RECHTBANK MAASTRICHT Datum uitspraak : 12 juni 2008 Zaaknummer : 129157 / HA RK 08-153 De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van wrakingszaken, heeft de navolgende beschikking gegeven op het verzoek door [Naam verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster, procureur mr. E.A.M. Ramakers; Strekkende tot wraking van [Naam rechter], rechter. Het verloop van de procedure Middels een verzoekschrift d.d. 28 april 2008, bij de rechtbank binnengekomen op 29 april 2008, heeft mr. Ramakers namens [Verzoekster] de wraking verzocht van de rechter [Naam rechter]. De gronden voor het verzoek tot wraking zijn weergegeven in voornoemd verzoekschrift. [Naam rechter] heeft de rechtbank bericht niet in de wraking te berusten. Tevens heeft hij schriftelijk medegedeeld dat hij niet aanwezig zal zijn bij de behandeling van het verzoek. Met het oog daarop heeft hij de rechtbank zijn schriftelijk standpunt doen toekomen. Ter zitting van deze kamer van 29 mei 2008 is [Verzoekster] gehoord. Het standpunt van verzoekster De aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn, zoals hiervoor vermeld, verwoord in het verzoekschrift van 28 april 2008 en ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank nader toegelicht. Het verzoek tot wraking berust op de beslissing welke door [Naam rechter] is genomen in het tussenvonnis d.d. 9 april 2008 met betrekking tot het incident dat door [Verzoekster] is opgeworpen in een geschil tussen [Verzoekster] en de coöperatieve vereniging Vernieuwend Wonen Maastricht, hierna te noemen de Vereniging. [Verzoekster] heeft zich in het incident beroepen op een in de statuten van de Vereniging opgenomen arbitraal beding en gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren van de vordering van de Vereniging kennis te nemen. De thans relevante overwegingen in dat vonnis luiden: 3.1 [Verzoekster] heeft zich beroepen op het arbitrale beding in artikel 18, lid 1, van de Statuten. De Vereniging heeft erkend dat er tussen partijen sprake is van een geschil als bedoeld in voornoemd artikel en lid van de Statuten. 3.2 De Vereniging heeft echter gesteld dat zij niet beschikte over een commissie als bedoeld in dat artikel en lid van de Statuten, omdat die commissie - volgens artikel 18, lid 3, van de Statuten - moest worden ingesteld door de algemene ledenvergadering van de Vereniging (en moest bestaan uit tenminste drie personen binnen of buiten de Vereniging waarin het vertrouwen is uitgesproken door de algemene ledenvergadering) vóórdat er van enig conflict sprake is. (…) 3.3 De rechtbank overweegt voorts dat consequentie van de stelling van de Vereniging zou zijn dat door het verzuim van de Vereniging om tijdig een commissie als bedoeld in artikel 18, lid 1, van de Statuten in te stellen, aan [Verzoekster] definitief de mogelijkheid ontnomen zou worden een beroep te doen op dit arbitraal beding. Het hoeft geen betoog dat het niet de bedoeling kan zijn dat de Vereniging op deze wijze zou worden "beloond" voor haar eigen verzuim. 3.3.1 Nu de Vereniging heeft gesteld dat zij sinds 1 januari 2008 wél beschikt over een dergelijke commissie (bestaande uit 4 vaste leden, waarvan drie personen extern en één persoon lid van de Vereniging) acht de rechtbank het daarom voor de hand liggend (nu dat het dichtste in de buurt komt van wat partijen in de Statuten bedoeld hebben) dat het tussen partijen bestaande conflict zal worden voorgelegd aan de thans bij de Vereniging bestaande commissie. 3.3.2 [Verzoekster] zal dan echter die commissie wel dienen te aanvaarden als "commissie van scheidslieden" als bedoeld in artikel 18, lid 1, van de Statuten. 