RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht parketnummer: 03/702990-11 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 december 2011 in de strafzaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats en datum verdachte], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 november 2011. Tegen de verdachte is verstek verleend. De officier van justitie heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: [naam slachtoffer 1]heeft opgelicht; Feit 2: sieraden van [naam slachtoffer 1]heeft gestolen; Feit 3: [naam slachtoffer 2]heeft opgelicht; Feit 4: [naam slachtoffer 3]heeft opgelicht; Feit 5: [naam slachtoffer 4]heeft opgelicht dan wel een personenauto heeft verduisterd; Feit 6: [naam slachtoffer 5]heeft opgelicht dan wel een personenauto heeft verduisterd; Feit 7: [naam slachtoffer 6] heeft opgelicht; Feit 8: geld heeft gestolen door gebruik te maken van een niet aan hem toebehorende bankpas. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke [omissies] voorkomen, zijn deze door de rechtbank verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Bij de feiten 5 en 6 kunnen de primair tenlastegelegde feiten bewezen worden. De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat aangeefster [naam slachtoffer 1]voor € 40.000,- werd opgelicht door verdachte, doordat hij deed alsof hij een beleggingsfonds had gecreëerd. Verdachte maakte zogenaamd enkele maanden rente over naar [naam slachtoffer 1], om zijn verhaal geloofwaardig te laten lijken. Bij feit 2 heeft verdachte € 220.000,- aan sieraden gestolen. Hoewel verdachte dit feit heeft ontkend, bevinden zich in het dossier twee belastende verklaringen van aangeefster [naam slachtoffer 1] en [P.]. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte zijn collega [naam slachtoffer 2] heeft opgelicht voor een bedrag van € 1.000,-. Bij feit 4 heeft verdachte gedurende een lange periode zijn partner [naam slachtoffer 3] opgelicht. De officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten 5 en 6 naar voren gebracht dat verdachte zich heeft voorgedaan als betrouwbare huurder door leugenachtige verhalen te vertellen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de primair tenlastegelegde oplichting niet bewezen kan worden, dan kan de subsidiair tenlastegelegde verduistering wel bewezen worden. Bij feit 7 heeft verdachte opgelicht door leugens te vertellen. Ten aanzien van feit 8 heeft de officier van justitie ten slotte aangevoerd dat verdachte valselijk gebruik heeft gemaakt van een bankpas. 3.2 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1: Onder feit 1 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij [naam slachtoffer 1]heeft opgelicht. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van: - de bekennende verklaring van verdachte zoals blijkt uit het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 september 2011, pagina 282; - het proces-verbaal van aangifte [naam slachtoffer 1]d.d. 24 augustus 2010, pagina 194 en 199 (bijlage). Ten aanzien van feit 2: Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij sieraden heeft gestolen van [naam slachtoffer 1]. [naam slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van diefstal van haar sieraden. Deze sieraden lagen in de kluis van haar dochter genaamd [P.]. [P.] heeft bevestigd dat de sieraden van haar moeder bij haar thuis in de kluis lagen. Zij heeft bovendien verklaard dat verdachte op de hoogte was van de code van de kluis. Ze heeft de relatie met verdachte beëindigd op 31 juli 2010. Verdachte heeft toen een sporttas gepakt en is naar de slaapkamer gegaan. De dag erna trof ze de kluisdeur geopend aan, terwijl de sluitpinnen er nog uit staken, en de sieraden waren weg. Zowel [naam slachtoffer 1] als [P.] vermoeden dat verdachte de sieraden uit de kluis heeft gestolen. Verdachte heeft echter ontkend de sieraden gestolen te hebben. Op grond van de verklaringen van [naam slachtoffer 1] en [P.] stelt de rechtbank vast dat er sieraden uit een kluis zijn verdwenen. De rechtbank kan op grond van voornoemde verklaringen echter niet vaststellen dat verdachte de sieraden zou hebben gestolen. Er is, buiten de verklaring van [P.] dat verdachte met een sporttas op de slaapkamer is geweest op de dag vóór de ontdekking van de diefstal en de vermoedens van [naam slachtoffer 1] en [P.], geen enkel direct bewijs dat verdachte degene is, die de sieraden heeft gestolen. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van feit 2. Ten aanzien van feit 3: Onder feit 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij [naam slachtoffer 2]heeft opgelicht. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit feit als volgt. [naam slachtoffer 2]heeft in zijn aangifte verklaard dat hij zijn auto aan een garagebedrijf verkocht had. Aangezien zijn auto schade had, werd door het garagebedrijf een schadeclaim ingediend bij de verzekering. Het schadebedrag van ongeveer € 1.650,- werd abusievelijk uitbetaald aan [naam slachtoffer 2] in plaats van aan het garagebedrijf. Verdachte, [naam slachtoffer 2]’ leidinggevende bij de MTB, bood aan om een en ander voor [naam slachtoffer 2] te regelen. Dat gebeurde op het werk, bij MTB te Maastricht. [naam slachtoffer 2] ging hiermee akkoord. Medio juli 2010 zei verdachte tegen [naam slachtoffer 2] dat hij € 1.000,- moest betalen en dan zou hij van alles af zijn. Verdachte zei dat hij het geld zou voorschieten en [naam slachtoffer 2] kon verdachte dan in termijnen terugbetalen. Later vertelde hij tegen [naam slachtoffer 2] dat hij € 1.000,- aan het deurwaarderkantoor had overgemaakt en dat [naam slachtoffer 2] van alles af was. [naam slachtoffer 2] betaalde vervolgens € 1.000,- in twee termijnen van € 500,- terug aan verdachte. De eerste betaling vond in dezelfde week plaats. Bij de overdracht van het geld was zijn collega [F.] aanwezig. De tweede betaling vond plaats in september 2010. Op 7 oktober 2010 kwam de deurwaarder bij [naam slachtoffer 2] langs. Verdachte bleek niets geregeld te hebben. Getuige [F.], een collega van [naam slachtoffer 2], heeft eveneens verklaard dat verdachte tegen [naam slachtoffer 2] zei dat als [naam slachtoffer 2] € 1.000,- aan het garagebedrijf zou betalen, alles geregeld zou zijn en dat verdachte aanbood om dit bedrag voor te schieten. [naam slachtoffer 2] betaalde het bedrag in twee termijnen van € 500,- terug aan verdachte. [naam slachtoffer 2] vertelde hem de eerste keer dat hij € 500,- aan verdachte had betaald. [F.] was getuige van de overdracht van de tweede € 500,-. Deze overdracht vond plaats in Malberg (Maastricht). Verdachte heeft verklaard dat hij [naam slachtoffer 2] kent en dat dit een collega van hem was. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [naam slachtoffer 2] en [F.], hoewel deze op onderdelen verschillen, elkaar op essentiële punten ondersteunen. Op basis van deze verklaringen kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [naam slachtoffer 2] in twee termijnen € 1.000,- aan verdachte heeft gegeven, omdat deze dat bedrag zou hebben voorgeschoten en verdachte hem had verteld dat daarmee alles met de schuldeiser geregeld zou zijn. Deze toezegging van verdachte bleek achteraf gelogen te zijn. [naam slachtoffer 2] werd later namelijk geconfronteerd met een deurwaarder vanwege de nog steeds openstaande schuld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam slachtoffer 2] heeft opgelicht. Ten aanzien van feit 4: Verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd dat hij [naam slachtoffer 3]heeft opgelicht. Aangeefster [naam slachtoffer 3], wonende aan het [adres], heeft ten overstaan van de politie verklaard dat zij een relatie kreeg met verdachte. Begin oktober 2010 besloten zij om samen een huis te kopen. Medio oktober 2010 vonden zij een huis te Maastricht. Verdachte bood aan om alle zaken omtrent de aankoop van het huis te regelen. Op 22 oktober 2010 werd de koopakte van het huis getekend. Het huis zou opgeleverd