RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht parketnummer: 03/700564-11 Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 april 2012 in de strafzaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboortegegevens verdachte], wonende te [adresgegevens verdachte], gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard. Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 april 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft naar aanleiding van haar beraadslaging beslist dat bij vervroeging uitspraak wordt gedaan. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met anderen wapens en munitie voorhanden heeft gehad; Feit 2: samen met anderen 2 kilo amfetamine in bezit heeft gehad; Feit 3: samen met anderen chemicaliën en versnijdingsmateriaal in bezit heeft gehad ten behoeve van het vervaardigen van amfetamine; Feit 4: samen met anderen geld heeft witgewassen; Feit 5: samen met anderen hennep heeft geteeld; Feit 6: samen met anderen energie heeft gestolen van Enexis B.V. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van feit 4, het witwassen. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden wordt opgelegd. 3.2 Het standpunt van de verdediging Volgens de raadsman is de politie onrechtmatig bij verdachte binnengetreden. De politie heeft besloten de woning van verdachte zonder diens toestemming binnen te gaan op basis van een proces-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE). Volgens de raadsman was de inhoud van dit proces-verbaal echter niet toereikend om redelijkerwijs te vermoeden dat verdachte wapens en munitie in huis had. Het CIE proces-verbaal bevatte namelijk te weinig concrete informatie en deze informatie was bovendien afkomstig van een informant over wiens betrouwbaarheid geen oordeel kon worden gegeven. De politie heeft ook geen serieus nader onderzoek naar de informatie gedaan. Het binnentreden en de daarop volgende doorzoeking waren daarom onrechtmatig, wat een onherstelbaar vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit verzuim is volgens de raadsman zo ernstig, dat het bewijs dat na het binnentreden is vergaard, niet mag worden gebruikt. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Op 27 oktober 2011 is de politie zonder toestemming van verdachte in diens woning binnengetreden. Vervolgens heeft de politie de woning van verdachte doorzocht. Bij de doorzoeking werden niet alleen wapens en munitie aangetroffen, maar ook amfetamine. Nadat de rechter-commissaris bij het onderzoek was betrokken, zijn er meer verboden zaken aangetroffen, waaronder een in werking zijnde hennepplantage. Uit het dossier komt naar voren dat de politie gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot doorzoeking die artikel 49 van de Wet wapens en munitie biedt. Dit artikel geeft deze bevoegdheid wanneer de politie redelijkerwijs kan vermoeden dat in een woning wapens of munitie aanwezig is. Uitgangspunt in de jurisprudentie van de Hoge Raad hierbij is dat dit vermoeden kan worden aangenomen op basis van anonieme informatie (zie o.m. het arrest van 22 december 2009 gepubliceerd onder LJN-nummer BJ8622). Dit betekent echter nog niet dat iedere anonieme informatie mag leiden tot een doorzoeking tegen de wil van een bewoner, nu dit dwangmiddel een ingrijpende inbreuk met zich meebrengt op het huisrecht en de persoonlijke levenssfeer van burgers. Bij een oordeel hieromtrent spelen diverse factoren een rol. Van belang is onder meer of de anonieme informatie concreet en gedetailleerd is en wat de politie verder heeft ondernomen om deze informatie op haar betrouwbaarheid te toetsen. In de onderhavige zaak heeft de politie haar optreden gebaseerd op een proces-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) met de volgende tekst: “Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid van de Regiopolitie Limburg-Zuid werd in de maand oktober 2011 van een informant de volgende informatie ontvangen: [naam verdachte] van de [adres]te Hoensbroek koopt en verkoopt vuurwapens. Hij is o.a. in het bezit van een vuistvuurwapen en een geweer. [naam verdachte] maakt gebruik van een zilverkleurige [merk auto], type [naam type].” De rechtbank beschouwt deze informatie in het CIE proces-verbaal als voldoende concreet, maar op het punt van de betrouwbaarheid loopt de zaak wat de rechtbank betreft stuk. De opsteller van het proces-verbaal geeft namelijk aan dat hij geen oordeel kan geven over de betrouwbaarheid van de hiervoor beschreven informatie. Dit betekent voor de rechtbank dat aan de informatie per saldo niet veel meer waarde mag worden toegekend dan aan een willekeurige anonieme melding bij Meld Misdaad Anoniem. Deze conclusie wordt voor de rechtbank niet anders, omdat de CIE de naam- en adresgegevens gecheckt heeft die de informant heeft genoemd, en heeft uitgezocht of verdachte inderdaad gebruik maakte van een zilverkleurige [type auto]. Deze gegevens zeggen immers niets over het al dan niet bezitten van wapens en zijn zo algemeen, dat zij ook maar weinig over de betrouwbaarheid van de informant zeggen. Alles overziend, acht de rechtbank genoemde informatie dan ook niet toereikend om over te gaan tot een zo ingrijpend dwangmiddel. Dat, zoals de officier van justitie ter zitting heeft betoogd, de toepassing van het dwangmiddel ook zou zijn gebaseerd op het door de verbalisanten, juist voor het binnentreden, zien van een professioneel ogende bewakingscamera welke gemonteerd was aan verdachtes huis, en het horen roepen door iemand in de woning van “Wouten, wouten, daar komen de wouten!” is de rechtbank niet op overtuigende wijze gebleken. Er was immers reeds voorafgaand aan deze bevindingen, en op basis van de CIE-informatie alleen, door de hulpofficier van justitie een machtiging gegeven tot binnentreden ter aanhouding van verdachte en doorzoeking van de woning. Daarbij komt nog dat nergens is gerelateerd dat van deze machtiging daadwerkelijk gebruik is gemaakt, omdat de politie juist voor het binnentreden een camera zag en iemand iets hoorde roepen. Die gegevens, de camera en de uitroep, geven bovendien geen specifieke nadere informatie met betrekking tot de informatie over de wapens uit het proces-verbaal van de CIE. Er is daarom sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Voor de rechtbank is het een ernstig vormverzuim, omdat verdachte is geschaad in zijn recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. De rechtbank moet op basis van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering bepalen welk gevolg verbonden moet worden aan het verzuim. Daarbij stelt zij vast dat al het bewijs dat door de politie in deze zaak is verzameld, rechtstreeks is verkregen door het verzuim. Nu verdachte met de schending van zijn huisrecht en privacy ingrijpend nadeel heeft ondervonden, is bewijsuitsluiting op zijn plaats. Na uitsluiting van het bewijs, resteert er onvoldoende bewijs om tot een veroordeling voor (een van) de tenlastegelegde feit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.