3.3.3 Alvorens verder te beslissen zal de rechtbank [Verzoekster] bij akte in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten. 3.3.4 De rechtbank wijst [Verzoekster] er daarbij op dat zij die commissie slechts "integraal" (d.w.z. zonder bezwaren te maken tegen één of meer leden van die commissie) kan accepteren. (…) 3.4 De rechtbank deelt partijen mede dat zij vooralsnog voornemens is om - indien [Verzoekster] de thans bij de Vereniging bestaande commissie accepteert - het beroep van [Verzoekster] op het arbitraal beding toe te wijzen en zich in dat geval onbevoegd zal dienen te verklaren. Indien [Verzoekster] die commissie echter niet - integraal - accepteert is de rechtbank voornemens het beroep van [Verzoekster] op het arbitraal beding af te wijzen: in dat geval zou immers een "vacuüm" ontstaan doordat er in dat geval geen commissie van scheidslieden zou bestaan waarop een beroep zou kunnen worden gedaan, zodat - omdat in het geschil tussen partijen uiteindelijk toch een beslissing zal dienen te worden genomen - de rechtbank zich in dat geval bevoegd zal verklaren van dat geschil kennis te nemen. 3.5 (…) [Verzoekster] stelt dat deze beslissing, nu daarin het beroep op het arbitraal beding afhankelijk wordt gesteld van het bestaan van een scheidsgerecht, in de eerste plaats in flagrante strijd met de wet is, nu er geen wettelijke bepaling is aan te wijzen waaruit deze eis kan worden afgeleid. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft immers haar eigen algemene bepalingen op grond waarvan een scheidsgerecht kan worden samengesteld. Omdat dit tevens betekent dat het beroep van [Verzoekster] op het arbitraal beding niet aanstonds wordt gehonoreerd, heeft [Naam rechter] derhalve de schijn gewekt bereid te zijn af te wijken van de wet ten behoeve van de belangen van de tegenpartij van [Verzoekster], zo voert [Verzoekster] aan. Bovendien voelt [Verzoekster] zich op grond van de overweging van [Naam rechter] dat hij zijn beslissing afhankelijk stelt van het “integraal accepteren van [Verzoekster] van een door haar wederpartij samengesteld scheidsgerecht” gedwongen om een civielrechtelijke overeenkomst met de Vereniging aan te gaan, omdat een eenzijdige verklaring van [Verzoekster] tot de rechtbank geen gevolg heeft. Een rechter mag hooguit processuele voorwaarden verbinden aan een te nemen beslissing, maar mag een procespartij niet dwingen een bepaalde privaatrechtelijke verhouding aan te gaan of prijs te geven, zo stelt [Verzoekster]. Dit zou volgens [Verzoekster] tevens inhouden dat zij haar recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling van de arbitragezaak overeenkomstig de in artikel 6 EVRM neergelegde voorwaarden zou moeten prijsgeven, omdat zij afstand zou moeten doen van het recht op wraking van de leden van het scheidsgerecht in daarvoor volgens de wet in aanmerking komende gevallen. Deze voorwaarde is in strijd met de wet. Bovendien is de gestelde voorwaarde ernstig in haar nadeel. Van haar kan niet verwacht worden dat zij afstand doet van een wrakingsrecht terwijl de identiteit van de arbiters haar niet eens bekend is gemaakt en terwijl de arbiters eenzijdig door de Vereniging zijn benoemd. De vermelde beslissingen van [Naam rechter] kunnen volgens [Verzoekster] alleen worden verklaard als een duidelijke keuze voor het beschermen van de belangen van de Vereniging, Althans heeft [Naam rechter] de schijn gewekt dat het hem te doen is om de belangen van de Vereniging en dat hij dus de rechterlijke onpartijdigheid uit het oog heeft verloren. Op grond van de voorgaande omstandigheden meent zij voldoende te hebben aangetoond dat bij [Naam rechter] te haren aanzien een vooringenomenheid bestaat, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid niet alleen schade zou kunnen lijden, maar zelfs in dit geval niet lijkt te bestaan en dus al schade heeft geleden. 3. Het standpunt van de rechter [Naam rechter] heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat van feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid in het gedrang zou komen of zelfs schade zou leiden naar zijn mening geen sprake is. In dat verband stelt hij dat in het vonnis is getracht om recht te doen aan de belangen van beide partijen, in die zin dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.