worden op 29 november 2010, maar door omstandigheden werd dit tot vier keer toe uitgesteld tot 31 december 2010. Verdachte had steeds andere redenen waarom de oplevering uitgesteld moest worden. Verdachte vertelde aan [naam slachtoffer 3] dat hij bij mensen langs was geweest en afspraken had gemaakt. Dit bleek echter niet waar te zijn. Verdachte vertelde tegen [naam slachtoffer 3] dat hij een groot eigen vermogen had van € 400.000,-. Omdat hij de hypotheek niet rond kreeg voor die datum (de rechtbank begrijpt: de opleveringsdatum van 31 december 2010), zou hij dat met zijn eigen vermogen betalen. [naam slachtoffer 3] zou zich dan later inkopen. Ook vertelde verdachte dat hij een erfenis had gekregen van zijn vader en dat zijn moeder, welke op sterven lag, hem geld had gegeven. [naam slachtoffer 3] ging in de periode tussen het tekenen van de koopakte en de oplevering van het huis over tot de aankoop van spullen die later in de hypotheek meegenomen zouden worden. Zij kocht onder andere een keuken ter waarde van € 12.500,- en meubels ter waarde van € 6.000,-. [naam slachtoffer 3] en verdachte werden bij vonnis van rechtbank Maastricht d.d. 23 februari 2011 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de kosten, welke de verkopers van de woning hadden gemaakt. Daarnaast heeft keukenbedrijf Siematic een vordering op [naam slachtoffer 3] en verdachte. Daarnaast betaalde [naam slachtoffer 3] andere zaken voor verdachte, waaronder de huur van een appartement ad € 600,- en hotelovernachtingen ad € 550,-. Verdachte woonde bovendien vanaf 31 juli 2010 drie maanden bij [naam slachtoffer 3] in. In die periode betaalde [naam slachtoffer 3] alle uitgaven voor verdachte. Ook nam verdachte een telefoonabonnement over van een zoon van [naam slachtoffer 3]. Hij gaf [naam slachtoffer 3] een rekeningnummer waarvan de abonnementskosten afgeschreven konden worden. Op 5 april 2011 ontving [naam slachtoffer 3] incasso’s van het telecombedrijf. Het rekeningnummer van verdachte bleek niet te kloppen. [naam slachtoffer 3] draaide nu op voor de telefoonkosten ad € 1.200,- en verdachte bleek in het geheel niet draagkrachtig te zijn. Achteraf is gebleken dat de verhalen die verdachte vertelde over zijn draagkracht en daarmee samenhangende omstandigheden niet juist waren. Nadat verdachte de woning van [naam slachtoffer 3] had verlaten, heeft [naam slachtoffer 3] verdachte in mei 2011 opgezocht op zijn nieuwe woonadres om hem op zijn financiële verplichtingen te wijzen. In een gesprek met verdachte heeft zij gezegd dat ze € 40.000,- van hem wilde hebben voor de keukeninrichting en de kosten voor het ondertekenen van de koopakte. Verdachte tekende een schuldbekentenis. [M.] en [W.] (de rechtbank begrijpt: getuige [T.]) waren getuigen van dit gesprek en het opmaken van de schuldbekentenis. De getuigen [M.] en [T.] hebben bevestigd dat er een gesprek plaatsvond tussen [naam slachtoffer 3] en verdachte en dat verdachte een schuldbekentenis opstelde. Verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment, na 10 september 2010, in de woning aan het [adres] verbleef. Ook gaf hij het adres [adres] op bij het opstellen van een huurovereenkomst van een auto op 10 september 2010. De gehuurde auto werd op 21 oktober 2010 ook op dit adres aangetroffen. In het dossier bevinden zich verder de aangiften van andere vrouwen, onder wie genoemde [P.], [H.] en [C.]