RECHTBANK MAASTRICHT Sector Kanton Locatie Maastricht Zaaknummer 488350 CV EXPL 12-3486 typ: RK vonnis in kort geding van 27 augustus 2012 in de zaak van [NAAM EISENDE PARTIJ], wonend te [adresgegevens eisende partij], eisende partij, verder te noemen: [eisende partij], gemachtigde: mr. C.J.M. van den Bos-Ackermans tegen STICHTING XONAR, statutair gevestigd en kantoorhoudend te Maastricht aan de Severenstraat 16, gedaagde partij, verder te noemen: Xonar, gemachtigde: mr. J.L. Coenegracht, advocaat te Maastricht. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Op 9 augustus 2012 heeft [eisende partij] de voorzieningenrechter verzocht datum en tijdstip te bepalen waartegen Xonar zou kunnen worden gedagvaard in kort geding voor het treffen van een of meer onmiddellijke voorzieningen bij voorraad als bedoeld in artikel 254 Rv. De voorzieningenrechter heeft aan dit verzoek voldaan en tevens bepaald voor welke uiterste datum (10 augustus 2012) het exploot van dagvaarding betekend diende te worden. Bij exploot van dagvaarding van 9 augustus 2012 heeft [eisende partij] onder medebetekening van producties Xonar in kort geding gedagvaard en opgeroepen voor de zitting van maandag 20 augustus 2012 te 9:30 uur. Ter zitting zijn namens Xonar verschenen mevrouw [medewerker 1], manager en direct leidinggevende van [eisende partij], alsmede mevrouw [medewerker 2], personeelsconsulent, bijgestaan door mr. Coenegracht voornoemd. [eisende partij] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bos-Ackermans voornoemd. Daarna is vonnis bepaald op heden. MOTIVERING a. de vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend staat in deze procedure vast dat [eisende partij], geboren op [geboortedatum eisende partij], ingaande 20 februari 2002 krachtens arbeidsovereenkomst voor 36 uur per week in dienst is van Xonar (een stichting die zich onder meer bezig houdt met opvang en begeleiding van alleenstaande minderjarige vreemdelingen) in de functie van pedagogisch medewerker/mentor in een zogenoemde Kinder Woon Groep (KWG) waar zij tevens mede verantwoordelijk was voor de financiën, tegen een bruto loon van laatstelijk € 2.921,25 per maand. Bij brief van 13 juli 2012 (productie 3 bij antwoord) heeft Xonar de arbeidsovereenkomst onverwijld opgezegd wegens een dringende reden. [eisende partij] heeft bij brief van 14 juli 2012 (productie 4 bij antwoord) de vernietigbaarheid van deze opzegging ingeroepen en betwist dat zich een dringende reden voor die opzegging heeft voorgedaan. Daarbij heeft zij zich tevens beschikbaar gesteld voor de overeengekomen arbeid. [eisende partij] heeft vanaf 13 juli 2012 geen loon meer ontvangen. Xonar heeft bij de beëindiging van het dienstverband een bedrag van € 1.250,00 verrekend met het nog aan [eisende partij] verschuldigde loon. b. de vordering Bij voormeld exploot van dagvaarding vordert [eisende partij] de veroordeling van Xonar - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - om haar binnen twee werkdagen na het in dezen te wijzen vonnis toe te laten tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag dat Xonar daarmee in gebreke blijft. Daarnaast vordert [eisende partij] om Xonar te veroordelen het overeengekomen loon vanaf 13 juli 2012 door te betalen tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, inclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede betaling van het bedrag van € 1.250,00 dat Xonar bij de eindafrekening heeft ingehouden/verrekend, onder verwijzing van Xonar in de proceskosten. c. het geschil [eisende partij] voert aan dat zij door Xonar ten onrechte op staande voet ontslagen is, nu de dringende reden waarop Xonar zich te dien aanzien beroept zich niet voorgedaan heeft. Xonar voert tot haar verweer het navolgende aan. Op maandag 7 mei 2012 meldde de heer [medewerker 3], collega van [eisende partij] - en op dat moment nog, evenals [eisende partij], kashouder - zich bij [medewerker 1] met de mededeling dat er op 14, 27 en 28 april 2012 drie pintransacties hadden plaatsgevonden (ten bedrage van respectievelijk € 750,00, € 250,00 en € 250,00, in totaal derhalve € 1.250,00) waarvan hij niet kon verklaren wie die had verricht. [medewerker 1] heeft daarop eerst met alle zes medewerkers (waaronder [eisende partij]) gesprekken gevoerd teneinde een verklaring voor de pintransacties en het verdwenen geld te vinden, doch zonder resultaat. Vervolgens heeft [medewerker 1] op 8 mei 2012 de waarnemend manager [medewerker 4] ingelicht over de verdachte pintransacties en haar bevindingen tot dusver. In overleg met [medewerker 4] is toen besloten om [medewerker 5], teamleider financiële administratie, in te lichten om na te gaan of er bijzonderheden waren aan de transacties en of er wellicht iets over het hoofd gezien was op het bankafschrift. Tevens werd besloten een kascontrole te doen bij de KWG Severenstraat 16 (de onderhavige woongroep) en de betreffende pinpas hangende het onderzoek in te nemen. Ingeval mocht blijken dat de kas inderdaad niet “kloppend” was, zou aangifte van diefstal gedaan worden van bij de politie. Voorts werd besloten de afdeling HR (Human Resources) in te schakelen. Volgens de heer [medewerker 5] voornoemd was het bankafschrift juist geïnterpreteerd (de conclusie was dat de betreffende pintransacties inderdaad niet verantwoord waren in het kasboek en het geld niet was afgedragen en dat er derhalve sprake was van diefstal/verduistering). [medewerker 5] adviseerde [medewerker 1] om een en ander te melden bij de controller, mevrouw [medewerker 6]. Op advies van [medewerker 6] heeft [medewerker 1] een dag later (op 9 mei 2012) in een teamvergadering te kennen te geven dat de pintransacties nog steeds als onverklaard te boek stonden, ondanks dat met ieder lid van het team apart gesproken was, en dat nader onderzoek derhalve nodig was. Tijdens de teamvergadering is nogmaals gevraagd of er iemand iets wist van de vreemde pintransacties en is medegedeeld dat, indien iemand er iets van wist, hij/zij zich tot [medewerker 1] diende te wenden. Er werd toen direct - en in aanwezigheid van mevrouw [medewerker 7] van de financiële administratie - om 10:00 uur een kascontrole verricht, waaruit bleek dat er een tekort was van iets meer dan duizend euro (bijlage 5 bij antwoord). Toen dit resultaat om 11:00 uur aan de aanwezige medewerkers bekend werd gemaakt, heeft geen van hen een plausibele verklaring hiervoor gegeven. Diezelfde dag is [medewerker 1] om 17:00 uur aangifte gaan doen van diefstal/fraude bij de politie. Tijdens de aangifte is afgesproken dat de camerabeelden, indien voorhanden, door de politie zouden worden opgevraagd bij de betreffende banken en dat [medewerker 1] daarna als getuige de camerabeelden zou mogen inzien om de dader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.