Rechtbank Maastricht – ECLI:NL:RBMAA:2007:BB9071
RECHTBANK MAASTRICHT Sector Civiel Datum uitspraak : 28 november 2007 Zaaknummer : 117916 / HA ZA 07-226 De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen inzake de naamloze vennootschap DIREKTBANK N.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam, eiseres, procureur mr. CH.M.E.M. Paulussen; tegen: [Naam gedaagde sub 1], [woonplaats], gedaagde sub 1, geen procureur gesteld hebbende; [Naam gedaagde sub 2], [woonplaats], gedaagde sub 2, procureur mr. H.C. Post (toevoeging).
Ten slotte hebben Direktbank en [Gedaagde sub 2] vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
2.2 Aan voornoemde vordering heeft Direktbank - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat [Gedaagde sub 1] zijn betalingsverplichtingen, voortvloeiend uit de in ieder geval met hem gesloten kredietovereenkomst van 7 februari 2002 niet is nagekomen, waarna Direktbank is overgegaan tot opeising van het gehele verstrekte krediet. [Gedaagde sub 2] en [Gedaagde sub 1] waren ten tijde van het sluiten van voornoemde overeenkomst nog gehuwd. Direktbank gaat er van uit dat [Gedaagde sub 2] op grond van artikel 1:102 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), aansprakelijk is voor de helft van het per 18 december 2002 (datum van de beschikking tot opheffing van de huwelijksgemeenschap) aan Direktbank verschuldigde krediet.
2.3 Voor zover nog relevant heeft [Gedaagde sub 2] betwist dat op het tussen haar en [Gedaagde sub 1] bestaan hebbende huwelijksvermogensregime Nederlands recht (met name artikel 1:102 BW) van toepassing is.
3.2 Direktbank en [Gedaagde sub 2] verschillen zoals gezegd van mening over het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime dat tussen [Gedaagde sub 1] en [Gedaagde sub 2] gold tijdens hun huwelijk. Naar het oordeel van de rechtbank kan het antwoord op de vraag welk recht volgens de betreffende verwijzingsregels van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van [Gedaagde sub 2] en [Gedaagde sub 1] in het midden blijven. Immers, het door Direktbank gevoerde verweer, inhoudende dat [Gedaagde sub 2] feitelijk heeft gehandeld als ware er tussen haar en [Gedaagde sub 1] sprake geweest van een gemeenschap van goederen, dient naar het oordeel van de rechtbank reeds te leiden tot toewijzing van de vordering van Direktbank jegens [Gedaagde sub 2]. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
3.3 De door Direktbank als productie 4 bij dagvaarding overgelegde beschikking van 18 december 2002 is blijkens de eveneens als productie 4 bij dagvaarding overgelegde bescheiden gepubliceerd conform hetgeen is bepaald in artikel 1:112 BW, terwijl deze beschikking eveneens is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister te Den Haag. Eén en ander brengt met zich dat aan deze beschikking zogenoemde derdenwerking toekomt en dat Direktbank zich als derde op de inhoud van die beschikking kan beroepen. [Gedaagde sub 2] heeft vanwege het door haar destijds gestelde en door de rechtbank ook aangenomen verkwistende gedrag van [Gedaagde sub 1] expliciet verzocht om opheffing van de huwelijksgemeenschap. Daarmee heeft [Gedaagde sub 2] zich blijkbaar op enig moment op het standpunt gesteld dat het verkwistende gedrag van haar echtgenoot ook gevolgen had voor haar zelf, waarop ze voornoemd verzoek heeft gedaan. De beschikking is vervolgens kennelijk in kracht van gewijsde gegaan zonder dat [Gedaagde sub 2] tegen de inhoud van die beschikking in beroep is gegaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [Gedaagde sub 2] op grond van het bepaalde in artikel 1:102 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor de helft van het openstaande saldo ter zake voornoemde kredietovereenkomst op 18 december 2002.
3.4 Nu de vordering van Direktbank jegens [Gedaagde sub 2] voor toewijzing gereed ligt en de vordering jegens [Gedaagde sub 1] de rechtbank evenmin onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, zal het gevorderde worden toegewezen met veroordeling van [Gedaagde sub 2] en [Gedaagde sub 1] in de kosten van dit geding.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
P