. Ook zij hadden een (vriendschappelijke) relatie met verdachte. Verdachte spiegelde hen soortgelijke verhalen voor, waarna zij overgingen tot afgifte van geld. De verhalen die hij hen vertelden bleken gelogen te zijn. Gelet op de verklaring van [naam slachtoffer 3], de door haar betaalde nota’s en de vorderingen welke nog niet betaald werden, stelt de rechtbank vast dat [naam slachtoffer 3] geld heeft betaald ten behoeve van verdachte en dat zij schulden heeft gemaakt ten behoeve van onder meer de inrichting van het door haar en verdachte gekochte huis. De verklaring van [naam slachtoffer 3] dat zij schulden heeft gemaakt wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [M.] en [T.] en de schuldbekentenis welke door verdachte werd opgesteld. Hiermee verklaart verdachte immers dat hij de schulden (deels) op zich neemt. Verdachte werd bovendien door [naam slachtoffer 3] onderhouden nu hij bij haar inwoonde in de periode van 31 juli 2010 tot en met oktober 2010, waarvan de laatste maand valt in de tenlastegelegde periode. Dat verdachte bij [naam slachtoffer 3] inwoonde, wordt ondersteund door de verklaring van verdachte en het feit dat verdachte het adres van [naam slachtoffer 3] opgaf bij het aangaan van een huurovereenkomst van een auto. Ook stond de gehuurde auto van verdachte bij [naam slachtoffer 3] voor de deur. Deze omstandigheden hebben betrekking op de periode vanaf 10 september 2010 tot en met 21 oktober 2010. Op grond van de verklaring van [naam slachtoffer 3] stelt de rechtbank voorts vast dat zij tot afgifte van geld en het aangaan van schulden is overgegaan doordat verdachte haar - in strijd met de waarheid - een beeld voorhield van een toekomst waarin zij zich geen zorgen hoefde te maken over de financiële afhandeling van de door haar gemaakte kosten en de (mede) door haar en ten behoeve van hen beiden aangegane schulden. De rechtbank stelt vast dat in het dossier verschillende aangiften zijn opgenomen, te weten van onder andere [P.], [H.] en [C.], waaruit blijkt dat zij op dezelfde wijze als aangeefster [naam slachtoffer 3] door verdachte zijn benaderd. De rechtbank begrijpt hieruit dat verdachte er kennelijk een gewoonte van maakte om (vriendschappelijke) relaties aan te gaan en door het vertellen van leugens vervolgens geld afhandig maakte van degene van wie hij het vertrouwen had gewonnen. De rechtbank is [voorts van oordeel] dat verdachte door het voorhouden van leugens wederrechtelijk financieel voordeel heeft genoten. Dat verdachte ook deels samen met [naam slachtoffer 3] schulden aanging, doet hier niet aan af. De rechtbank maakt uit het voorgaande namelijk op dat verdachte met het aangaan van de schulden heeft willen bewerkstelligen dat [naam slachtoffer 3] geloof hechtte aan de oprechtheid van zijn bedoelingen en dat zij hem daarom in huis wilde houden en voor hem kosten wilde blijven maken. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte [naam slachtoffer 3] heeft opgelicht. Ten aanzien van feit 5: Onder feit 5 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij [naam slachtoffer 4] heeft opgelicht dan wel dat hij een aan [naam slachtoffer 4.]toebehorende auto heeft verduisterd. De rechtbank overweegt als volgt. [L.] deed aangifte wegens oplichting namens de benadeelde [naam slachtoffer 4] te Maastricht. Zij verklaarde ten overstaan van de politie dat verdachte op 10 september 2010 namens de MTB een personenauto huurde voor de duur van een week. Verdachte haalde de auto, een Citroen C4 met kenteken [nummer kenteken], zelf op. Nadat de auto na een week niet was teruggebracht, werd contact opgenomen met de MTB. Een medewerker van de MTB vertelde dat niets bekend was over de huur van een auto. Verdachte bleek bovendien al enige tijd ziek te zijn. Namens [naam slachtoffer 4]werd contact opgenomen met verdachte. Hij zei toe het huurcontract te komen wijzigen en de huurtermijn en het eigen risico te komen betalen. Dit heeft hij echter niet gedaan. Tijdens daarop volgende telefonische contacten had verdachte steeds redenen om niet langs te kunnen komen. [naam slachtoffer 4]ging daarop over tot het terughalen van de auto. Zij troffen de auto aan bij het [adres] te Maastricht. Op 16 oktober 2010 verscheen verdachte bij het kantoor van [naam slachtoffer 4]. Hij betaalde € 200,- en vertelde dat hij weldra zijn salaris zou krijgen en dat hij dan zo snel mogelijk het verschuldigde geld voor de huurauto zou komen betalen. Ook zei hij dat zij zich geen zorgen hoefde te maken, omdat hij zijn huis te koop had staan en de koopakte