RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht parketnummer: 03/700431-08 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 oktober 2009 in de strafzaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboortegegevens verdachte], wonende te [adresgegevens verdachte], gedetineerd Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard. Raadsman is mr. J.J.M. Goltstein, advocaat te Kerkrade. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 oktober 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: [slachtoffer 1] heeft vermoord. Feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te vermoorden. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat zowel feit 1 als feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Volgens de officier van justitie is het volgende gebeurd: Op 22 juni 2009 ging verdachte naar de woning aan de [adres] in Kerkrade en belde aan. Toen er niet werd opengedaan, liep hij terug naar zijn auto die een aantal deuren verder geparkeerd stond, pakte uit de auto een krik en een mes en liep weer terug. De krik gooide hij door de ruit van de voordeur. Vervolgens verschafte hij zich de toegang tot de woning. Schreeuwend en met een groot slagersmes in zijn hand liep hij de trap op. Boven aan de trap stonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die op het geschreeuw waren afgekomen. [slachtoffer 1] zou, volgens verdachte, hem daarop met een stok hebben geslagen. Er is echter geen stok gevonden die verdachte heeft herkend als de stok die [slachtoffer 1] zou hebben gehanteerd. Volgens de officier van justitie doet het er niet toe doet of [slachtoffer 1] nu wel of geen stok in haar handen heeft gehad. Verdachte kan zich in geen geval beroepen op noodweer. Hij is immers zelf de woning binnengedrongen. Terwijl [slachtoffer 1] hem vervolgens duidelijk maakte dat hij weg moest gaan, liep hij toch door, ook na het zien van de stok. Boven aan de trap ontstond een worsteling tussen [slachtoffer 1] en verdachte en deze werd in de kamer voortgezet. Bij deze worsteling raakte [slachtoffer 1] dodelijk gewond en [slachtoffer 2] zwaar gewond. De officier van justitie is van mening dat bij verdachte sprake is van voorbedachte raad. Of verdachte – zoals hij aanvankelijk verklaarde – het mes op zijn werk is gaan ophalen, is volgens haar niet relevant. Hij heeft, gewapend met een mes, de confrontatie gezocht met zijn slachtoffers. Hij heeft zich rekenschap kunnen geven van zijn handelen. Nadat hij [slachtoffer 1] had neergestoken is hij doorgegaan met [slachtoffer 2]. Er was geen enkele aanleiding om dat te doen. Dat er sprake van moord en poging tot moord is, blijkt volgens de officier van justitie uit de eerste twee verklaringen van verdachte zelf, het verslag van de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1], de aangifte van het overlevende slachtoffer [slachtoffer 2] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5]. Het alternatieve scenario dat de raadsman heeft aangedragen, namelijk dat [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] met het mes gestoken zou hebben, is naar mening van de officier van justitie ongeloofwaardig in het licht van de genoemde bewijsmiddelen. De stelling dat het bij het onderzoek gevonden DNA van een onbekende man in dit scenario past, is volgens de officier van justitie onjuist. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman gaat ervan uit dat verdachte [slachtoffer 1] én [slachtoffer 2] heeft gestoken. Volgens de raadsman is het echter mogelijk dat ook [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] met het mes heeft gestoken, waarbij niet duidelijk is wie de fatale steken heeft toegebracht. Dit alternatieve scenario is opgekomen nadat de getuigen [getuige 3] en [getuige 1] in een later stadium hebben verklaard dat de getuige [getuige 2] hun heeft verteld dat [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] met het mes zou hebben gestoken. Volgens de raadsman kan het alternatieve scenario ook na de verhoren door de rechter-commissaris niet worden uitgesloten. Verdachte kan zich niet meer herinneren wat er op de fatale avond is gebeurd, nadat hij de trap was opgerend. Het slachtoffer [slachtoffer 2] en de getuige [getuige 2] kunnen zich evenmin veel van het gebeuren op de desbetreffende avond herinneren. Hun verklaringen lopen bovendien op een aantal punten uiteen. Het sporenonderzoek sluit het alternatieve scenario, volgens de raadsman, evenmin uit. Een groot deel van de sporen is immers niet onderzocht. Voor het geval het alternatieve scenario aannemelijk wordt geacht, voert de raadsman nog aan dat een veroordeling voor het samen en in vereniging plegen van de moord niet in de rede ligt, nu er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [slachtoffer 2] en de verdachte. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen sprake is van voorbedachte raad. Toen verdachte boos de trap op liep, wist hij helemaal niet zeker of [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] van hem had afgepakt. Verdachte geeft aan dat hij nimmer wraakgevoelens jegens [slachtoffer 1] heeft gekoesterd. Hij had echter niet verwacht dat [slachtoffer 1] zich strijdbaar tegenover hem zou opstellen. Bij de worsteling is met een mes gestoken. Verdachte was opgefokt en kon niet helder nadenken. Verdachtes persoonlijkheid, met name beschreven in de rapportage van het Pieter Baan Centrum, gerelateerd aan het samenstel van feiten en omstandigheden, maken het onaannemelijk dat verdachte bij het binnendringen van de woning al het besluit had genomen om [slachtoffer 1] te doden. In de visie van de verdediging is het aannemelijker dat verdachte het mes had meegenomen om zich zonodig te verweren tegen [slachtoffer 2], die niet alleen door verdachte maar ook door anderen uit zijn omgeving gevreesd werd. De raadsman vindt het niet aannemelijk, dat er na het binnendringen in de woning tot aan de worsteling en steekpartij, momenten zijn geweest waarop verdachte zich had kunnen bezinnen of de gelegenheid zou hebben gehad om over de betekenis of de gevolgen van een voornemen om te doden na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Tot slot is de raadsman van mening dat de eerste verklaring van verdachte niet als bewijs kan dienen. Bij het afleggen van deze verklaring heeft de hevige gemoedstoestand van verdachte een doorslaggevende rol gespeeld. Bovendien kan er sprake zijn geweest van enige suggestie of beïnvloeding van de kant van de ondervragers. Verder is er geen opnameapparatuur ingezet. Ook zou verdachte bij het afleggen van zijn verklaring onder invloed van alcohol hebben verkeerd. De eerste verklaring zou ook van het bewijs moeten worden uitgesloten, gelet op het Salduz-arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Bij het eerste verhoor is immers geen raadsman aanwezig geweest noch is de verdachte in de gelegenheid gesteld om zich door een raadsman te doen bijstaan. Indien bewijsuitsluiting niet zou volgen, zou dit laatstgenoemde verzuim tot strafvermindering moeten leiden. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Vooraf De rechtbank zal de eerste verklaring van verdachte, afgelegd in de nacht na de steekpartij, niet voor het bewijs gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank was de geestestoestand van verdachte zo kort na het gebeuren zo instabiel dat zijn eerste verklaring niet als betrouwbaar kan gelden. Ook lijkt het erop dat verdachte tijdens het politieverhoor een aantal woorden in de mond is gelegd. Nu om deze redenen de eerste verklaring niet als bewijs kan dienen, behoeft het verweer op basis van het Salduz-arrest geen bespreking. Zijn tweede verklaring heeft verdachte vijf dagen later, in welke periode hij tot bedaren kon komen, en nadat hij zijn raadsman heeft gesproken, afgelegd. Zijn geestestoestand noch het recht op toegang tot een advocaat staan dan ook in de weg aan het gebruik tot bewijs van deze en de latere verklaring van verdachte. Vaststaande feiten Verdachte had een relatie met [slachtoffer 1]. Hij had net een nieuwe woning toegewezen gekregen, maar wilde uit financieel oogpunt niet dat [slachtoffer 1] bij hem ingeschreven zou worden. De bedoeling was dat zij zich bij de gemeente op het adres van [slachtoffer 2] zou laten inschrijven, maar feitelijk bij verdachte zou gaan wonen. Verdachte heeft [slachtoffer 1] op donderdag 19 juni 2008 naar [slachtoffer 2] gebracht zodat zij zich die dag op diens adres kon laten inschrijven. Vervolgens is zij niet meer naar verdachte teruggekeerd. Van een vriendin, de latere getuige [getuige 3], hoorde verdachte op enig moment dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een verhouding zouden hebben. Verdachte is op zondag 22 juni 2008 tot ongeveer 21.00 uur in café Ing Wietsjaf Wieër te Kerkrade geweest. Van daaruit is verdachte met zijn auto naar de woning van [slachtoffer 2] op de [adres] te Kerkrade gegaan, nadat hij eerst nog bij de woning van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] was gestopt. De toedracht van het incident Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, nadat hij bij de woning van [slachtoffer 2] was aangekomen bij de woning