RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht parketnummers: 03/703547-10, 03/700620-08 (VTVV) vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 juli 2012 in de strafzaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboortegegevens verdachte], wonende te [adresgegevens verdachte]. Raadsman is mr B.J. Visser, advocaat te Breda. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 juli 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met anderen door geweld of bedreiging met geweld een ander heeft gedwongen om een ketting, een oorbel, een telefoon, 700 euro en ringen af te geven dan wel voornoemde goederen door geweld of bedreiging met geweld heeft gestolen; Feit 2: samen met anderen iemand van zijn vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden; Feit 3: samen met anderen iemand heeft bedreigd door een mes op de keel te zetten en te zeggen dat hij het bos in moest lopen, zich uit moest kleden en op zijn knieën moest gaan zitten en door vervolgens zijn haren af te snijden. 2.1 Kennelijke schrijffout Tengevolge van een kennelijke schrijffout staat in de dagvaarding onder feit 2 onder het eerste gedachtestreepje van het ten laste gelegde vermeld “[B.straat]” in plaats van “[B.straat]”. In Kerkrade is geen [B.straat], maar wel een [B.straat], waar verdachtes vriendin [naam medeverdachte 1], tevens medeverdachte, woonachtig was en waar ook verdachte volgens eigen zeggen veelal verbleef. De rechtbank herstelt deze fout, aangezien dit mogelijk is zonder dat verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht onder feit 1 zowel afpersing als diefstal door bedreiging met een mes wettig en overtuigend bewezen. Ook feit 2 en 3 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. De aangifte geeft goed weer wat gebeurd is. Het dossier en de verklaringen die ten overstaan van de rechter-commissaris zijn afgelegd, ondersteunen de aangifte. Buiten aangever verklaren ook de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] dat ze in België zijn geweest. Dat verdachte een mes heeft gebruikt bij feit 1, wordt ook verklaard door medeverdachte [naam medeverdachte 4]. De wederrechtelijke vrijheidsberoving van feit 2 begint bij de vijver. [naam slachtoffer] had niet de vrijheid om niet mee te gaan. Voor de bezoekjes aan de advocaat en aan de pastoor van [naam slachtoffer] is er voldoende ondersteunend bewijs. Van het bezoek aan het tankstation zijn camerabeelden en de berichtjes die [naam medeverdachte 5] heeft gestuurd zijn technisch teruggevonden. De verklaring van aangever is geloofwaardig en een enkel detail waarvan niet bekend is of dit heeft plaatsgevonden, doet daar niet aan af. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat feit 1 bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van feit 2 en 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, aangezien [naam slachtoffer] niet continu van zijn vrijheid is beroofd en er geen sprake is geweest van dwang. Er zijn momenten geweest dat [naam slachtoffer] zich had kunnen onttrekken. Het is ongeloofwaardig dat [naam slachtoffer] met het mes is geprikt of dat het mes bij hem op de keel is gezet, omdat er uit het dossier niet blijkt van letsel. Het is immers zeer waarschijnlijk dat indien er met een dergelijk mes wordt geprikt er letsel ontstaat. Dit geldt ook in het geval een dergelijk mes op iemands keel wordt gezet.Verder blijkt er uit het dossier niet dat er dwang is gebruikt of met messen is gedreigd in de tijd dat [naam slachtoffer] bij verdachte is geweest. Het is onduidelijk of men in België is geweest, waardoor dit niet bewezen kan worden. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding Achtergrond voor hetgeen gebeurd is, is het volgende. Aangever is eerder veroordeeld voor een woninginbraak die hij –zo verklaart verdachte- samen met aangever gepleegd heeft. Verdachte beschuldigt aangever ervan hem verlinkt te hebben. Ook zou aangever geld aan verdachte verschuldigd zijn in verband met een hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de schade. Bewijsmiddelen Op dinsdag 19 oktober 2010 waren [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 1] bij [persoon 1]. [naam medeverdachte 1] is het zusje van [persoon 1] en de vriendin van verdachte. [naam medeverdachte 1] had haar laptop meegenomen. [naam medeverdachte 1] vroeg aan [naam medeverdachte 5] of ze een bericht aan [bijnaam slachtoffer] wilde sturen. [naam slachtoffer], aangever, wordt [bijnaam