RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht parketnummer: 03/830020-10 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 oktober 2010 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren [geboortegegevens], wonende [adresgegevens]. Raadsman is mr. L.J.L.M. Dacier, advocaat te Heerlen. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 september 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen: Feit 1: in de periode van 15 mei 2007 tot en met 14 mei 2009 hennepplanten heeft geteeld; Feit 2: op 15 mei 2009 267 hennepplanten in haar bezit heeft gehad; Feit 3: een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft haar standpunt gebaseerd op het proces-verbaal inzake het aantreffen van de planten, de MCC-test, de verklaring van verdachte en de “aangifte” van [benadeelde partij]. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van alle drie de feiten moeten worden vrijgesproken, omdat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat gebruik gemaakt is van een machtiging tot binnentreden. Deze machtiging is afgegeven door een hulpofficier van justitie en bedoeld voor de aanhouding van ene [M.V.]. In het proces-verbaal bevindingen van 29 mei 2010 staat echter dat de machtiging bedoeld was voor de aanhouding van [medeverdachte] (de zoon van verdachte). Door deze discrepantie is de machtiging niet deugdelijk. Subsidiair heeft de raadsman er op gewezen dat de machtiging gebaseerd is op artikel 565 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv). Dit artikel vereist echter een bepaalde (executoriale) titel om [M.V.] te kunnen aanhouden. Uit het dossier blijkt niet dat een dergelijke titel aanwezig is. Ook is niet duidelijk of de hulpofficier van justitie wel bevoegd was de machtiging af te geven, nu ingevolge het tweede lid van artikel 565 WvSv deze bevoegdheid in bepaalde gevallen alleen toekomt aan de officier van justitie. Er is zodoende gebruik gemaakt van een onrechtmatige machtiging, met als gevolg dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. In reactie op dit verweer van de raadsman heeft de officier van justitie nog gesteld dat de machtiging tot binnentreden correct is en dat er geen sprake is (geweest) van onrechtmatig binnentreden. 3.2 Het oordeel van de rechtbank Inleiding Op 15 mei 2009 treedt de politie binnen in de woning van verdachte in Heerlen, omdat de politie de vermiste minderjarige [M.V.] wil aanhouden. Eenmaal binnen treft de politie op de zolder van de woning een hennepplantage aan. De politie neemt in totaal 267 hennepplanten en de kweekapparatuur in beslag. De genomen monsters van de planten testen positief op THC, zijnde het werkzame bestanddeel aanwezig in hennep. Onderzoek aan onder andere het koolstoffilter (donkere verkleuring) en de gebruikte bloempotten (kalkranden) levert sterke aanwijzingen op dat er sprake is geweest van meerdere oogsten. Vervolgens treft de politie ook in de garage een inrichting aan voor het telen van hennep. Naast de gebruikelijke apparatuur, die in beslag is genomen, worden er 133 bloempotten aangetroffen met daarin afgeknipte plantensteeltjes, die naar hennep ruiken. Ook bij de inrichting in de garage vindt de politie sterke aanwijzingen dat er vaker is geoogst (onderzoek aan het koolstoffilter en kalkafzettingen op het folie en de bloempotten). Verdachte heeft bij de politie erkend dat zij gedurende ongeveer twee jaar met haar man hennep heeft geteeld, zowel op zolder als in de garage. Volgens verdachte ging het om in totaal ongeveer 17 oogsten. Beoordeling De rechtbank ziet geen aanleiding om in de onderhavige zaak bewijs uit het dossier buiten beschouwing te laten, omdat het onrechtmatig verkregen zou zijn. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de bewoordingen van het proces-verbaal van 29 mei 2010, in combinatie met de inhoud van de machtiging tot binnentreden, duidelijk blijkt dat de verwijzing naar de aanhouding van [medeverdachte] een kennelijke verschrijving is en dat hier de aanhouding van [M.V.] bedoeld wordt. De rechtbank zal aan deze verschrijving geen gevolgen verbinden. Ten aanzien van de rechtmatigheid van de machtiging tot binnentreden overweegt de rechtbank dat een machtiging ex artikel 565 van het WvSv niet alleen ziet op de executie van rechterlijke bevelen en vonnissen, maar ook op de executie van bevelen van/door het openbaar ministerie, waaronder begrepen de aanhouding van voortvluchtigen. Uit het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen blijkt dat er aangifte van vermissing van de minderjarige [M.V.] is gedaan en dat naar aanleiding hiervan een zogenoemde OAT is opgemaakt. Dit kan bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat bij de aangifte het verzoek is gedaan tot “Opsporen, Aanhouden en Terugbrengen” van die [M.V.]. Op grond hiervan kan [M.V.] als voortvluchtige worden aangemerkt en is de machtiging terecht gebaseerd op artikel 565 WvSv. Rest de vraag of de hulpofficier van justitie bevoegd was deze machtiging af te geven. Anders dan de raadsman stelt, is hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van de in het tweede lid van artikel 565 WvSv bedoelde bevoegdheid ter vaststelling van de verblijfplaats van de voortvluchtige, maar van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid tot het binnentreden hiervan. De bevoegdheid tot afgeven van de machtiging komt daarom in de onderhavige zaak zonder verdere beperking toe aan zowel de officier van justitie als aan de hulpofficier. Het verweer wordt derhalve verworpen. Gelet op de bij de inleiding weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank derhalve de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 3 merkt de rechtbank op dat er weliswaar aangifte is gedaan door [benadeelde partij] terzake van diefstal van energie, maar uit deze aangifte blijkt niet dat er ook daadwerkelijk energie/elektriciteit is weggenomen. Nu verdachte heeft ontkend dat zij op enige wijze stroom heeft gestolen, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor feit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.