RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht parketnummer: 03/700346-10 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 april 2011 in de strafzaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboortegegevens verdachte], thans verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Maastricht. Raadsman is mr. A.F.G. Pennino, advocaat te Kerkrade, vergezeld van mr. N.C. Quindt, advocate te Kerkrade. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 maart 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is, zoals deze luidt na wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [naam slachtoffer] - al dan niet met voorbedachten rade - heeft gedood dan wel dat hij heeft geprobeerd om [naam slachtoffer] - al dan niet met voorbedachten rade - te doden. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade zijn moeder [naam slachtoffer] heeft gedood door met een mes in haar nek, keel en borst te steken. Volgens de officier van justitie is er sprake van een causaal verband tussen de door verdachte toegebrachte messteken en het overlijden van het slachtoffer [naam slachtoffer] enkele weken na het steekincident. Zij spreekt van een cascade van gebeurtenissen die uiteindelijk tot de dood hebben geleid. Volgens de officier van justitie kan - op grond van de bevindingen en conclusies van de patholoog-anatoom - de dood van het slachtoffer [naam slachtoffer] redelijkerwijs worden toegerekend aan verdachte. Zij verwijst in dit naar de jurisprudentie van de Hoge Raad (arrest van 13 juni 2006, LJN AV8535 en NJ 2007, 48). Uit de verklaring van verdachte volgt dat verdachte de opzet had om zijn moeder te doden. Voor wat betreft de voorbedachten rade van verdachte verwijst de officier van justitie naar de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, waaruit volgt dat verdachte in de ochtend van 1 juli 2010 al aan zijn moeder heeft aangeboden om haar van het leven te beroven. Voorts volgt uit de verklaring van het slachtoffer [naam slachtoffer] dat verdachte ten tijde van het steekincident tegen haar heeft gezegd: “nou zo bent u bevrijd”. De verdachte heeft volgens de officier van justitie dan ook na kalm beraad en rustig overleg de beslissing genomen om zijn moeder om het leven te brengen. Daaraan doet de psychische gesteldheid van verdachte niet af. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat verdachte van zowel het primaire als het subsidiaire feit dient te worden vrijgesproken; subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Volgens de verdediging is er geen sprake van causaal verband tussen het toebrengen van de messteken van verdachte aan [naam slachtoffer] en haar overlijden. De verdediging stelt daartoe dat niet inzichtelijk is hoe de patholoog-anatoom aanvankelijk - naar aanleiding van de sectie op [naam slachtoffer] - kon concluderen dat de messteken niet haar overlijden hadden veroorzaakt en hoe zij later tot die conclusie is kunnen komen dat dit wel het geval is. Bovendien was [naam slachtoffer] na 1 juli 2010 steeds verdergaand hersteld, welk herstel volgens de verdediging onvoldoende is gedocumenteerd. Voorts blijft onduidelijk of de medische behandeling van invloed is geweest op de algehele conditie van [naam slachtoffer]. De verdediging stelt dan ook dat causaal verband niet is aangetoond, nu er twijfel blijft bestaan over de doodsoorzaak van [naam slachtoffer]. De verdediging doet in dit kader het voorwaardelijk verzoek om, indien de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van causaal verband, de patholoog-anatoom ter zitting te bevragen over haar onderzoek en conclusies. Voorts stelt de verdediging dat er geen sprake is van voorbedachten rade. Verdachte heeft zich ’s middags wezenlijk anders jegens zijn moeder gedragen dan toen hij ’s ochtends aan zijn moeder aanbood haar te verdrinken; verdachte was ’s middags in paniek en buiten zichzelf geraakt. Verdachte was in die periode volledig ontoerekeningsvatbaar. Volgens de verdediging zat er tussen het pakken van het mes en het steken van [naam slachtoffer] onvoldoende tijd voor verdachte om zijn wil te kunnen bepalen. Er kan onvoldoende worden gesteld dat sprake is geweest van het nemen van een weloverwogen besluit om [naam slachtoffer] doelbewust van het leven te beroven en van enig nadenken over en zich rekenschap geven van de betekenis en de gevolgen van deze voorgenomen daad. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding Op 1 juli 2010 omstreeks 22:45 uur ontving de politie een melding om ter plaatse te gaan op het adres [adres] te Maastricht. Nadat de politie de voordeur van deze woning had geforceerd, zagen verbalisanten direct bij binnenkomst een gedeeltelijk ontklede en nog in leven zijnde vrouw op de onderste treden van de trap zitten. Deze vrouw, naar later bleek mevrouw [naam slachtoffer], was geheel bedekt met bloed en bloedsporen. Gezien vanuit de hal, lag aan de rechterzijde van de deuropening een mes op de grond. Dit mes lag aan de rand van de bloedplas en er zat bloed aan het mes. Verbalisanten zagen dat de toiletdeur openstond en dat er op de vloer en op en in de toiletpot bloed lag. Bij het betreden van de woonkamer zagen verbalisanten grote bloedplassen