ECLI:NL:RBMAA:2008:BD1301
vonnis RECHTBANK MAASTRICHT Sector civiel recht Zaaknummer: 121808 / HA ZA 07-711 Datum vonnis: 16 april 2008 in de zaak van de coöperatie COÖPERATIEVE VERENIGING RABOBANK SITTARD-GELEEN U.A., gevestigd te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, eiseres, procureur mr. R.J.M.C. Rosbeek; tegen:
2.2. Goba badkamerstyling houdt zich bezig met de verkoop van badkamers die Decro Installatietechniek installeert. Decro Beheer voert het beheer over de beide werkmaatschappijen (zij worden hierna gezamenlijk aangeduid als de vennootschappen). De Rabobank is de huisbankier van het concern en heeft uit hoofde van geldleningen en rekening-courantverhoudingen geldvorderingen op de diverse vennootschappen. Tot zekerheid van hetgeen de vennootschappen aan de Rabobank verschuldigd zijn of zullen worden, is pandrecht gevestigd ten behoeve van de Rabobank op alle aan de vennootschappen toebehorende inventariszaken en vorderingsrechten.
2.3. Op 30 april 2006 is door blikseminslag bij Goba badkamerstyling schade ontstaan aan inventaris zowel van Goba badkamerstyling als van Decro installatietechniek en Decro Beheer. Deze schade is op 4 juli 2006 vastgesteld op € 49.357,89 en uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst met Fortis vergoed. Het verzekerde schadebedrag is door Fortis na aftrek van het eigen risico van € 500,00 aan RBB betaald door overmaking op haar rekening van € 30.000,00 omstreeks 2 juni 2006 en van € 18.857,89 omstreeks 26 juli 2006.
2.4. RBB had uit hoofde van door haar aan Fortis betaalde premies op de pakketverzekering van de vennootschappen te vorderen een bedrag van € 37.178,86. Op de aan haar omstreeks 2 juni 2006 door Fortis betaalbaar gestelde schade uitkering van € 30.000,00 heeft zij € 15.000,00 verrekend met haar op de vennootschappen openstaande vordering en € 15.000,00 doorbetaald aan Goba badkamerstyling. De aan haar omstreeks 26 juli 2006 door Fortis betaalbaar gestelde slotuitkering van € 19.357,89 heeft zij geheel verrekend met haar vordering op de vennootschappen.
2.5. De vennootschappen zijn bij vonnissen van 2 augustus 2006, 6 september 2006 en 29 november 2006 in staat van faillissement verklaard. De Rabobank heeft haar pandrecht niet op het polisblad van de pakketverzekering laten aantekenen. Voorts is niet gebleken dat RBB en Fortis ten tijde van de uitbetaling (Fortis) en verrekening (RBB) van het pandrecht van de Rabobank op de hoogte waren.
3.2. RBB voert verweer tegen de vorderingen. Voor zover van belang zal dit verweer in de beoordeling worden weergegeven.
4.2. De algemene bevoegdheid tot verrekening is in de wet geregeld in afdeling 12 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW: de artikelen 127-141). Art. 6:127 lid 2 BW bepaalt dat een schuldenaar bevoegd is tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van betaling van de vordering. De vraag is in hoeverre art. 7:936 BW op deze bevoegdheid een beperking dan wel een uitbreiding inhoudt.
4.3 Art. 7:936 BW luidt als volgt:
4.3. In de leden 1-3 van dit artikel wordt zeker gesteld dat de verzekeringsuitkering pas aan de begunstigde wordt uitbetaald nadat de tussenpersoon in de gelegenheid is geweest om door hem (ingevolge het zogenaamde delcredere beding) als eigen verplichting aan de verzekeraar betaalde premies van de betreffende verzekering die nog niet door de verzekerde zijn voldaan, alsnog met de uitkering te verrekenen. Zijn belang op voldoening van de door hem voldane premies (waaraan te danken is dat de verzekering uitkeert) wordt door de wetgever zo groot geacht dat het belang van de begunstigde op de schade-uitkering daarvoor moet wijken. Deze verrekening kan hij niet alleen inroepen tegenover de verzekerde zelf, maar ook tegenover andere tot de uitkering gerechtigden.
4.4. In lid 2, tweede zin wordt aan de verzekeringstussenpersoon ook het recht toegekend om andere door de verzekerde aan hem nog niet betaalde premies eveneens te verrekenen met de schade-uitkering, mits de tot uitkering gerechtigde de verzekerde zelf is. Ingevolge leden 4 en 5 wordt die ruimere verrekeningsmogelijkheid weer beperkt, onder andere, zoals hier aan de orde, als het pandrecht op verpande zaken ingevolge art. 3:229 BW uit hoofde van zaaksvervanging van rechtswege is komen te rusten op de in de plaats daarvan komende schade-uitkering. In dat geval dient de pandgever wel de verrekening van de directe premieachterstand van de verzekerde tegen zich te laten gelden, maar niet die van de indirecte premieachterstand.
4.5. Lid 6 legt dezelfde verrekeningsbeperking aan de verzekeringstussenpersoon op als de eerdere leden aan de verzekeraar opleggen bij het direct uitbetalen van de schade-uitkering aan de verzekeringstussenpersoon. Dit artikellid, dat is ingevoegd nadat de eerste vijf leden al waren geredigeerd, beoogt om voor de gevallen dat krachtens polisbeding of nadere overeenkomst de hele schade-uitkering aan de tussenpersoon wordt uitgekeerd (ter doorbetaling aan de tot uitkering gerechtigde) dezelfde verrekeningsbeperking te bewerken dan als de tussenpersoon voor het te verrekenen gedeelte een rechtstreekse aanspraak op de verzekeraar heeft (Kamerstukken Tweede Kamer 1999-2000, 19 529, nr. 5) .