aanbelde, maar dat niet werd opengedaan. Vermoedelijk omdat de deurbel stuk was. Verdachte is vervolgens teruggelopen naar zijn auto, die naar zijn zeggen ongeveer vijftig meter verderop geparkeerd stond. Uit de auto heeft hij een krik gepakt met de bedoeling deze door de deur te gooien. Bij het pakken van de krik verschoof een deken en zag verdachte een mes liggen. Dit mes heeft hij in een zak van zijn broek gestoken. Vervolgens is hij teruggelopen naar de deur, heeft de krik door de ruit van de deur gegooid en heeft zich vervolgens de toegang tot de woning verschaft. Eenmaal in de woning is hij de trap opgelopen en heeft hij het mes in zijn rechterhand genomen. Volgens verdachte stond [slachtoffer 1] met een stok in haar hand boven aan de trap en heeft zij hem met die stok op zijn rechterhand geslagen. Ook zei ze tegen hem dat hij weg moest gaan. Verdachte is doorgelopen en heeft bovenaan de trap [slachtoffer 1] naar achteren geduwd. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij en [slachtoffer 1] vervolgens een worsteling hebben gehad en dat zij zich tijdens deze worsteling vanuit de keuken naar de woonkamer hebben verplaatst. Tijdens deze worsteling had verdachte het mes in zijn rechterhand en heeft hij [slachtoffer 1] geraakt. Hij zag dat [slachtoffer 1] aan het bloeden was. Ook zag hij bloed op het mes en op de grond. Verdachte beschrijft het mes dat hij heeft meegenomen als een vrij nieuw 18 centimeter lang mes met een zwart handvat. Aan de hand van een aan hem getoonde foto heeft verdachte het mes dat de politie in de woning aan de [adres] heeft gevonden, herkend als het mes dat hij had meegenomen. Verdachte heeft verder verklaard dat tijdens de hiervoor genoemde gebeurtenissen [slachtoffer 2], [getuige 2] en [getuige 1] in de woning aanwezig waren. Verdachte heeft in zijn tweede verhoor verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren wat er met [slachtoffer 2] is gebeurd. De verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hebben bij aankomst ter plaatse twee slachtoffers, naar later blijkt [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], aangetroffen. [slachtoffer 1] lag op de grond voor de toegangsdeur van de woonkamer en had een zichtbare steekwond links onder haar ribbenkast. [slachtoffer 1] is later aan haar verwondingen overleden. Uit het sectierapport blijkt dat [slachtoffer 1] vijf steekverwondingen in haar borst, buik en been had. Het overlijden wordt door de patholoog verklaard door verbloeding en opgetreden weefselschade ontstaan door het steekincident. Het tweede slachtoffer dat de verbalisanten aantroffen, [slachtoffer 2], zat op de bank rechts in de kamer en bloedde hevig. Uit de letselbeschrijving blijkt dat hij drie steekwonden in zijn hals en een steekwond in het rechteronderbeen had, waarmee hem levensbedreigend letsel is toegebracht. De ernst van het letsel blijkt mede uit de zich in het dossier bevindende foto’s van de verwondingen van [slachtoffer 2]. Verder troffen de verbalisanten de getuigen [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3] in de woning aan. [slachtoffer 2] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte met het mes in zijn handen de trap opkwam, op [slachtoffer 1] afging en haar met het mes stak. Volgens [slachtoffer 2] richtte verdachte zich hierna op hem, terwijl hij op de bank zat. Verdachte stak hem meermalen in zijn hals en eenmaal in zijn rechterbeen. De getuige [getuige 2] heeft zowel bij de politie als later bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte met het mes de trap op kwam en dat verdachte degene was die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met het mes heeft gestoken. Verdachte heeft op 27 juni 2008 bij de politie verklaard dat hij na de worsteling heeft getelefoneerd met de getuigen [getuige 3] en [getuige 4]. De getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat zij verdachte heeft gebeld toen hij niet bij de hondenwei kwam opdagen en dat verdachte in dat telefoongesprek tegen haar heeft gezegd dat hij bij [slachtoffer 2] was en dat hij had gestoken. Zij is vervolgens naar de woning aan de [adres] gegaan. Daar trof zij onder andere verdachte aan. Zij zag dat [slachtoffer 1] overal op haar buik steekwonden had. [slachtoffer 2] zat op de bank en hield zijn handen om zijn nek, omdat hij daar gesneden was en er bloed zat. [getuige 3] heeft verder verklaard dat verdachte toen nog steeds aan het schelden was en zich erg verward gedroeg. De getuige [getuige 4] heeft bij de politie verklaard dat verdachte omstreeks 21.00 uur in diens auto langs