RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht parketnummer: 03/700717-07 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 augustus 2008 in de strafzaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres verdachte]. Gedetineerd PI Mid. Holland, HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn. Raadsman is mr. C.H.M. Geraedts, advocaat te Brunssum. 1 Onderzoek van de zaak a. De zaak is behandeld op de zitting van 5 maart 2008 en 15 augustus 2008, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: een moord op [naam slachtoffer] heeft voorbereid; Feit 2: geprobeerd heeft [naam slachtoffer] te vermoorden; Feit 3: een moord dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op [naam slachtoffer] heeft voorbereid; Feit 4: geprobeerd heeft [naam slachtoffer] te vermoorden, dan wel geprobeerd heeft haar opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde feiten. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bekennende verklaringen afgelegd door verdachte in eerste instantie gebezigd kunnen worden als bewijs. De later afgelegde ontkennende verklaring dient als ongeloofwaardig te worden beschouwd. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de 4 tenlastegelegde feiten Feit 1 De raadsman heeft naar voren gebracht dat, als al bewezen zou worden verklaard dat verdachte een mes had, hetgeen enkel door verdachte is verklaard, er concrete aanwijzingen dienen te zijn dat het mes kennelijk bestemd was voor het misdrijf moord. De mogelijkheid bestaat dat verdachte door zijn handelen er veel eerder op uit was zichzelf te straffen dan om [naam slachtoffer] fysiek iets aan te doen. Zelfs is niet onmogelijk dat verdachte het mes voorhanden had om het eerder bij [naam slachtoffer] in haar brievenbus gedeponeerde doodshoofdje te verwijderen. Feit 2 Op de eerste plaats heeft de raadsman gesteld dat verdachte niet de wil had om [naam slachtoffer] te doden. Gelet op de door de deskundigen vastgestelde stoornis bij verdachte, de onwaarschijnlijke verklaringen die hij heeft afgelegd over gelegenheden en zijn kennelijke neiging om zonder schuldbesef te liegen, moet ernstig worden getwijfeld aan de juistheid van de door hem afgelegde, bekennende verklaring. Op de tweede plaats heeft de raadsman naar voren gebracht dat er bij verdachte geen sprake kan zijn van kalm en rustig overleg. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de rapportages omtrent de gemoedstoestand van verdachte in de periode voorafgaan en ten tijde van het ten laste gelegde. Tot slot kan niet gesproken worden van een uitvoeringshandeling. Uit de situatieschets blijkt dat de afstand tussen verdachte en [naam slachtoffer] naar schatting circa 15 meter bedroeg. Ook blijkt uit niets dat verdachte op [naam slachtoffer] is toegelopen, zoals in de dagvaarding vermeld. Feit 3 Dit feit is enkel gebaseerd op basis van de verklaringen van verdachte. De inhoud van de verklaringen zijn -gelet op de door de deskundigen vastgestelde stoornis- zeer onwaarschijnlijk en worden niet bevestigd door enig ander bewijsmiddel. Feit 4 Niemand verklaart dat verdachte in of in de nabijheid van de school te hebben gezien. Niemand kan bevestigen dat hij, als hij al in de buurt zou zijn geweest, in het bezit was van messen. Bewijs is hoofdzakelijk gebaseerd op de verklaringen van verdachte en de betrouwbaarheid daarvan is uiterst discutabel. Het enkel bellen en de mededeling die verdachte heeft gedaan leveren geen bewijs op voor het tenlastegelegde, poging moord, danwel poging zwaar lichamelijk letsel. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Feiten 1 en 2 Blijkens het proces-verbaal van bevindingen wordt op 23 november 2007 een melding gedaan dat aan [adres slachtoffer] te Maastricht een jonge vrouw wordt bedreigd. Ter plaatse worden opsporingsambtenaren aangesproken door [naam slachtoffer]. Zij vertelt hen dat zij die morgen even voor achten werd opgewacht door [naam verdachte]. Hij stond op de oprit naar de parkeerplaats van [adres slachtoffer] en hield iets in zijn hand, waarschijnlijk een mes. In haar aangifte verklaart [naam slachtoffer] dat zij op 23 november omstreeks 07.45 uur haar woning heeft verlaten. Op de oprit bij haar woning zag zij [naam verdachte] staan. Zij zag dat [verdachte] zijn arm, iets omhoog langs zijn lichaam had zitten. Zij zag dat hij in zijn rechterhand iets glimmends had. Zij dacht dat dit een mes was, maar wist dit niet zeker. Zij heeft zich vervolgens omgedraaid en is weggerend. Tijdens zijn verhoor bij de politie verklaart verdachte dat hij op 23 november 2007 omstreeks 07.55 uur naar de woning van [naam slachtoffer] is gegaan om haar te vermoorden. Daartoe had verdachte een groot, speciaal gekocht uitklapmes bij zich met een bruin handvat. Hij had het mes al opengeklapt in zijn broekzak gestopt. Hij wilde haar met dit mes doodsteken en daarna zelfmoord plegen. Toen [naam slachtoffer] naar buiten kwam, is verdachte naar haar toegelopen. Hij wilde het uitgeklapte mes uit zijn broekzak pakken. [naam slachtoffer] rende snel weg. Als hij het mes op tijd uit zijn broekzak had gekregen, had hij [naam slachtoffer] vermoord. Het lukte hem niet snel daarom is hij haar ook niet meer achterna gerend. De rechtbank acht de te laste gelegde feiten onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. De rechtbank gaat uit van de eerste verklaring zoals door die verdachte is afgelegd bij de politie. Deze verklaring is gedetailleerd en geloofwaardig. Deze verklaring vindt bevestiging in de verklaring van [naam slachtoffer]. Aan de door verdachte nadien afgelegde en telkens wijzigende verklaringen hecht de rechtbank geen geloof. Mede omdat zij niet stroken met de aangifte. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet hoeft te blijken dat het mes ‘kennelijk’ bestemd was om [naam slachtoffer] van het leven te beroven. Dit bestanddeel is sinds 1 februari 2007 niet langer een bestanddeel van artikel 46 Wetboek van Strafrecht. Ook is, niettegenstaande de gediagnosticeerde stoornis van verdachte, niet gebleken dat verdachte zijn wil niet kon bepalen nu daar blijkens vaste jurisprudentie slechts van kon worden gesproken indien bij verdachte elk inzicht in de reikwijdte van zijn handelen ontbreekt. Ook heeft verdachte zich vooraf beraden over de wijze waarop het delict uitgevoerd diende te worden. Uit de aanschaf van een mes leidt de rechtbank af dat het ten laste gelegde delict met voorbedachte rade heeft plaats gevonden. Uit de verklaringen van [verdachte] en [naam slachtoffer] leidt de rechtbank af dat verdachte bij de woning van [naam slachtoffer] is geweest teneinde haar te vermoorden. [Verdachte] heeft verklaard dat hij daartoe speciaal een mes had gekocht. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte reeds een begin van uitvoering van het delict had gemaakt nu verdachte het open geklapte mes in zijn broekzak had en het ook daadwerkelijk wilde pakken maar de voltooiing van het delict werd belet door de vlucht van het beoogde slachtoffer. Feit 3 De rechtbank acht feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen nu het bewijs slechts berust op de verklaring van verdachte en het vereiste bewijsminimum als bedoeld in artikel 341, lid 4, Wetboek van Strafvordering niet wordt gehaald. Feit 4 De rechtbank acht feit 4 niet wettig en overtuigend bewezen. Het bewijs berust deels op enkele verklaring van verdachte. Voorts is niet gebleken dat door verdachte een handeling is verricht die duidt op een begin van uitvoering van het tenlastegelegde delict. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.