slachtoffer] genoemd. [naam medeverdachte 1] zei dat [naam medeverdachte 5] met aangever moest afspreken om een jointje te roken. Aangever heeft dit berichtje ontvangen. [naam medeverdachte 5] had begrepen dat verdachte aangever aan het zoeken was, omdat hij en [naam medeverdachte 1] een babykamer van aangever zouden krijgen. Pas achteraf begreep [naam medeverdachte 5] dat het om geld ging. Op woensdag 20 oktober 2010 belde verdachte naar [persoon 1] en zei dat [naam medeverdachte 5] zich meteen moest aankleden, omdat ze werd opgehaald. [naam medeverdachte 5] werd door verdachte opgehaald met een Volkswagen Polo. Ze zijn naar het huis van [naam medeverdachte 2] gereden. Toen [naam medeverdachte 5] daar binnen was, kreeg ze door verdachte een laptop voor haar neus gezet en moest ze kijken of er een bericht was van aangever. Verdachte las toen de reactie van aangever op [naam medeverdachte 5]s eerste bericht, werd kwaad en riep dat die aap geld had. Hij moest hem vinden. [naam medeverdachte 5] zag dat er een reactie was van aangever en kreeg van verdachte een tekst gedicteerd voor het bericht dat ze aan aangever terug moest zenden. [naam medeverdachte 5] werd daarna weer terug gebracht naar [persoon 1]. Aangever belde [naam medeverdachte 5] op haar telefoon en vroeg om de dag erna op donderdagochtend af te spreken. [naam medeverdachte 5] heeft deze afspraak bevestigd. Op woensdagavond stond verdachte weer bij [persoon 1] voor de deur en zei dat [naam medeverdachte 5] aangever moest sms’en om zijn vertrouwen te winnen. Er zijn toen over en weer tussen aangever en [naam medeverdachte 5] sms-berichten gestuurd. [naam medeverdachte 5] hoorde die avond dat verdachte zei dat hij bij aangever een dildo in de kont en een fles in de mond wilde doen en hem vastbinden. [naam medeverdachte 5] vroeg aan [naam medeverdachte 4] of hij mee wilde gaan naar de afspraak met aangever, omdat ze [naam medeverdachte 4] vertrouwde en bang was dat er vreselijke dingen zouden gebeuren. [naam medeverdachte 4] heeft tegen verdachte gezegd dat [naam medeverdachte 5] aan hem gevraagd had om mee te gaan naar de afspraak met aangever en verdachte heeft toen gezegd dat dit niet nodig was, omdat hij alleen een hartig woordje met aangever zou spreken. Verdachte had samen met aangever een boete gekregen en aangever had zijn deel nog niet aan verdachte betaald. [naam medeverdachte 4] heeft toen tegen verdachte gezegd dat het niet uit de hand moest lopen. Hierop heeft verdachte tegen [naam medeverdachte 4] gezegd dat hij zich daar niet druk over hoefde te maken. Er kwam bij aangever een sms van [naam medeverdachte 5] binnen dat ze niet de volgende ochtend, maar op dát moment wilde afspreken en een jointje wilde roken. Verdachte en [naam medeverdachte 4], die alsnog gebeld was om mee te gaan, haalden [naam medeverdachte 5] in de nacht van 20 op 21 oktober 2010 op. Ze moest in de auto van [naam medeverdachte 4] stappen en meegaan. Dit was een rode Volvo. [naam medeverdachte 5] was bang voor verdachte, omdat ze eerder door verdachte met een vuurwapen is bedreigd. [naam medeverdachte 5] werd bij het gemeentehuis in Brunssum uit de auto gezet en verdachte zei dat ze moest regelen dat aangever daar naar toe kwam en dat ze moesten afspreken in het Vijverpark en dat verdachte en [naam medeverdachte 4] dan zouden komen. [naam medeverdachte 5] belde aangever met de mededeling dat hij naar het gemeentehuis moest komen en even later kwam aangever daar aan. [naam medeverdachte 5] en aangever liepen het Vijverpark in Brunssum in. Op een gegeven moment zag [naam medeverdachte 5] twee mannen het park in komen en ze zag dat aangever schrok. [naam medeverdachte 5] en aangever zagen dat verdachte via de helling het park in kwam rennen met een mes in zijn hand. Verdachte zei dat aangever moest gaan zitten en niet weg mocht rennen. Aangever stond met zijn rug naar de vijver, kon nergens naar toe en is gaan zitten. Verdachte bewoog het mes kort op en neer van boven naar beneden op een afstand van nog geen 20 centimeter van het gezicht van aangever. [naam medeverdachte 5] zag dat aangever toen hij verdachte met het mes zag, begon te stotteren en alles deed wat verdachte zei. Het was een vrij groot keukenmes met een lengte van ongeveer een vel A4 en met een lichtgrijs handvat. [naam medeverdachte 4] kwam ook in de buurt en zei dat verdachte dat mes weg moest doen. Verdachte pakte de oorbel uit het oor van aangever en nam de ketting van aangever af