RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht parketnummer: 03/700416-12 Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 augustus 2012 in de strafzaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboortegegevens verdachte], wonende te [adresgegevens verdachte], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard. Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 augustus 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met een ander of anderen twee postpakketten met cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, dan wel opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad Feit 2: voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het bewerken en/of verhandelen van cocaïne. Feit 3: een hoeveelheid geld (€ 2.400,-) heeft witgewassen. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Volgens de officier van justitie blijkt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting dat beide postpakketten met cocaïne waren bestemd voor verdachte. Door deze pakketten op zijn eigen adres en het adres van zijn vriendin te laten bezorgen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de invoer van cocaïne. Voorts zijn in de woning van verdachte chemische stoffen aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor het bereiden, verwerken of bewerken van cocaïne. Dat deze stoffen ook daadwerkelijk hiervoor bedoeld waren, blijkt volgens de officier van justitie enerzijds uit het feit dat er pakketten met cocaïne naar verdachte werden gestuurd en anderzijds uit het feit dat in een van de aangetroffen stoffen een geringe hoeveelheid cocaïne zat. De officier van justitie acht het onder 3 tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle aan hem tenlastegelegde feiten. Met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat noch uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het verzenden van de twee postpakketten waarin de cocaïne werd aangetroffen. Verdachte kan daarom niet worden aangemerkt als medepleger van de invoer van de cocaïne. Daarbij komt dat hij geen wetenschap had van het feit dat in de twee pakketten verdovende middelen zaten. Met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de verdovende middelen zich nooit in de machtssfeer van verdachte hebben bevonden, zodat niet gezegd kan worden dat hij deze opzettelijk aanwezig heeft gehad. Daarbij komt dat ook ten aanzien van dit feit geen bewijs aanwezig is dat verdachte wist dat in de pakketten cocaïne zat. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de in tenlastelegging genoemde stoffen bedoeld waren voor het bereiden en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne. Verdachte ontkent dat hij de stoffen met dat doel in zijn bezit had. Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier geen enkel bewijs bevat waaruit blijkt dat het bij verdachte in beslag genomen geld (€ 2.400,-) van misdrijf afkomstig was. Het enkel voorhanden hebben van een groot contant geldbedrag is hiervoor in ieder geval onvoldoende. Daarbij komt dat verdachte geen enkele handeling heeft verricht die heeft bijgedragen tot het verhullen of verbergen van het bij hem in beslag genomen geld, zodat van witwassen geen sprake is. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 en 2 Op 8 mei 2012 meldde de Liaison Officier IRC aan de regiopolitie Limburg-Zuid dat de Drug Enforcement Administration (DEA) in Memphis (Verenigde Staten) twee postpakketten had onderschept, waarin cocaïne zat verstopt. De pakketten waren op 2 mei 2012 verzonden vanuit Sao Paulo (Brazilië) en geadresseerd aan: - [naam persoon], [adresgegevens verdachte], en; - [naam vriendin verdachte], [adresgegevens vriendin verdachte]. Volgens de Gemeentelijke Basis Adminstratie stond op het adres [adresgegevens verdachte] te Maastricht ingeschreven: [naam verdachte] (hierna: verdachte). Op het adres [adresgegevens vriendin verdachte] te Maastricht stond ingeschreven: [naam vriendin verdachte] (hierna: [naam vriendin verdachte]). Na overleg met de officier van justitie werd besloten dat beide postpakketten gecontroleerd zouden worden afgeleverd bij de geadresseerden. Met de autoriteiten in de Verenigde Staten werd vervolgens afgesproken dat de door de DEA onderschepte pakketten op normale wijze, gecontroleerd per vliegtuig naar het vliegveld in Schiphol zouden worden vervoerd. Op 10 mei 2012 ontving de Nederlandse politie op het vliegveld Schiphol uit handen van een officier van de DEA de twee postpakketten. Beide pakketten werden in beslag genomen en onderzocht. In het postpakket dat was bestemd voor het adres [adresgegevens vriendin verdachte] zat in totaal ongeveer 493,3 gram cocaïne. In het postpakket dat was bestemd voor het adres [adresgegevens verdachte] zat in totaal ongeveer 506,6 gram cocaïne. Op 11 mei 2012 werden de postpakketten, door politieagenten in burger, gecontroleerd afgeleverd bij de geadresseerden. Het pakket dat was geadresseerd aan het adres [adresgegevens verdachte] werd in ontvangst genomen door verdachte, die vervolgens direct werd aangehouden. Tijdens de daaropvolgende doorzoeking in de woning van verdachte werden in de kelder van de woning drie plastic zakjes met wit poeder aangetroffen en in beslag genomen. De zakjes wogen respectievelijk 104,9 gram, 103,2 gram en 15,23 gram. Uit nader onderzoek door het NFI bleek dat de 15,23 gram wit poeder voornamelijk lactose bevatte, maar ook circa 2% cocaïne. De andere twee hoeveelheden poeder werden positief getest op de aanwezigheid van fenacetine. Uit de toelichting in het onderzoeksrapport blijkt dat zowel lactose als fenacetine kan worden gebruikt als versnijdingmiddel voor cocaïne. Het pakket dat was bestemd voor het adres [adresgegevens vriendin verdachte] werd in ontvangst genomen door [naam vriendin verdachte], die daarna eveneens direct