op de vloerbedekking. Zij zagen tevens een man, naar later bleek verdachte, op zijn buik in de woonkamer liggen. Zowel [naam slachtoffer] als verdachte werden naar het ziekenhuis te Maastricht vervoerd. [naam slachtoffer] bleek drie steekwonden in haar nek/keel en het borstbeen te hebben. De luchtweg was niet doorgestoken. [naam slachtoffer] werd in het ziekenhuis geopereerd aan haar keel. De politie heeft [naam slachtoffer] in het ziekenhuis gehoord als getuige. Zij heeft toen verklaard dat verdachte op 1 juli 2010 ruzie heeft gehad met de heer [S.] van de Mondriaan Zorggroep - locatie Vijverdal-, waardoor verdachte in de loop van de dag alsmaar kwader en kwader werd. Toen [naam slachtoffer] op het toilet zat, kwam verdachte met een vaart op haar af en zei hij tegen haar: “Zo is alles opgelost”, waarna hij haar stak. Toen [naam slachtoffer] op de wc zat, zei verdachte bovendien: “Nou, zo bent u bevrijd”. Op 22 augustus 2010 werd [naam slachtoffer] omstreeks 17:00 dood in haar ziekenhuisbed aangetroffen. De verklaring van verdachte Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ’s ochtends op 1 juli 2010 een bak met water had klaargezet om zijn moeder, [naam slachtoffer], een zachte verdrinkingsdood aan te bieden. Volgens verdachte heeft zij dat geweigerd, omdat zij enerzijds niet wilde dat hij naar de gevangenis zou gaan en anderzijds omdat zij geweten zou hebben dat verdachte zichzelf daarna van het leven zou beroven. In de middag van 1 juli 2010 kwam de heer [S.] van de Mondriaan Zorggroep bij verdachte en [naam slachtoffer] langs. Verdachte heeft de heer [S.] de deur gewezen. Verdachte voelde zich hierna opgewonden en bedreigd. Verdachte was naar eigen zeggen in paniek, omdat hij wist dat de hulpverlening een einde aan de leefsituatie van hemzelf en moeder zou gaan maken. Volgens verdachte leek het alsof een ander het op de middag van 1 juli 2010 van hem overnam. Hij was die middag niet dezelfde man als de man die hij ’s ochtends was. Verdachte heeft verklaard dat hij op een gegeven moment eerst zijn moeder heeft neergestoken en daarna zichzelf. Het mes had hij uit een lade in de woonkamer gehaald, waar het altijd lag. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren hoe vaak hij heeft gestoken. Volgens verdachte heeft hij zijn moeder uit liefde neergestoken, omdat hij wilde dat ze dood ging en dat niemand meer aan haar kwam of haar iets kon aandoen. Bevindingen van de patholoog-anatoom Omdat de forensisch deskundige van de GGD Zuid-Limburg de doodsoorzaak niet duidelijk achtte, adviseerde deze nader onderzoek in de vorm van een gerechtelijke sectie. De arts-patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe heeft, na het stellen van een voorlopige conclusie, om inzage in het medisch dossier van [naam slachtoffer] verzocht. Naar aanleiding van deze inzage heeft zij haar definitieve rapport opgesteld. Uit het pathologie onderzoek naar het overlijden van [naam slachtoffer] volgt dat [naam slachtoffer] tengevolge van steekletsel in het ziekenhuis werd opgenomen. Tijdens sectie werd aan de borstkast links een vrijwel horizontaal verlopende, scherprandige huidperforatie ter lengte van 3,3 centimeter aangetroffen. Voorts was er in de linker middelste oksellijn, net onder de linkeroksel, een schuin verlopend streepvormig recent gevormd litteken ter lengte van 1,5 cm en in de halslaag linksvoor een schuin verlopend streepvormig recent litteken ter lengte van 2 cm. Midden aan de borst was, tussen de twee borstklieren in, een onregelmatig litteken met centraal oppervlakkige huidbeschadiging, imponerend als recent, ontstaan. In relatie met dit letsel was er in de diepte een traject vervolgbaar over circa 3 cm, verlopend van voet- naar hoofdwaarts, iets schuin van links naar rechts, eindigend in bloeduitstorting in de voorste rompwandspier. Er was geen perforatie van de borstkas en er waren dus geen vitale organen in dit traject aanwezig. In relatie met de andere letsels waren evenmin perforaties van de vitale organen. Voor zover te beoordelen waren deze letsels alleen gerelateerd met het onderliggende huid, spier- en vetweefsel. Als verwikkelingen heeft [naam slachtoffer] een hartinfarct, ontstekingen en bloedvergiftiging ontwikkeld. Deze werden bij sectie bevestigd. Er waren tekenen van oude infarcering van het hart (circa 2 tot 8 weken vóór het overlijden ontstaan) en tekenen van recent doorgemaakt zuurstofgebrek. Ook werden behoudens een te zwaar hart ook ernstige ziekelijke afwijkingen aan de kransslagaders en het hart vastgesteld. Voorts werd bij sectie een dubbelzijdige longontsteking vastgesteld en werden tekenen van bloedvergiftiging gevonden. Het intreden van de dood wordt verklaard door ziekelijke afwijkingen namelijk hartfunctiestoornissen, algehele weefselschade door dubbelzijdige longontsteking en bloedvergiftiging, elk op zich dan wel in combinatie. Deze ziekelijke afwijkingen waren in het ziekenhuis ontwikkeld als verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig mechanisch perforerend geweld. De ene ziekelijke afwijking kan het andere versterkt of uitgelokt hebben. De patholoog-anatoom concludeert ten slotte dat bij sectie op het lichaam van [naam slachtoffer] het