evenals een tasje waarin 700,00 euro zat en een nieuwe telefoon van het merk [merknaam]. Ook dwong verdachte aangever om zijn ringen af te doen. [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] hebben gezien dat verdachte de ketting van de nek van aangever trok . Verdachte vroeg daarop aan aangever waar de rest van het geld was. Aangever heeft toen gezegd dat dit geld bij zijn advocaat lag, waarop verdachte zei dat aangever mee moest gaan. Alle vier zijn toen naar de auto gelopen. Verdachte zette [naam medeverdachte 5] daarna af bij [persoon 1] thuis en zei toen tegen zijn vriendin, [naam medeverdachte 1], dat zij die nacht ook bij [persoon 1] moest blijven slapen. Vervolgens zijn verdachte, [naam medeverdachte 4] en aangever naar de woning van verdachte in Kerkrade, gereden. In de woning was een grote hond. Verdachte zette een Franse maffiafilm op. Verdachte heeft verklaard dat hij altijd sliep in de woning van zijn vriendin [naam medeverdachte 1] te Kerkrade. [naam medeverdachte 1] woonde toen op het adres [B.straat] te Kerkrade. Verdachte heeft tegen aangever gezegd dat het geen zin had om te ontsnappen. Ook zei verdachte dat aangever van hem af zou zijn als ze bij aangevers advocaat waren geweest en verdachte de rest van zijn geld had. [naam medeverdachte 4] hield aangever voortdurend in de gaten. De volgende ochtend, 21 oktober 2010, zijn verdachte, aangever en [naam medeverdachte 4] in de auto gestapt en naar de advocaat van aangever in Sittard gereden. Aldaar zei verdachte, voordat hij met aangever naar binnen ging, dat aangever moest zeggen dat hij de crossmotor van verdachte had vernield en 1000 euro nodig had. Ook zei verdachte dat aangever niet met zijn advocaat in een apart kamertje mocht mompelen. De advocaat van aangever zei dat aangever zijn geld al gehad had. Verdachte begon te flippen en liep naar de deur. Aangever moest meekomen. Aangever vertelde al huilend dat hij niet wilde. Toen de advocaat aan aangever vroeg wat er aan de hand was, zei verdachte: “Hier gebeurt helemaal niets met deze jongen. Hij gaat mee, ik ben [naam verdachte].” Verdachte en aangever zijn naar buiten gelopen. [naam medeverdachte 4] merkte dat toen ze terug kwamen van de advocaat er spanning was tussen verdachte en aangever. Aangever heeft toen voorgesteld om naar pastoor [naam pastoor] in Hoensbroek te gaan, omdat hij op de bankrekening die de pastoor beheerde 400 euro had staan. Aldaar aangekomen zei de pastoor dat ze na 13.00 uur moesten terugkomen, omdat hij dan het geld had afgehaald. Vanuit Sittard hebben ze toen [naam medeverdachte 2] opgehaald. Verdachte, aangever en [naam medeverdachte 4] zijn met [naam medeverdachte 2] -in de auto van [naam medeverdachte 4]- terug gegaan naar de [B.straat] in Kerkrade. Daar is [naam medeverdachte 4] weggereden, omdat hij een afspraak had. Verdachte zei tegen aangever dat hij de woning moest binnen gaan. Aangever had volgens hem geen andere mogelijkheden en stond nog steeds onder druk en bedreiging. Verdachte heeft tegen aangever gezegd dat aangever van hem af was, zodra hij het geld kreeg. Verdachte vroeg aan [naam medeverdachte 2] of hij naar Hoensbroek wilde rijden, maar deze had een jointje gerookt en aangezien er op donderdag meestal controle is, hebben ze [naam medeverdachte 3] gebeld. Toen [naam medeverdachte 3] kwam zijn [naam medeverdachte 2], verdachte en aangever bij hem in de auto gestapt en weer naar Hoensbroek gereden. Ze zijn weer naar de pastoor gereden om het geld te halen. Aangever zat in de auto te wachten met [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] en verdachte ging naar de pastoor. Toen verdachte terug kwam zei hij dat ze een broodje gingen eten. Ze zijn de autosnelweg richting Beek/Elsloo opgereden. Verdachte gaf aan welke afslag [naam medeverdachte 3] moest nemen. Ze zijn met de auto naar België gereden. Aangever zat voor in de auto als bijrijder en verdachte zat achter aangever. Aangekomen in een bos in België zette verdachte bij aangever een mes op zijn keel. Verdachte zei dat aangever zijn schoenen uit moest doen. Iedereen moest van verdachte uit de auto stappen en aangever moest zijn sokken uitdoen. Aangever moest toen op zijn blote voeten het bos in lopen en toen moest hij van verdachte zijn kleding uitdoen. [naam medeverdachte 3] moest van verdachte filmen hoe aangever zich uitkleedde. Aangever moest geheel naakt op zijn knieën gaan zitten en verdachte stond met het grote mes achter aangever. [naam