eiser, tegen de Heffingsambtenaar van de Gemeente Maastricht, gevestigd te Maastricht, verweerder. Datum bestreden besluit: 21 november 2006 Kenmerk: 223746 Behandeling ter zitting: 9 oktober 2007 1. Ontstaan en loop van het geding Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 21 november 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen een hem met dagtekening 31 januari 2005 opgelegde aanslag in de baatbelasting Kernwinkelgebied, [aanslagnummer], ongegrond verklaard. Op daartoe bij brief van 22 januari 2007 nader aangevoerde gronden heeft mr. P.J.M. Brouwers, advocaat te Maastricht, namens eiser tegen dat besluit beroep ingesteld.. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift en aanvullende verweerschrift. Het beroep is, tezamen met het beroep in de zaak met het registratienummer AWB 06/2580 gevoegd behandeld ter zitting van deze rechtbank op 9 oktober 2007, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. L. Lieverse, advocaat te Maastricht, te dezen vervangende zijn kantoorgenoot mr. Brouwers voornoemd en waar verweerder zich heeft doen vertegen¬woordigen door mr. R.G.A. Stassen, F.W.G. Sijben en J.P.M. Thewissen, allen werkzaam bij de gemeente Maastricht, bijgestaan door mr. P. van den Berg en mr. A.P. Monsma, beiden verbonden aan Van den Bosch & partners te Sliedrecht. Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst, zodat in beide zaken afzonderlijk uitspraak wordt gedaan. 2. Overwegingen Op 18 januari 2000 heeft de raad van de gemeente Maastricht (hierna: de raad) besloten tot herinrichting van de openbare ruimte van het kernwinkelgebied van Maastricht met als belangrijkste doelstelling de versterking van de structuur en het karakter van de binnenstad. Cruciaal heeft de raad hierbij geacht de Stads-as, de verbinding van het station met het hart van het kernwinkelgebied, en de samenhang tussen de kernwinkelstraten en de overige straten. In dat kader heeft de Stads-as een flankering van bomen gekregen en zijn samenhangende en op de historische gebouwen afgestemde bestratingsmaterialen, verlichting, straatmeubilair, groenvoorzieningen en beeldende kunst aangebracht. Kenmerkend voor het hele kernwinkelgebied is de uiteindelijke keuze, bij de herinrichting, voor een authentiek "stoep-straat-stoep-principe", waarmee is beoogd de eenheid en samenhang verder te versterken. In het voetgangersgebied zijn de stoepen en de straat op een gelijk niveau komen te liggen, waarbij de overgang is gemarkeerd door een hardstenen trottoirband. Bij de herinrichting zijn voorts kwalitatief hoogwaardige duurzame bestratingsmaterialen met ingetogen kleuren gebruikt. Natuurstenen tegels voor de stoepen en granieten keitjes voor het plaveisel in het middengebied. De grote winkelstraten zijn voorzien van nieuwe hangende verlichting en in de kleinere straten zijn de historische wandarmaturen kwalitatief verbeterd. Ten slotte is ervoor gekozen in het kernwinkelgebied een nieuwe samenhangende reeks van banken, afvalbakken, fietsenrekken en boomroosters en -korven te plaatsen, die is afgestemd op de bestrating, verlichting en het karakter van de binnenstad in het algemeen. Op 27 juni 2000 heeft de raad het "Kostenverhaalsbesluit Herinrichting Kernwinkelgebied" (hierna: het Kostenverhaalsbesluit) vastgesteld. Ingevolge artikel 3 van het Kostenverhaals¬besluit zal het verhaal van kosten van de door of met medewerking van de gemeente aan te leggen voorzieningen van openbaar nut, indien en voor zover verhaal van kosten door middel van met ieder van de rechthebbenden afzonderlijk te sluiten exploitatieovereenkomsten als bedoeld in artikel 2 van het Kostenverhaalsbesluit niet tot de mogelijkheden behoort, plaatsvinden via de heffing van een baatbelasting. De herinrichting van het kernwinkelgebied, waarmee in oktober 2000 een begin was gemaakt, is uiteindelijk op of omstreeks oktober 2004 (nagenoeg) volledig afgerond. Op 31 januari 2005 is aan eiser ter zake van het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak [adres] te Maastricht ([objectnummer]) een aanslag in de Baatbelasting Kernwinkelgebied van de gemeente Maastricht opgelegd voor een bedrag van € 2.985,80, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij het bestreden besluit van 21 november 2006 is gehandhaafd. In beroep heeft eiser zich tegen de gehandhaafde aanslag gekeerd. Daartoe heeft hij, kort samengevat en voor zover hier van belang, als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat verweerder de kosten voor de reeks in het kernwinkelgebied van Maastricht aangebrachte voorzieningen niet door middel van één baatbelasting had mogen verhalen nu, volgens eiser, het geheel van de voorzieningen in het heringerichte gebied, naar inrichting, aard of omvang geen wezenlijke verandering is, in vergelijking met de toestand waarin de voorheen aanwezige voorzieningen in staat van nieuw zouden verkeren. Verweerder zich daarentegen op het standpunt gesteld, dat het geheel van de voorzieningen in het heringerichte gebied, in vergelijking met de toestand waarin de voorheen aanwezige voorzieningen in staat van nieuw zouden verkeren, naar inrichting, aard of omvang wel degelijk een wezenlijke verandering is. Dat standpunt, te weten dat wél sprake is van een wezenlijke verandering van het geheel van voorzieningen, baseert verweerder blijkens het bestreden besluit met name op de volgende elementen van de herinrichting: - functies zijn gewijzigd waarbij onder andere het voetgangersgebied is uitgebreid; - er is een duidelijke en aantrekkelijke aanlooproute naar en door het centrum gecreëerd waardoor de voor de binnenstadsstructuur essentiële Stads-as is versterkt; - door middel van de uniforme inrichting is er een 'familie van straten' gecreëerd waardoor de samenhang tussen kernwinkelstraten en andere straten is vergroot; - straten zijn ingericht volgens het profiel 'stoep-straat-stoep', waardoor het historische binnenstadkarakter wordt versterkt; - in het voetgangersgebied liggen straten en stoep op gelijk niveau waardoor de straten beter beloopbaar en veiliger zijn gemaakt; - nagenoeg alle voorzieningen zijn vervangen door nieuwe voorzieningen die qua vormgeving sterk afwijkend zijn van de oude materialen; - de kwaliteit van de voorzieningen is sterk verbeterd; - er is een samenhangende collectie van straatmeubilair (banken, afvalbakken, boomroosters en -korven, fietsenrekken) geplaatst, die is afgestemd op de bestrating, de verlichting en het algemene binnenstadskarakter; - in de grote winkelstraten is hangende verlichting aangelegd terwijl in kleinere straten waar nodig nostalgische wandarmaturen zijn vervangen of toegevoegd; - de beplanting is waar nodig vervangen en de Stads-as heeft een begeleiding van bomen gekregen. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Artikel 222 van de Gemeentewet luidt: 1. Ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan van degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden omgeslagen. Indien de aan de voorzieningen verbonden lasten ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de baatbelasting ter zake van die onroerende zaak niet geheven. 2. Voordat met het treffen van voorzieningen wordt aangevangen, wordt door de raad besloten in welke mate de aan die voorzieningen verbonden lasten door middel van een baatbelasting zullen worden verhaald. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin bevat een aanduiding van het gebied waarbinnen de gebate onroerende zaak is gelegen. Het besluit wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 139. 3. Of een onroerende zaak is gebaat wordt beoordeeld naar de toestand op een in de belastingverordening te bepalen tijdstip, dat is gelegen uiterlijk een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid. 4. Tot invoering van de belasting wordt besloten uiterlijk twee jaren nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid. 5. De belasting wordt ineens geheven, met dien verstande dat de belasting op verzoek van de belastingplichtige in de vorm van een jaarlijkse belasting wordt geheven gedurende ten hoogste dertig jaren, een en ander volgens in de verordening vast te stellen regelen. Als gezegd, de raad heeft op 27 juni 2000 het Kostenverhaalsbesluit als bedoeld in artikel 222, tweede lid, van de Gemeentewet, vastgesteld. Voorts heeft de raad op 19 oktober 2004 de Verordening Baatbelasting Kernwinkelgebied (hierna: de Verordening) vastgesteld. Deze Verordening houdt onder meer is: Artikel 2 Belastbaar feit 1. Onder de naam 'baatbelasting kernwinkelgebied' wordt in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente Maastricht binnen het door de blauwe omlijning als zodanig aangeduid op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 oktober 2004 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur. 2. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen zijn gelegen in de heringerichte openbare ruimte en omvatten: a. het aanpassen c.q. aanbrengen van openbare (sier-) bestrating; b. het aanpassen c.q. aanbrengen van openbare (sier-) verlichting; c. het aanpassen c.q. aanbrengen van (sier-) straatmeubilair; d. het aanpassen c.q. aanbrengen van openbaar groen; e. het aanpassen c.q. aanbrengen van beeldende kunst. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van degene die van een gebate onroerende zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Ingevolge artikel 1, onderdeel b.1, van de Verordening dient onder "heringerichte openbare ruimte" te worden verstaan: "het gebied in groen aangeduid op de bij deze verordening behorende en gewaarmerkte kaart, waarbinnen de voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, zijn getroffen". Niet in geschil is dat de in artikel 2, tweede lid, van de Verordening bedoelde voorzieningen in de in artikel 1 van de Verordening als zodanig gedefinieerde "heringerichte openbare ruimte" zijn gerealiseerd. Evenmin in geschil is dat de onroerende zaak ter zake waarvan de door eiser bestreden aanslag in de baatbelasting is opgelegd, is gelegen binnen de in artikel 2, eerste lid, van de Verordening bedoelde blauwe omlijning. Van deze onroerende zaak heeft eiser het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Met eiser is geen exploitatie¬overeenkomst tot verhaal van kosten van de voorzieningen als bedoeld in artikel 2 van het Kostenverhaalsbesluit gesloten. De eerste vraag die de rechtbank in beroep heeft te beantwoorden is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van het tot stand brengen van (een reeks) voorzieningen als bedoeld in artikel 222, eerste lid, van de Gemeentewet. Bij de beoordeling van die vraag dient in navolging van hetgeen de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 mei 2007, LJN: AZ0355, BNB 2007, 233, deels ter verduidelijking en deels ter aanvulling van wat hij in eerdere uitspraken had overwogen, het volgende als uitgangspunt te worden vooropgesteld: "(a.1) Onder het tot stand brengen van voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, van de Gemeentewet (hierna: de Wet) is niet enkel te verstaan het tot stand brengen van een voorheen niet bestaande voorziening. Ook een wijziging of vervanging van een bestaande voorziening kan het tot stand brengen van een voorziening in de zin van genoemde wetsbepaling inhouden, mits zulks in een verbetering van de bestaande voorziening resulteert. (a.2) Van een verbetering van een bestaande voorziening is in elk geval geen sprake indien daaraan slechts onderhoudswerkzaamheden zijn verricht. Bovendien is de enkele omstandigheid dat de aan wijziging of vervanging van de bestaande voorziening bestede kosten hoger zijn dan die welke gemoeid zouden zijn met het opheffen van opgetreden achteruitgang daarvan, onvoldoende om de wijziging of vervanging te bestempelen als een verbetering. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.