RECHTBANK MAASTRICHT Sector Strafrecht Parketnummer: 03/530343-09 Datum uitspraak: 13 juli 2010 Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2010 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboortegegevens verdachte], wonende te [adresgegevens verdachte]. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 9 april 2009 te Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Marisstraat gaande in de richting van de Rembrandtlaan en gekomen bij het kruispunt van de Marisstraat en de Van Ostadestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, althans met een voor die wegsituatie te hoge snelheid - voornoemd kruispunt te naderen en op zodanige wijze te rijden althans te sturen althans te remmen, dat er een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig en een van links naar rechts die kruising overstekende bromfietser, door welk verkeersongeval, - [naam slachtoffer 1], zijnde de bestuurster van die bromfiets, zwaar lichamelijk letsel, te weten breuk rechterbovenbeen en/of dubbele breuk rechter enkel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/of - [naam slachtoffer 2], zijnde de passagier van die bromfiets, zwaar lichamelijk letsel, te weten breuk rechter kuitbeen, meerdere breuken rechter scheenbeen, breuk rechter onderbeen, scheurtje in rechter enkel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij op of omstreeks 9 april 2009, in Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Marisstraat gaande in de richting van de Rembrandtlaan en gekomen bij het kruispunt van de Marisstraat en de Van Ostadestraat, - met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, althans met een voor die wegsituatie te hoge snelheid - voornoemd kruispunt is genaderd en op zodanige wijze heeft gereden althans gestuurd althans geremd, dat er een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig en een van links naar rechts die kruising overstekende bromfietser, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 9 april 2009 te Geleen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Marisstraat, gaande in de richting van de Rembrandtlaan en gekomen bij het kruispunt van de Marisstraat en de Van Ostadestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig - met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur - voornoemd kruispunt te naderen en op zodanige wijze te rijden althans te sturen althans te remmen, dat er een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig en een van links naar rechts die kruising overstekende bromfietser, door welk verkeersongeval, - [naam slachtoffer 1], zijnde de bestuurster van die bromfiets, zwaar lichamelijk letsel, te weten breuk rechterbovenbeen en dubbele breuk rechter enkel, werd toegebracht, en - [naam slachtoffer 2], zijnde de passagier van die bromfiets, zwaar lichamelijk letsel, te weten breuk rechter kuitbeen, meerdere breuken rechter scheenbeen, breuk rechter onderbeen, scheurtje in rechter enkel, werd toegebracht; De partiële vrijspraak De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring Vast staat dat verdachte een kruising is opgereden waarbij een botsing heeft plaatsgevonden met een scooter. Deze scooter kwam van links en heeft aan verdachte geen voorrang verleend. De bestuurster en de passagier van de scooter hebben aan het ongeval beiden zwaar lichamelijk letsel overgehouden. De slachtoffers en getuigen van het ongeval hebben aangegeven dat verdachte aanmerkelijk te hard heeft gereden. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het rijgedrag van verdachte onder artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 valt. De raadsman van verdachte heeft vraagtekens geplaatst bij de bewezenverklaring en dan vooral bij de becijfering van de door verdachte gereden snelheid. Volgens het procesverbaal VerkeersOngevalAnalyse zou die snelheid immers tussen de 78 en 82 km/u hebben gelegen op een weg waar 30 km/u is toegestaan. De raadsman motiveert zijn bezwaar door er op te wijzen dat de remproef met het voertuig van verdachte is uitgevoerd op een andere weg dan de weg waarop het ongeval heeft plaatsgevonden. Daardoor kan een onjuiste remvertraging zijn vastgesteld hetgeen wellicht geleid heeft tot een onjuiste becijfering van de snelheid. Gelet echter op de marges die door de verbalisanten zijn gehanteerd bij het becijferen van de remvertraging (Amin = 9.04m/s en Amax = 9.98m/s), gelet op het feit dat zowel bij de proef als bij het ongeval de wegbedekking van hetzelfde soort was en een verdere onderbouwing van het bezwaar ontbreekt, gaat de rechtbank hieraan voorbij. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om ambtshalve vraagtekens bij de becijfering van de gereden snelheid te plaatsen. Die vraagtekens betreffen de lengte van de door de verbalisanten vastgestelde remweg. De relevantie hiervan is daarin gelegen dat hoe langer de remweg is geweest hoe hoger de gereden snelheid moet zijn geweest. Blijkt de remweg korter te zijn dan is aangenomen in het rapport, dan moet ook de gereden snelheid lager zijn geweest. De verbalisanten stellen in het rapport VerkeersOngevalAnalyse dat verdachte is gaan remmen op een moment dat vóór de plaats van de botsing is gelegen. Zij leiden dit af uit een remspoor dat op het wegdek is aangetroffen en dat aanvangt op 5 meter vóór de botsplek. Het totale remspoor is volgens de verbalisanten bij deze aanname 26,05 meter. Hierbij plaatst de rechtbank de volgende vraagtekens: ? Dat verdachte heeft geremd vóór de botsplek is in strijd met zijn eigen verklaring (“Ik keek eerst naar rechts, alvorens ik naar links kon kijken hoorde ik een harde klap”); ? Ook de bestuurster van de scooter is stellig dat verdachte vóór de botsing niet heeft geremd (“Ik weet zeker dat de bestuurder pas geremd heeft nadat de scooter was aangereden”). ? Door verdachte is er op gewezen dat op deze kruising meerdere remsporen staan afgetekend van eerdere (bijna) ongevallen. ? In het rapport VerkeersOngevalAnalyse zijn meerdere tekeningen van de verkeerssituatie opgenomen met daarin ook een weergave van de voor de becijfering gebruikte remsporen. Bij bestudering van deze tekeningen heeft de rechtbank vastgesteld dat juist het remspoor dat aanvangt vóór de botsplaats niet in een rechte lijn overgaat in het remspoor dat direct achter de auto in eindpositie is aangetroffen. Bij het doortrekken van het eerstgenoemde spoor komt men niet achter één van de wielen van de auto van verdachte uit. ? Volgens het rapport VerkeersOngevalAnalyse bedraagt de reactietijd tussen de 0,6 seconde en 1,6 seconde en de bijbehorende reactieweg bij een snelheid van 78 – 82 km/u, minimaal 13,02 en maximaal 36,48 meter. Zolang (binnen de genoemde marges) duurde het voordat verdachte daadwerkelijk remde en zoveel meter eerder als het remspoor begint, moet verdachte de scooter blijkens deze analyse hebben waargenomen. Past men deze reactieweg echter af vanaf de aanvang van het remspoor terug in de richting waar verdachte vandaan kwam, dan komt men uit in een gedeelte van de Marisstraat waar verdachte vanwege de dichte begroeiing op de kruising met de Van Ostadestraat waarschijnlijk nog helemaal geen zicht had op verkeer dat vanuit die straat de kruising opreed. Verdachte zal niet met een noodstop beginnen als hij nog geen verkeer kan zien. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank overwogen om een aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar de remsporen op het wegdek. Zij heeft daartoe echter niet besloten omdat ruim één jaar na het ongeval de relevante remsporen niet meer op het wegdek aanwezig zullen zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat deze omstandigheid niet ten nadele van verdachte mag werken. Daarom heeft de rechtbank bekeken wat het betekent voor de snelheid indien zij verdachte volgt in diens eigen verklaring dat hij pas op het moment van de klap heeft kunnen reageren. De afstand tussen de botsplaats en de plek waar de auto tot stilstand is gekomen bedraagt volgens het rapport VerkeersOngevalAnalyse 21,05 meter. Niet over deze hele afstand heeft verdachte echter geremd, er moet nog rekening gehouden worden met de reactietijd en de daarbij behorende reactieweg. Volgens het rapport VerkeersOngevalAnalyse bedraagt de reactieweg bij 30 km/u tussen de 5 en 13,33 meter en bij 78 km/u tussen de 13,02 en 34,72 meter. De rechtbank rekent daarom met een reactieweg van 13 m. Deze afstand dient van de remweg te worden afgetrokken alvorens de snelheid kan worden becijferd. Er resteert dus een remweg van (21,05 – 13 =) 8,05 meter (s). De remvertraging van de auto van verdachte is vastgesteld op 9,04 m/s – 9,98 m/s (a). Op grond van de formule v = ?2as becijfert de rechtbank dan een snelheid tussen de 12,08 en 12,67 m/s ofwel 43,5 en 45,6 km/uur. De rechtbank zal er bij de verdere beoordeling van deze zaak vanuit gaan dat verdachte met deze snelheid heeft gereden. Nu verdachte volgens de rechtbank niet gereden heeft met een snelheid van 78 – 82 km/u maar aanmerkelijk langzamer, komt de vraag op of ook bij deze snelheid verdachte schuld heeft aan het ongeval zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.