medeverdachte 2] hield de kleding van aangever vast. Aangever dacht dat zijn laatste minuut was aangebroken en dat verdachte hem zou neersteken. Verdachte sneed met het mes de haren van aangever af. [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] hebben gezien dat verdachte de afgesneden haren van aangever in zijn handen had. Aangever werd daarna afgezet bij een kapper in Heerlen centrum en verdachte gaf hem daarbij 10 euro. Verdachte zei dat aangever zich maar kaal moest laten scheren. Aangever is toen bij de kapper naar binnen gegaan en heeft zich kaal laten scheren. Toen aangever uit de kapperszaak kwam, waren de anderen weggereden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij aangever in het park heeft ontmoet toen aangever een afspraak met [naam medeverdachte 5] had. Verdachte verklaarde dat hij tegen [naam medeverdachte 5] gezegd heeft dat zij die afspraak moest maken. Ook heeft hij verklaard dat hij thuis een hond heeft en dat ze die avond een maffiafilm hebben gekeken. Verdachte heeft verder verklaard dat hij gezegd heeft tegen aangever dat er niets aan de hand was als hij zijn afspraken nakwam en dat hij indien hij de afspraken niet nakwam zijn juwelen kwijt was. Verdachte heeft bekend dat hij bij de pastoor in Hoensbroek het geld heeft opgehaald en dat hij de juwelen van aangever naar een pandjeshuis in Kerkrade heeft gebracht. Verder heeft verdachte bekend dat hij op een gegeven moment met [naam medeverdachte 5] bij [naam medeverdachte 2] is geweest om het bericht van [naam medeverdachte 5] aan aangever te sturen via een laptop. De verweren van verdachte en zijn raadsman Verdachte heeft het verweer gevoerd dat hij nergens een mes heeft gebruikt en dat hij bovendien het onder 3 tenlastegelegde feit niet heeft gepleegd. Ook heeft de raadsman nog aangegeven dat als aangever een mes op de keel zou zijn gezet en in zijn benen zou zijn geprikt, hij letsel zou moeten hebben. Voorts heeft de raadsman van verdachte met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde aangevoerd dat aangever niet continu van zijn vrijheid beroofd is geweest, omdat er momenten zijn geweest, dat aangever zich aan verdachte had kunnen onttrekken. Met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank dat over het voorval in het park behalve aangever, ook medeverdachten [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] verklaren dat verdachte een mes bij zich had en hiermee heeft gezwaaid. Zowel aangever alsook [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] verklaren dat [naam medeverdachte 4] toen tegen verdachte heeft gezegd dat hij het mes weg moest doen. Het verweer van de raadsman ten aanzien van feit 1 wordt verworpen. De rechtbank acht gelet op de aangifte en de verklaringen van [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 4] en (deels) de verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in het park een mes heeft gebruikt en door te dreigen met dit mes aangever heeft gedwongen zijn ringen af te geven en dat verdachte een ketting, een oorbel, 700 euro en een telefoon van aangever heeft gestolen, waarbij hij aangever met een mes heeft bedreigd. Met betrekking tot feit 2 overweegt de rechtbank dat medeverdachte [naam medeverdachte 5] over het incident in het park heeft verklaard dat ze zag dat aangever schrok en dat verdachte met een groot mes in zijn hand stekende bewegingen vlakbij het gezicht van aangever maakte. Aangever stond hierbij met zijn rug naar de vijver en kon daardoor nergens naar toe. Aangever schrok en begon te stotteren en deed vervolgens alles wat verdachte zei. Nadat verdachte meerdere spullen van aangever had afgepakt, heeft verdachte gezegd dat aangever mee moest gaan. Gelet op de dreiging van het mes en het gegeven dat buiten verdachte ook nog de medeverdachten [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] aanwezig waren, was aangever niet in de gelegenheid om op dat moment iets anders te doen dan in de auto te stappen en mee te gaan naar de woning van verdachte. In de woning van verdachte hield [naam medeverdachte 4] aangever voortdurend in de gaten. Verdachte heeft toen tegen aangever gezegd dat het geen zin had om te ontsnappen. Verdachte had zijn vriendin, medeverdachte [naam medeverdachte 1] opgedragen die nacht niet thuis te komen. Gelet op wat er aan het nachtelijk verblijf in de woning vooraf is gegaan, waarbij aangever onder bedreiging van een mes is afgeperst en bestolen en de omstandigheden