de dag erna zou passeren. Gelet op deze uitspraken ging [naam slachtoffer 4]over tot voortzetting van de huur van de personenauto en werd er een contract opgemaakt op naam van verdachte. Toen de daarop volgende dagen de huur niet werd betaald, werd de auto op 21 oktober 2010 opnieuw opgehaald bij het [adres]. Verdachte heeft verklaard dat hij voornoemde personenauto heeft gehuurd voor de duur van een week. Hij verlengde de termijn telefonisch met een week en later stuurde hij een sms-bericht om de huur extra te verlengen. De auto werd opeens opgehaald. Op het kantoor van [naam slachtoffer 4]betaalde verdachte vervolgens € 200,-. Hij moest het restant zo spoedig mogelijk betalen, hetgeen verdachte toezegde. Hij huurde de auto toen voor nog een week. Later werd de auto wederom opgehaald door [naam slachtoffer 4]. Verdachte had de huur ten tijde van het verhoor ten overstaan van de politie nog niet betaald, zo verklaarde hij, omdat hij daartoe geen middelen had. Gelet op de verklaringen van [L.] en verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte een auto heeft gehuurd. Deze auto werd niet op de afgesproken dag teruggebracht. Ook nadat een tweede huurovereenkomst werd aangegaan, kwam verdachte zijn verplichtingen jegens [naam slachtoffer 4] niet na. Gelet op de verklaring van [L.] heeft verdachte leugens verteld om [naam slachtoffer 4] over te laten gaan tot verhuur van de personenauto, waarbij hij zich voordeed als huurder namens het bedrijf MTB en - in tweede instantie - als huurder die over zou gaan tot betaling van de huursom. Gelet op de verklaring van verdachte was hij niet in staat om tot betaling over te gaan, nu hij geen middelen daartoe had. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte niet de intentie heeft gehad om de huursom van de auto te betalen. Door zich voor te doen als een betrouwbare klant, werd [naam slachtoffer 4]bewogen tot afgifte van de personenauto. Verdachte heeft hierdoor wederrechtelijk voordeel genoten door gebruik te maken van de huurauto. Verdachte heeft nog [verklaart dat hij] de huur verlengd zou hebben door telefonisch contact en door een sms-bericht. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig, nu hiervoor geen enkele aanwijzing bestaat. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat verdachte [naam slachtoffer 4]heeft opgelicht, hetgeen onder feit 5 primair ten laste is gelegd. Nu verdachte tot twee keer toe is overgegaan tot het afsluiten van een huurovereenkomst, waarbij hij tot tweemaal toe niet zijn afspraken nakwam, acht de rechtbank bewezen dat verdachte deze oplichting meermalen heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 6: Onder feit 6 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij [naam slachtoffer 5]heeft opgelicht dan wel dat hij een aan [naam slachtoffer 5]toebehorende auto heeft verduisterd. De rechtbank overweegt als volgt. Op 15 augustus 2011 werd namens [naam slachtoffer 5]te Eijsden aangifte gedaan. Op 18 juli 2011 werd een personenauto, merk Fiat 500 met kenteken [nummer kenteken], verhuurd aan verdachte. De auto zou op 25 juli 2011 teruggebracht worden. Ten tijde van de aangifte was de auto nog steeds niet geretourneerd door verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij op 18 juli 2011 voornoemde personenauto huurde bij [naam slachtoffer 5]. Hij zou deze auto op 25 juli 2011 terug brengen. Hij bracht de auto echter niet terug, omdat hij de auto langer nodig had. De politie heeft verdachte op 30 augustus 2011 aangehouden. Verdachte was toen nog steeds in het bezit van de auto. De rechtbank stelt op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte vast dat verdachte een auto heeft gehuurd en deze niet op de afgesproken dag heeft terug gebracht, waarna namens [naam slachtoffer 5]aangifte is gedaan. Verdachte heeft nog verklaard dat hij een sms-bericht stuurde naar [naam slachtoffer 5]. Hij kreeg hierop echter geen reactie. Ook zou verdachte telefonisch contact