intreden van de dood wordt verklaard door ziekelijke afwijkingen die in het ziekenhuis waren ontwikkeld als verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig mechanisch perforerend geweld. Causaliteit De beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen de door de verdachte aan [naam slachtoffer] toegebrachte messteken en de dood van [naam slachtoffer], moet gebeuren aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van het toebrengen van die messteek aan de verdachte kan worden toegerekend. In onderhavige zaak staat vast dat verdachte aan [naam slachtoffer] een aantal messteken heeft toegebracht. De patholoog-anatoom heeft in haar voorlopige bevindingen aangegeven dat niet vastgesteld kan worden dat de messteken rechtstreeks tot de dood van [naam slachtoffer] hebben geleid, maar dat het mogelijk is dat stressfactoren, de vele complicaties tijdens de ziekenhuisopnamen met verslechtering van de algehele toestand en eventuele bloedvergiftiging een bijdrage hebben geleverd aan het fatale hartfinfarct. Na kennisneming van medische gegevens van het AZM Maastricht heeft de patholoog-anatoom in haar definitieve rapport geconcludeerd dat het intreden van de dood, 7 weken nadat deze messteken [naam slachtoffer] waren toegebracht, wordt verklaard door ziekelijke afwijkingen die in het ziekenhuis waren ontwikkeld als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig mechanisch perforerend geweld. Zo begrepen bestaat er volgens de rechtbank geen onduidelijkheid over de rapportages van de patholoog-anatoom. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen noodzaak bestaat om de patholoog-anatoom terzake te horen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de verdediging tot het horen van de patholoog-anatoom af. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank een dusdanig verband tussen de messteken door verdachte toegebracht, de daardoor ontstane complicaties én de dood van [naam slachtoffer] dat haar dood redelijkerwijs als gevolg van het toebrengen van de messteken aan verdachte kan worden toegerekend. Voorbedachten rade De vraag die nu beantwoord moet worden is of verdachte handelde met voorbedachten rade. Voorbedachte rade wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg voorafgaand aan de uitvoering van het feit. Kalm beraad en rustig overleg dient niet zozeer gezien worden als handelen in koelen bloede maar meer als het tegenovergestelde van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die de dader als het ware onvoorbereid treft en hem brengt tot een onmiddellijk gevolgde daad. Voor voorbedachte rade kan een tijdsbestek van enkele seconden voldoende zijn. Alleen al gelet op het feit dat verdachte, nadat hij het mes uit een lade in de woonkamer heeft gepakt en vervolgens enkele meters is gelopen naar zijn moeder op het toilet - hetgeen kan worden afgeleid uit de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting - kan geen sprake zijn geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die verdachte onvoorbereid trof. Vanaf het het moment van het pakken van het mes en het toesteken, zijn er verschillende momenten geweest, bijvoorbeeld tijdens het overbruggen van de enkele meters tussen de plek waar het mes lag en het toilet, waarop verdachte de tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit. Er is voldoende gelegenheid geweest om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte heeft op geen enkel moment afgeweken van zijn kennelijke voornemens. Sterker nog, verdachte heeft nog tegen zijn moeder gezegd, terwijl zij zich nog op het toilet bevond: “Zo is alles opgelost” en “Nou, zo bent u bevrijd”. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij in de ochtend van 1 juli 2010 zijn moeder reeds de verdrinkingsdood had aangeboden. Het oordeel van psychiater E.M.M. Mol en van klinisch psycholoog drs. C. Clarijs inhoudende - kort gezegd - dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, sluit niet uit dat sprake is geweest van voorbedachten rade. Ook iemand die volledig ontoerekeningsvatbaar is, kan immers planmatig te werk gaan (Hoge Raad 5 februari 2008, NJ 2008, 97). Het verweer van de raadsman dat verdachte zich geen rekenschap heeft kunnen geven van de gevolgen van zijn daad, wordt dan ook verworpen. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd. De rechtbank acht dan ook het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 01 juli 2010 in de gemeente Maastricht opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte toen aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, die [naam slachtoffer] meermalen in de nek en in de borst en het bovenlichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] op 22 augustus 2010 is overleden. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid 4.1 De strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: moord Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 4.2 De strafbaarheid van verdachte Ten aanzien van verdachte is door drs. C. Clarijs, klinisch psycholoog, een psychologisch onderzoek Pro Justitia verricht. Van dit onderzoek heeft deze een rapport opgemaakt, gedateerd 4 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.