zijn woning is gereden. [getuige 4] heeft toen even met verdachte gesproken. Volgens hem maakte verdachte een verwarde en gestresste indruk. Om 21.20 uur heeft [getuige 4] verdachte gebeld, omdat hij zich toch wel zorgen maakte over hem. Aan de telefoon gaf verdachte aan dat het niet goed met hem ging en dat hij zo juist twee mensen had ‘afgestoken’. Toen [getuige 4] nogmaals vroeg wat er aan de had was, zei verdachte opnieuw dat hij zojuist twee mensen met een mes had gestoken. De getuige [getuige 5], de echtgenote van [getuige 4], is ook gehoord door de politie. Zij heeft verklaard dat zij op de klok heeft gekeken toen verdachte bij hun woning is weggereden. Het was toen 21.15 uur. [getuige 5] heeft, nadat haar man verdachte aan de telefoon heeft gehad, ook zelf naar verdachte gebeld. Toen zij verdachte aan de lijn kreeg, kwam hij verward, boos en ontdaan over. Zij hoorde hem zeggen: ‘Ik heb ze neergestoken’. Verdachte antwoordde bevestigend toen [getuige 5] vroeg of het [slachtoffer 1] betrof. De rechtbank is, gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen, van oordeel dat verdachte [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. De rechtbank is ook van oordeel dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Het letsel dat verdachte aan het slachtoffer [slachtoffer 2] door zeer gerichte steken in de hals heeft toegebracht was, immers dermate ernstig dat daarbij een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Verdachte heeft geweten dat die aanmerkelijke kans er was. Hij werkte in het slachthuis en had daar onder meer tot taak dieren met een messteek in de hals te doden. Hij heeft, door te steken als hij heeft gedaan, de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] zou komen te overlijden, aanvaard. Voorbedachte raad De vraag die nu beantwoord moet worden is of verdachte handelde met voorbedachten rade. Voorbedachte raad wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg voorafgaand aan de uitvoering van het feit. Kalm beraad en rustig overleg moet niet zozeer gezien worden als handelen in koelen bloede, maar meer als het tegen¬over¬gestelde van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die de dader als het ware onvoorbe¬reid treft en hem brengt tot de onmiddellijk gevolgde daad. Voor voorbedachte raad kan een tijdsbestek van enkele seconden voldoende zijn. Alleen al gelet op het gegeven dat verdachte nadat hij het mes had gepakt nog ongeveer vijftig meter is teruggelopen naar de woning – hetgeen kan worden afgeleid uit verdachtes hiervoor weergegeven verklaring – kan geen sprake zijn geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die verdachte onvoorbe¬reid trof. Bovendien zijn er tijdens de aanloop naar en het uitvoeren van het delict verschillende momenten geweest waarop verdachte de tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit. Er is voldoende gelegenheid geweest om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte heeft op geen enkel moment afgeweken van zijn kennelijke voornemens. Het verweer van de raadsman dat verdachte zich geen rekenschap heeft kunnen geven van de gevolgen van zijn daad, wordt dan ook verworpen Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd en met diezelfde voorbedachten rade geprobeerd heeft [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Alternatief scenario De raadsman heeft, zoals hiervoor opgemerkt, aangevoerd dat de feitelijke gang van zaken mogelijk anders was. De getuigen [getuige 1] en [getuige 3] hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat de getuige [getuige 2] tegen hen heeft gezegd dat (ook) [slachtoffer 2] het slachtoffer [slachtoffer 1] met het mes zou hebben gestoken. De bron van dit verhaal, de getuige [getuige 2], verklaarde voor de rechter-commissaris echter dat zij dit nooit heeft gezegd en verklaarde tevens dat deze lezing van de feiten onjuist is. Verder zou [getuige 2], volgens [getuige 3] en [getuige 1], hebben verteld dat [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] tweemaal in de rug zou hebben gestoken. Uit de bevindingen van de patholoog blijkt echter dat [slachtoffer 1] alleen aan de voorzijde van haar lichaam is gestoken, zodat de beweerde verklaring van [getuige 2] op dat punt aantoonbaar in strijd met de waarheid zou zijn. Gelet op dit alles is het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario niet aannemelijk. Het daarop gebaseerde verweer, inhoudende dat bij twijfel over de toedracht verdachte zou moeten worden vrijgesproken, wordt dan ook verworpen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.