RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht parketnummer: 03/703910-07 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 februari 2011 in de strafzaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboortegegevens verdachte], wonende te [adresgegevens verdachte]. Raadsvrouwe is mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 februari 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: zijn vingers in de vagina van zijn stiefdochter heeft gebracht, terwijl zij nog geen twaalf jaar oud was; Feit 2: zijn vingers in de vagina van zijn stiefdochter heeft gebracht, terwijl zij ouder dan twaalf, maar jonger dan zestien jaar was; Feit 3: ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter danwel buiten echt ontucht heeft gepleegd met iemand beneden de zestien jaar; Feit 4: zijn vingers in de vagina van zijn andere stiefdochter heeft gebracht, terwijl zij nog geen twaalf jaar oud was. 3 De voorvragen Het beroep op de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsvrouwe heeft primair bepleit het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren. Er zijn dermate grote schendingen van een behoorlijke procesorde geweest dat er sprake is van een vormverzuim. Haar voorgangster, mr. H., had al gewezen op grote discrepanties tussen de geluidsbanden en de uitgewerkte verhoren van de beide aangeefsters en de sturende rol die de verhorende verbalisanten bij de verhorende rol hebben gehad. Dat was de reden voor haar om te verzoeken tot een deskundigenonderzoek van de betrouwbaarheid van verklaringen van de aangeefsters. Uit het rapport van de deskundige [H.] blijkt dat de verbalisanten onzorgvuldig en onprofessioneel hebben gehandeld. Zo zijn er discrepanties tussen de geluidsbanden van de verhoren en de uitgewerkte verhoren, hebben verbalisanten suggestieve en sturende vragen gesteld en waren de verbalisanten vooringenomen. Reeds hierom dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarnaast is de verdediging ondanks uitdrukkelijke verzoeken daartoe niet toegelaten tot de nadere verhoren van getuigen en aangeefsters bij de politie, tot welke verhoren de rechtbank opdracht had gegeven. Er zijn toen geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat het belang van de potentiële slachtoffers zwaarder diende te wegen dan het verdedigingsbelang. Het verdedigingsbelang is hierdoor dermate geschonden dat is voldaan aan het Zwolsman-criterium en het openbaar ministerie ook daarom niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. De officier van justitie heeft aangevoerd dat, hoewel er sprake is van ondermaatse en/of onzorgvuldige verhoren, het openbaar ministerie toch ontvankelijk in de vervolging is, nu er geen sprake is van bewuste misleiding door verbalisanten. De rechtbank komt tot navolgende bevindingen. Door de deskundige [H.] is een rapport opgesteld met betrekking tot, kort weergegeven, de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters. Uit dit rapport blijkt dat er vele manco’s zitten aan deze verhoren. Het gaat dan om de fouten zoals de verdediging bij pleidooi heeft genoemd. De rechtbank schaart zich achter deze bevindingen. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het onderzoek niet volgens de regels der kunst is geschied. Nergens heeft de rechtbank echter enige aanwijzing kunnen vinden dat een en ander opzettelijk is gedaan met het oogmerk om verdachte in zijn belangen te schaden. Aan het zogenaamde Zwolsman-criterium is dan ook niet voldaan. Het feit dat de raadsvrouwe van verdachte niet is toegelaten tot de nadere verhoren van getuigen en aangeefsters bij de politie is nog geen grond om enkel daarom het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren. De conclusie is dan ook dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd. Het rapport van de deskundige [H.] geeft aan dat verbalisanten de aangeefsters ondermaats verhoord hebben en dat er verschillen zitten tussen hetgeen op de bandopname is te beluisteren en is uitgewerkt op papier. Verder is er in het dossier geen steunbewijs te vinden voor de verklaringen van aangeefsters, terwijl verdachte consequent ontkent. Aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor al hetgeen ten laste is gelegd, dient verdachte te worden vrijgesproken. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouwe heeft subsidiair vrijspraak bepleit. Uit het rapport van de deskundige [H.] blijkt dat aangeefsters op ondeskundige wijze zijn gehoord en de aangiftes vaag en niet consistent zijn en ook inhoudelijk niet kloppen. Tevens is er geen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefsters. Hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd kan daardoor niet wettig en overtuigend worden bewezen en verdachte dient dus te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank In zaken van seksueel misbruik ziet de rechtbank zich vaak geplaatst voor bewijsproblemen. Dat komt omdat bij dergelijke delicten doorgaans alleen het slachtoffer en de dader aanwezig zijn. Indien de verdachte dan ontkent ontstaat er een situatie van één tegen één. Ook in deze zaak is dat aan de orde. De rechtspraak kan in dergelijke zaken toch tot een veroordeling komen door de regels van het bewijsminimum zo uit te leggen dat met slechts een zeer beperkte vorm van steunbewijs kan worden volstaan. Omdat de rechter echter ook de overtuiging moet hebben dat het feit is gepleegd, zal dat alleen kunnen als de verklaring van de aangever boven iedere twijfel is verheven. In dit geval moet de rechtbank vaststellen dat door de manier waarop de aangeefsters zijn verhoord dat niet meer het geval is Er wordt in de aangiftes weinig in detail gesproken, de vragen zijn vaak leidend van aard en de verbalisanten blijken vanaf het begin overtuigd te zijn van de schuld van de verdachte, wat de vraag oproept of wel voldoende kritisch is gerechercheerd. Daarnaast bevat het dossier geen steunbewijs om de vraagtekens die de aangiftes onbeantwoord laten in te vullen. Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat er zo veel ruimte voor twijfel blijft dat zij niet in staat is om met de in rechte vereiste mate van zekerheid vast te stellen dat verdachte de hem verweten feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen hem is tenlastegelegd. 5 De benadeelde partij De benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] en [naam benadeelde partij 2] vorderen een voorschot op hun schadevergoeding ter grootte van € 5.000,- terzake van de feiten 1 tot en met 3 respectievelijk terzake van feit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.