RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht parketnummer: 03/700073-12 Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 september 2012 in de strafzaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboortegegevens verdachte], wonende te [adresgevens verdachte]. Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25 april 2012, 8 juni 2012 en 11 september 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [naam slachtoffer] te doden, dan wel heeft geprobeerd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij haar heeft mishandeld. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, door haar keel meer dan een tiental seconden dicht te knijpen waardoor zij in ademnood kwam. Hij heeft daarbij gewezen op de foto’s van het letsel van het slachtoffer en de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2]. Door tussenkomst van getuige [naam getuige 1] is de voltooiing van de doodslag verhinderd. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe verwezen naar jurisprudentie. Volgens de raadsman moet er, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van poging doodslag of poging zware mishandeling, sprake zijn van een zekere intensiteit van de handelingen. Dat kan blijken uit bijvoorbeeld bewustzijnsverlies en/of letsel. Tevens is de duur van het dichtknijpen van de keel van belang. In casu staat naar het oordeel van de raadsman niet vast dat het slachtoffer het bewustzijn heeft verloren, nu de getuigen daarover niet verklaren en dit bovendien moeilijk te rijmen is met het blijven schreeuwen van het slachtoffer. Evenmin blijkt hoe lang verdachte haar keel heeft dichtgeknepen. Dat het slachtoffer letsel heeft opgelopen blijkt niet uit de geneeskundige verklaringen. Daarnaast is er volgens de raadsman sprake van vrijwillige terugtred, omdat verdachte het slachtoffer heeft losgelaten toen hij merkte dat zij gekalmeerd was. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Op 28 januari 2012 heeft [naam slachtoffer] aangifte gedaan van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling. Zij heeft verklaard dat zij die dag in de woning van haar moeder was, gelegen binnen de gemeente Stein, waar ook verdachte aanwezig was. Er ontstond een woordenwisseling. Op een gegeven moment greep verdachte haar opeens bij de keel en duwde haar naar achteren, tegen een muur. Zij kreeg daardoor geen lucht meer. Ook sloeg verdachte haar met het hoofd tegen de muur. Aangeefster heeft verder verklaard dat zij pijn heeft in haar keel, last heeft van hoofdpijn en striemen op haar armen. Op de foto’s van het letsel van aangeefster zijn rode striemen in de keel/halsstreek te zien en op de armen. In de geneeskundige verklaring wordt haar letsel omschreven als bloeduitstortingen in de hals en linkerbovenarm en een bloeduitstorting of bult op het achterhoofd. De ooggetuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat verdachte aangeefster met een hand bij de keel pakte en tegen een muur aanduwde. De ooggetuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat verdachte haar dochter met beide handen bij de keel vasthad en deze met volle kracht dicht duwde. Ter terechtzitting heeft ze verklaard dat ze dacht dat het maar met één hand was. Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster in de kraag heeft gevat en in de gang heeft gezet. Hij ontkent dat hij haar bij de hals heeft vastgepakt. De vraag is aan de orde of verdachte opzet heeft gehad op de dood van [naam slachtoffer]. Uit de verklaring van verdachte kan dat opzet niet worden afgeleid. Rest de vraag of het opzet op de dood van aangeefster kan worden afgeleid uit de uiterlijke ver¬schijningsvorm van verdachtes handelen. Uit de verklaringen van aangeefster en de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 1] en het geconstateerde letsel leidt de rechtbank af dat verdachte aangeefster bij de keel heeft vastgepakt en deze heeft dichtgeknepen. Dichtknijpen van de keel kan dodelijk letsel tot gevolg hebben maar dat is niet automatisch het geval. In dit geval acht de recht¬bank die kans niet aanmerkelijk, omdat niet vaststaat hoe lang verdachte de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen. Dat er sprake is geweest van bewustzijnsverlies bij het slachtoffer vindt de rechtbank onvoldoende aannemelijk, nu zij volgens de getuigen schreeuwde en naar eigen zeggen zag dat de getuige [naam getuige 1] verdachte van zich af trok. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster door zijn handelen zou komen te overlijden. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor het primair tenlastegelegde. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken. Vervolgens is de vraag aan de orde of verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster. De rechtbank overweegt dat het gedurende langere tijd met kracht dichtknijpen van iemands keel in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich meebrengt dat ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Immers op die plaats bevinden zich kwetsbare en vitale weke delen van de hals. Ook zou een gebrek aan zuurstof gedurende langere tijd tot een hersenbeschadiging kunnen leiden. Echter, op grond van de verklaring van aangeefster en het geconstateerde letsel, in samenhang met de verklaringen van de getuigen, concludeert de rechtbank dat niet vast is komen te staan hoe lang verdachte de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen en evenmin met hoeveel kracht dat is gebeurd. Er zijn wel aanwijzingen dat verdachte aangeefsters keel kennelijk niet heel lang en niet met heel veel kracht heeft dichtgeknepen. Aangeefster kon immers direct na het loslaten van haar keel schreeuwen, had geen noemenswaardig letsel aan haar hals en heeft waargenomen dat getuige [naam getuige 1] verdachte van zich aftrok. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het dichtknijpen van de keel van aangeefster door verdachte met onvoldoende intensiteit is geschied om een poging tot zware mishandeling op te leveren. Zij acht dan ook het subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken. Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam slachtoffer] heeft mishandeld. Verdachte heeft bekend dat hij het slachtoffer in de kraag heeft gevat en in de gang heeft gezet. Dat verdachte haar daarbij bij de keel heeft vastgepakt, deze heeft dichtgeknepen gehouden en haar met het hoofd tegen de muur heeft geslagen blijkt uit de aangifte, de verklaringen van de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 1] en het geconstateerde letsel. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken ten aanzien van het vastpakken aan de bovenarmen en bovenbenen. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Aangeefster heeft immers verklaard dat zij niet weet hoe zij aan het letsel op haar bovenarmen komt. Aan de bovenbenen van het slachtoffer is geen letsel geconstateerd. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.