in de woning als door aangever geschetst, is de rechtbank van oordeel dat van een vrijwillig nachtelijk verblijf van aangever in de woning aan de [B.straat] in Kerkrade geen sprake is geweest. De onvrijwilligheid voor aangever werd versterkt doordat er in de woning van verdachte een grote hond aanwezig was. Het vorenstaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat aangever zich zowel in het park als tijdens het verblijf in de woning van verdachte niet heeft kunnen onttrekken aan verdachte en zijn mededader(s). Aangever heeft uit angst tegen verdachte gezegd dat hij geld bij zijn advocaat kon halen, terwijl hij wist dat dit niet het geval was. Aangever heeft verklaard dat verdachte, voordat ze bij het kantoor van zijn advocaat naar binnen gingen, gezegd heeft wat aangever moest zeggen en dat aangever niet in een apart kamertje met de advocaat mocht praten. Toen aangever huilend tegen zijn raadsman zei dat hij niet met verdachte mee wilde, heeft verdachte vervolgens tegen de advocaat gezegd: “Hier gebeurt helemaal niets met deze jongen. Hij gaat mee, ik ben [naam verdachte].” Toen verdachte en aangever weer terug kwamen bij de auto merkte [naam medeverdachte 4] dat er spanning was tussen aangever en verdachte. De rechtbank is van oordeel dat het geheel van omstandigheden dermate dreigend was voor aangever dat, hoewel hij zelf voorstelde om naar de pastoor in Hoensbroek te gaan om geld te halen, dit onder een zodanige dreiging van verdachte is gebeurd, dat van vrijwilligheid geen sprake is geweest. Dat de verklaring van aangever ongeloofwaardig is, zoals de raadsman heeft betoogd, omdat er geen sprake is van letsel terwijl aangever heeft verklaard dat er met een mes is geprikt, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangever door de verklaringen van de medeverdachten, die ook zichzelf belasten, wordt ondersteund. Het enkele feit dat niet kan worden vastgesteld of er met een mes is geprikt, maakt dat niet anders. Dat het prikken met een mes in het algemeen letsel zou veroorzaken, is naar het oordeel van de rechtbank niet evident en dat dit in casu wel het geval zou moeten zijn, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat, het plaats nemen in de auto na de afpersing/ beroving in het park in Brunssum tot en met het naar België rijden niet op basis van vrijwilligheid, maar gedwongen heeft plaatsgevonden. Aangever werd gedwongen door verdachte, die zich liet bijstaan door de medeverdachten, die zich daar eveneens niet altijd aan konden onttrekken. Het verweer van de raadsman dat aangever zich aan de vrijheidsberoving zou hebben kunnen onttrekken, is dan ook gelet op het bovenstaande, niet aannemelijk geworden. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Gelet op de aangehaalde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank ook hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen in die zin dat verdachte dit feit (deels) samen met [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] heeft gepleegd. Met betrekking tot feit 3 overweegt de rechtbank dat buiten aangever ook de medeverdachten [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] hebben verklaard dat ze in gezelschap van verdachte en op instigatie van verdachte naar België zijn gereden nadat ze bij de pastoor vandaan kwamen. Medeverdachte [naam medeverdachte 2] heeft daarover bovendien verklaard dat verdachte een mes op de keel van verdachte zette en tegen aangever zei dat hij zijn schoenen uit moest doen. Dat dit tot letsel zou hebben moeten leiden, is naar het oordeel van de rechtbank niet evident en het is niet aannemelijk geworden dat dit in casu wel het geval zou moeten zijn. Verdachte [naam medeverdachte 3] zag het mes pas toen iedereen uit de auto was gestapt. De medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] hebben het afsnijden van het haar zelf niet gezien. Wel hebben beiden verklaard gezien te hebben dat verdachte met het mes achter de aangever stond, toen deze naakt was en dat verdachte kort erna met de haren van aangever in zijn handen stond. Het verweer ten aanzien van feit 3 wordt eveneens verworpen. De rechtbank acht gelet op de aangifte en de verklaringen van de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een mes op de keel van aangever te zetten en hem vervolgens te dwingen het bos in te lopen, zich uit te kleden, op zijn knieën te gaan zitten en zijn haren af te snijden. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.