hebben opgenomen met een medewerker van [naam slachtoffer 5]. Deze deelde hem mede dat verlenging van de huurperiode geen probleem was. De rechtbank acht de verklaring niet geloofwaardig. Deze verklaring van verdachte wordt immers op geen enkele wijze ondersteund. De rechtbank stelt bovendien op grond van de bevindingen van de politie vast dat de auto op 30 augustus 2011 nog steeds in bezit was van verdachte en dat hij toen nog steeds niet betaald had. Onder feit 6 primair is ten laste gelegd dat verdachte [naam slachtoffer 5]zou hebben opgelicht. De rechtbank acht dit niet bewezen, nu niet is komen vast te staan dat verdachte zich zou hebben voorgedaan als een andere persoon dan wel dat hij leugens zou hebben verteld om [naam slachtoffer 5]over te laten gaan tot afgifte van de personenauto. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van feit 6 primair. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 6 subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Door het niet terugbrengen van een gehuurde auto op de afgesproken dag, heeft verdachte zich de auto wederrechtelijk toegeëigend en dus verduisterd. Ten aanzien van de feiten 7 en 8: Onder feit 7 en 8 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij [naam slachtoffer 6] heeft opgelicht en dat hij geld van haar rekening heeft gestolen door haar bankpas te gebruiken. Aangeefster [naam slachtoffer 6] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat zij een relatie had met verdachte. Tijdens haar relatie met verdachte had hij meermalen geld nodig, omdat zijn woning was afgebrand. Op 27 april 2011 gaf [naam slachtoffer 6] € 1.000,- aan verdachte in verband met de woningbrand. Verdachte vertelde [naam slachtoffer 6] dat hij het geld terug zou geven. In de periode van 28 april 2011 tot en met 14 juli 2011 heeft [naam slachtoffer 6] vervolgens nog 13 keer geld gegeven aan verdachte. Zij gaf in totaal € 9.030,- aan verdachte. Verdachte vertelde tegen [naam slachtoffer 6] dat hij nog steeds geen nieuwe bankpas had gekregen en daarom niet aan zijn geld kon komen. Toen [naam slachtoffer 6] bij verdachte naar zijn nieuwe bankpas informeerde, vertelde verdachte dat de bank moeilijk deed vanwege de woningbrand. Aangeefster [naam slachtoffer 6] heeft ten slotte verklaard dat zij het geld aan verdachte gaf, omdat zij geloofde dat verdachtes huis was afgebrand. Ook zou verdachte haar terug betalen. Achteraf bleek alles gelogen te zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij een relatie had met [naam slachtoffer 6]. Hij vertelde haar dat zijn huis in brand was gevlogen en dat hij niets meer had om van te leven. Dit alles was gelogen. Verdachte heeft bevestigd dat [naam slachtoffer 6] hem geld gaf. Aangeefster [naam slachtoffer 6] heeft voorts verklaard dat zij haar bankpas had verloren. Op 26 juli 2011, 6 augustus 2011 en 23 augustus 2011 werd er respectievelijk [[]] € 980,-, € 350,- en € 800,- van haar rekening gepind. De pinpas van [naam slachtoffer 6] werd op 30 augustus 2011 in een door verdachte gebruikte auto aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij de pincode behorende bij de bankpas van [naam slachtoffer 6] wist. Navraag bij een medewerkster van de Rabobank wees uit dat twee transacties plaatsvonden bij de geldautomaat in Margraten. De derde transactie vond plaats in Sint Geertruid. De politie heeft de camerabeelden bekeken welke werden opgenomen bij de betreffende geldautomaten. De politie herkende verdachte op de camerabeelden als de persoon die de transacties had verricht. Ook de rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat de foto van verdachte grote overeenkomsten vertoont met de persoon welke is afgebeeld op de camerabeelden bij de pinautomaten. Op grond van de verklaring van [naam slachtoffer 6] en verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte geld heeft gekregen van [naam slachtoffer 6]. Doordat verdachte leugens vertelde tegenover [naam slachtoffer 6], werd zij bewogen tot afgifte van dat geld. Verdachte heeft nog verklaard dat hij niet om geld vroeg, maar dat [naam slachtoffer 6] hem het geld vrijwillig gaf. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig, nu verdachte bewust leugens vertelde aan [naam slachtoffer 6] en haar daarbij voorhield dat hij niets meer had om van te leven. Door dergelijke leugens te vertellen, kan het niet anders dan dat verdachte hiermee de intentie had om [naam slachtoffer 6] tot afgifte van geld te bewegen. Of verdachte expliciet om geld heeft gevraagd, is dan niet relevant. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte [naam slachtoffer 6] heeft opgelicht. Op grond van de verklaring van [naam slachtoffer 6], het aantreffen van de bankpas in de auto van verdachte, de herkenning van verdachte op de camerabeelden bij de pinautomaten en het feit dat verdachte de pincode van de bankpas kende, stelt de rechtbank tevens vast dat verdachte zonder toestemming van [naam slachtoffer 6] geld van haar rekening heeft gepind. Hij maakte daarbij gebruik van een niet aan hem toebehorende bankpas. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte feit 8 heeft begaan. 3.3 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. in de periode van 12 oktober 2009 tot en met 5 december 2009 in de gemeente Maastricht, meermalen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door een samenweefsel van verdichtsels, [naam slachtoffer 1]heeft bewogen tot de afgifte van geld (totaal 40.000 euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk in strijd met de waarheid tegen die [naam slachtoffer 1] verteld - zakelijk weergegeven - - dat hij, verdachte, sinds oktober 2009 een beleggingsfonds had gecreëerd en - dat men 500 euro rente per maand kan krijgen als al het geld samen belegd zou worden en/of - dat die [naam slachtoffer 1] met deze belegging 1000 euro winst kon maken, waardoor die [naam slachtoffer 1] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; 3. in de periode van 1 juli 2010 tot en met 7 oktober 2010 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [naam slachtoffer 2]heeft bewogen tot de afgifte van geld (totaal 1.000 euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk in strijd met de waarheid tegen die [naam slachtoffer 2] verteld - zakelijk weergegeven - - dat wanneer hij 1.000 euro zou betalen hij van alles af zou zijn en - dat hij, verdachte, het geld zou voorschieten en die [naam slachtoffer 2], het hem, verdachte, in termijnen kon terug betalen, waardoor die [naam slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; 4. in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 5 april 2011 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [naam slachtoffer 3]heeft bewogen tot de afgifte van geld en het aangaan van schulden (tbv onder meer voor de aanschaf van een keuken en meubels), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid - verteld dat hij een groot eigen vermogen van 400.000 euro had en - verteld dat hij een erfenis van zijn vader had gekregen en - zijn moeder hem geld had gegeven, waardoor die [naam slachtoffer 3] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en het aangaan van die schulden; 5. Primair meermalen, in de periode van 10 september 2010 tot en met 21 oktober 2010 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer medewerkers van [naam slachtoffer 4], heeft bewogen tot de afgifte van een personenauto, merk Citroen C4 kenteken [nummer kenteken], hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als huurder van die personenauto, namens het bedrijf MTB en als een betrouwbare huurder van die personenauto die de huurpenningen zou betalen en aan voornoemd bedrijf gezegd dat hij weldra salaris zou krijgen en dan zo snel mogelijk het verschuldigde geld voor de huur zou betalen en dat hij, verdachte, zijn huis te koop had staan en morgen de koopakte zou passeren, waardoor een of meer medewerker(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.