4.6. In onderhavige zaak zijn Fortis en RBB kennelijk overeengekomen dat RBB de gehele schade-uitkering zou ontvangen en doet zich dus de situatie van lid 6 van meergenoemd artikel voor. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat RBB slechts bevoegd was tot verrekening van haar premievordering op Goba, Decro Beheer en Decro met de schade-uitkering aan deze vennootschappen voor zover het premies betrof die betrekking hadden op de verzekering die tot uitkering kwam.
4.7. RBB heeft tegen deze rechtsopvatting (subsidiair) aangevoerd dat deze beperking van de verrekeningsbevoegdheid slechts aan de orde is nadat het pandrecht tegenover RBB openbaar was gemaakt. Daaraan voorafgaande stond het RBB vrij om overeenkomstig art. 3:127 BW haar indirecte premievorderingen integraal te verrekenen, temeer nu [een zekere heer] namens de verzekerde met deze integrale verrekening heeft ingestemd. De bank betwist dat deze beperking alleen geldt als het pandrecht openbaar is gemaakt en betwist voorts bij gebrek aan wetenschap dat er afspraken over verrekening met [een zekere heer] zijn gemaakt 4.8. De rechtbank is van oordeel dat aan de in de wet gegeven beperking van verrekeningsbevoegdheid een bredere werking toekomt in die zin dat de beperking ook van kracht is als het pandrecht nog niet openbaar is gemaakt. Dit rechtsoordeel steunt met name op de wetsgeschiedenis. Daaruit kan worden afgeleid dat de status van het pandrecht (stil of openbaar) niet dragend is voor de omvang van de verrekeningsbevoegdheid. In de Memorie van Antwoord op het verslag van de vaste commissie voor justitie van de Eerste Kamer (Kamerstukken Eerste Kamer 2004-2005, 19 529, nr. B, blz. 11 en 12) is het volgende te lezen (met onderstreping van de rechtbank): “Het recht op afdracht gaat vóór dit voorrecht of pandrecht, indient het gaat om premies ter zake van dezelfde verzekering als die waaruit de uitkering voortvloeit (…). Deze grond om het recht op afdracht voor te laten gaan is evenwel afwezig bij premies ter zake van andere verzekeringen. Er is ook geen andere grond om de tussenpersoon voor zijn vordering ter zake van voorgeschoten premies feitelijk verhaal te bieden op uitkeringen uit andere verzekeringen, wanneer daardoor derden met een in de wet erkende voorrangspositie zouden worden gedupeerd (…). Het niet voldoen van premies ter zake van andere verzekeringen waar een derde aan wie het voorrecht of het pandrecht toekomt, geheel buiten staat, dient derhalve niet aan hem te kunnen worden tegengeworpen. Daarbij zullen het recht op afdracht, het voorrecht en het pandrecht steeds op hetzelfde tijdstip ontstaan, te weten op het tijdstip dat de uitkering verschuldigd wordt.”
4.9. De implicatie van het voorgaande is dat de tussenpersoon eventueel zelf onderzoek moet verrichten naar de vraag of de verzekerde op het goed waarvoor de uitkering is gedaan, een pandrecht heeft gevestigd. In het kader van dat onderzoek kan hij zich in feite tegenover de verzekerde steeds op het standpunt stellen dat hij ook indirecte premies mag verrekenen tenzij de verzekerde aantoont dat er op die uitkering een (vervangend) pandrecht rust. Blijkt achteraf evenwel (toch) dat er vervangend pandrecht op de uitkering rust, dan dient de tussenpersoon alsnog het niet te verrekenen deel van de schade-uitkering uit te keren.
4.10. Nu hiermee vaststaat dat RBB derhalve slechts bevoegd was tot verrekening van de directe premie, doet zich als volgende probleem voor welke premie direct betrekking had op de schade-uitkering. In onderhavige zaak immers hebben Decro Beheer, Decro Installatietechniek en Goba een zogenaamde pakketverzekering afgesloten, waarvoor de premie administratief weliswaar ten laste van één vennootschap werd gebracht, maar strekte ter verzekering van risico’s bij alle drie de bedrijven., terwijl voorts de schade geleden is door alle drie de vennootschappen. Partijen hebben op de comparitie gedebatteerd in hoeverre een dergelijke pakketverzekering is terug te leiden tot individuele premieverplichtingen en in hoeverre deze in mindering kunnen komen op de gedane uitkeringen. Met name de bank heeft verzocht om zich hierover nader te mogen uitlaten. De rechtbank zal eerst aan RBB de gelegenheid bieden om nadere informatie te verschaffen over de pakketverzekering (overlegging van de polis, ten name van welke vennootschap is hij gesteld; hoe is de premieverdeling, welke schade door welke vennootschap is geleden enz.) alsmede hoe de beperking van de verrekeningsbevoegdheid ten aanzien van deze polis zou behoren uit te werken, waarop vervolgens de bank kan reageren.
4.11. Voor het overige wordt elke beslissing aangehouden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, rechter, en in het openbaar uitgesproken.
MT?