werd aangehouden. [naam vriendin verdachte] verklaarde tegenover de politie dat zij bevriend was met verdachte en dat verdachte haar de dag vóór haar aanhouding had verteld dat een voor hem bestemd postpakket op haar adres zou worden bezorgd. Hij had haar vervolgens gevraagd of zij dit pakket voor hem in ontvangst wilde nemen. [naam vriendin verdachte] had daarmee ingestemd, maar wist naar eigen zeggen niet dat er cocaïne in het pakket zat. Uit het dossier blijkt voorts nog dat op 27 april 2011 door de douane op vliegveld Schiphol een postpakket was onderschept met daarin een hoeveelheid op heroïne gelijkende stof. Het pakket was afkomstig uit India en geadresseerd aan het adres: [adresgegevens verdachte]. Ook op 24 oktober 2011 was door de douane op Schiphol een pakket onderschept met daarin 100 gram van een op cocaïne gelijkende stof. Dit postpakket was afkomstig uit Panama en eveneens geadresseerd aan het adres: [adresgegevens verdachte]. De afzender betrof ene [naam afzender]. Tot slot bleek dat op 23 mei 2012 nogmaals was getracht een postpakket uit Brazilië te bezorgen op het adres van [naam vriendin verdachte]. Zij had dit pakket echter niet in ontvangst genomen. Uit nader onderzoek door de politie bleek dat ook in dit pakket verdovende middelen zaten. Uit het hiervoor vermelde is gebleken dat vanuit Brazilië een postpakket met cocaïne is verstuurd naar het adres van verdachte. Een soortgelijk pakket met cocaïne is verstuurd naar het adres van de (toenmalige) vriendin van verdachte genaamd [naam vriendin verdachte]. Beide pakketten zijn daadwerkelijk in Nederland gearriveerd en te Maastricht aan verdachte en [naam vriendin verdachte] aangeboden, zodat vast staat dat sprake is van invoer van cocaïne in Nederland. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of verdachte als medepleger van deze invoer kan worden aangemerkt. De rechtbank merkt allereerst op dat de invoer van verdovende middelen via postpakketten alleen mogelijk is indien de afzender over een adres beschikt waarnaar de pakketten kunnen worden verzonden. Anders dan de raadsman heeft gesteld levert het hiertoe ter beschikking stellen van een adres naar het oordeel van de rechtbank ‘medeplegen’ op van de invoer van verdovende middelen. Immers, degene die zijn adres ter beschikking stelt, levert daarmee een voldoende significante bijdrage aan de verwezenlijking van het delict, zodat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medepleger(s). De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat een persoon genaamd [naam persoon], door verdachte ook wel [naam persoon] genoemd, hem had gevraagd of hij vanuit Brazilië een postpakket kon laten bezorgen op het adres van verdachte. Verdachte heeft dit goed gevonden en heeft deze [naam persoon] zijn eigen adres gegeven en het adres van zijn vriendin ([naam vriendin verdachte]). De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte willens en wetens heeft meegewerkt aan het binnen Nederland (laten) brengen van de pakketten. Rest de vraag of verdachte ook wetenschap had van de inhoud van de beide pakketten. Verdachte heeft ter zitting verklaard hier niet van op de hoogte te zijn geweest. De rechtbank vindt dat echter ongeloofwaardig. Op de vraag van de rechtbank waarom “[naam persoon]” de pakketten niet gewoon op zijn eigen adres liet komen, heeft verdachte verklaard dat [naam persoon] in Spanje woonde. Bovendien waren de pakketten niet voor [naam persoon], maar voor diens broer, bestemd die wel in Nederland woonde, maar hier geen adres had. De verklaring van verdachte strookt niet met de verklaring van [naam vriendin verdachte], inhoudende dat het door haar in ontvangst genomen postpakket was bestemd voor verdachte. Daarnaast acht de rechtbank het onaannemelijk en bovendien onbegrijpelijk dat een persoon die woonachtig is in Spanje, vanuit Brazilië twee postpakketten verstuurt (laat versturen) naar twee afzonderlijke adressen in Nederland, terwijl deze pakketten niet eens voor hem zijn bestemd, te meer omdat verdachte tevens heeft verklaard dat [naam persoon] in Nederland was om de pakketten zelf in ontvangst te nemen. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat beide postpakketten met daarin cocaïne waren bestemd voor verdachte. Daarbij betrekt de rechtbank bovendien in haar overwegingen dat eerder pakketten met verdovende middelen aan verdachtes adres zijn gestuurd en ook nadien nog aan het adres van [naam vriendin verdachte]. Nu uit het dossier voorts blijkt dat in de woning van verdachte stoffen zijn aangetroffen die gebruikt worden voor de bewerking van cocaïne, acht de rechtbank wettig bewezen dat verdachte wetenschap had van het feit dat cocaïne in de aan hem en [naam vriendin verdachte] geadresseerde pakketten zat. De rechtbank komt, gelet op vorenstaande, tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich tezamen met een ander/anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van – circa 1 kg – cocaïne en dat hij opzettelijk stoffen aanwezig heeft gehad die waren bestemd voor het bereiden, bewerken of verwerken van cocaïne. Feit 3 Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken. De raadsman heeft – behoudens de hiervoor onder 3.2 weergegeven standpunten – tevens naar voren gebracht dat de verklaringen die verdachte heeft afgelegd tijdens de eerste twee verhoren bij de politie niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat verdachte niet in de gelegenheid is gesteld om voor aanvang van deze verhoren een advocaat te consulteren. Volgens de raadsman is aldus gehandeld in strijd met de geldende Salduz-jurisprudentie. Nu de rechtbank de genoemde verklaringen van verdachte niet heeft gebezigd voor het bewijs, komt zij aan de bespreking van het Salduz-verweer niet toe. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.