RECHTBANK MAASTRICHT Sector strafrecht Parketnummers: 03/700120-12 en 810334-10 (ter terechtzitting gevoegd) Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 november 2012 In de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboortegegevens], wonende te [woonadres], thans gedetineerd in het PPC te Maastricht. Raadsman is mr. L. Bien, advocaat te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 4 september 2012 en 30 oktober 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling. Feit 2: een ruit heeft vernield. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De tenlastegelegde bedreiging De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangiftes van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], alsmede de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting. De tenlastegelegde vernieling De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer 5] en de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van beide aan verdachte tenlastegelegde feiten, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De tenlastegelegde bedreiging Verdachte verbleef op 17 februari 2012 met een voorlopige rechtelijke machtiging op de gesloten afdeling voor psychiatrische patiënten in het [naam ziekenhuis] te G. Hij wilde die dag vertrekken om carnaval te vieren. Toen hem dit niet werd toegestaan, werd verdachte zo kwaad dat hij een mes (waarmee je brood smeert) uit de keuken pakte en tegen het aanwezige personeel (onder andere de aangevers [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], ) riep “laat me gaan of ik steek jullie kapot”. Aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4], hebben vervolgens samen een matras gepakt om verdachte in een hoek te drijven en om zich te beschermen. Ook aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] zijn op een gegeven moment achter deze matras gaan staan. Verdachte heeft vervolgens met het mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van aangevers, in de richting van de matras, tegen de matras en om de matras heen richting aangevers. Nadat iemand de tuindeur voor verdachte had geopend, is verdachte naar buiten gelopen, over het hekwerk geklommen en verdwenen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die avond met verlof wilde om carnaval te kunnen vieren. Hij kreeg echter geen toestemming om het ziekenhuis te verlaten. Verdachte vond dat hij niet in het ziekenhuis thuishoorde en wilde toch weg. Verdachte heeft verklaard dat hij toen een smeermes heeft gepakt en daarmee het personeel heeft bedreigd. Hij heeft tegen hen gezegd: “Als jullie mij niet naar buiten laten, dan steek ik jullie neer”. Verdachte zegt tevens stekende bewegingen met het mes te hebben gemaakt, niet in de matras zelf maar wel stekende bewegingen om de matras heen. Hij wilde alleen dreigen, niet echt steken. Het was enkel de bedoeling om zo het ziekenhuis te kunnen verlaten, aldus verdachte. De rechtbank stelt voorop dat voor een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de uiting van dien aard moet zijn en onder zodanige omstandigheden moet zijn geschied dat de redelijke vrees kon ontstaan dat men het leven zou kunnen verliezen. Tevens moet het opzet van verdachte op het teweegbrengen van die indruk gericht zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval aan deze vereisten voldaan. Verdachte heeft een brood/smeermes in zijn handen gehad. Verdachte heeft met dit mes in zijn handen tegen aangevers geroepen “laat mij gaan of ik steek jullie kapot”. Ook heeft hij met het mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van aangevers en de matras waarachter zij bescherming zochten en heeft hij naar het oordeel van de rechtbank ook met het mes in de matras gestoken. Door deze combinatie van woorden en daden kon naar het oordeel van de rechtbank bij aangevers de redelijke vrees ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ook de bedoeling had de aangevers te bedreigen, om op deze manier toch naar buiten gelaten te worden en carnaval te kunnen vieren. De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting, dat hij ook gezegd zou hebben dat het niet zijn bedoeling was om iemand neer te steken, ongeloofwaardig. Dat zou immers afbreuk dan aan de dreiging die hij wilde creëren en die er toe moest leiden dat men hem liet gaan. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de tenlastegelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen. De tenlastegelegde vernieling De rechtbank acht de tenlastegelegde vernieling wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de aangifte van [slachtoffer 5], en - de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Ten aanzien van het feit op de dagvaarding met parketnummer 03/700120-12: op 17 februari 2012 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, [naam slachtoffer 1 en functie] en [naam slachtoffer 2 en functie] en [naam slachtoffer 3 en functie] en [naam slachtoffer 4 en functie] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend - met een mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en - met een mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van en tegen een matras welke door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (ter afwering) werd vastgehouden en - een mes aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] getoond en - daarbij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "laat me eruit of ik steek jullie kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; Ten aanzien van het feit op de dagvaarding met parketnummer 03/810334-10: op 16 oktober 2010 in de gemeente Maastricht opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een voordeur, toebehorende aan woningstichting Servatius, heeft vernield. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid 4.1 De strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: Ten aanzien van het feit op de dagvaarding met parketnummer 03/700120-12: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Ten aanzien van het feit op de dagvaarding met parketnummer 03/810334-10: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 4.2 De strafbaarheid van verdachte In de rapportage van prof. Dr. J.J. Baneke, forensisch psycholoog, d.d. 28 mei 2012 staat onder meer het volgende: Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, i.c. van een schizofrenie van het paranoïde type, van antisociaal gedrag en een antisociale persoonlijkheidsontwikkeling (de diagnose persoonlijkheidsstoornis is uitgesteld, omdat de paranoïde psychose teveel overheerste tijdens het onderzoek), van afhankelijkheid van cannabis en van amfetamine, en misbruik (mogelijk afhankelijkheid) van alcohol, mogelijk tevens misbruik of afhankelijkheid van andere middelen. Er zijn amper beschermende factoren. (…) blijkt betrokkene ten aanzien van het tenlastegelegde vooral gemotiveerd te zijn vanuit antisociale motieven. Hij werd niet geremd door enige empathie, zijn handelen was puur gericht op de wens om carnaval te vieren, mogelijk ook vanuit een zucht naar gebruik van middelen, al heeft betrokkene over dit laatste niets te kennen gegeven. Wel verhoogt de psychotische stoornis (paranoïde schizofrenie) de kans op gebrekkige realiteitstoetsing en oordeels- en kritiekstoornissen, waardoor gemakkelijk impulsief en antisociaal gedrag kan plaats vinden. Maar er zijn geen aanwijzingen dat bij het tenlastegelegde sprake was van primair psychotische aanzet tot het agressieve gedrag. Op basis van dit onderzoek wordt geadviseerd betrokkene in deze als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. In de rapportage van dr. C.M.J.H. Vermeulen, psychiater d.d. 18 juni 2012 staat onder meer het volgende: Betrokkene is een 22 jarige, alleenstaande man, bekend met een chronisch psychotische stoornis, die geduid wordt als schizofrenie van het paranoïde type. (…) Tevens is er gedurende jaren sprake van overmatig gebruik van meerdere drugs. (…) Betrokkene gebruikt overmatig alcohol, de zucht hiernaar was de reden van zijn wens weg te willen van de PAAZ-afdeling (…) Er is tevens sprake van gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van kenmerken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. (…) Ten tijde van het tijde van het tenlastegelegde heeft betrokkene zeer waarschijnlijk niet onder invloed van zijn wanen gehandeld. Hij was volgens eigen zeggen op dat moment ook niet onder invloed van drugs of alcohol. Van een invloed van de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens was wel sprake ten tijde van het ten laste gelegde in de vorm van kenmerken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. (…) Onderzochte kan voor het aan hem ten laste gelegde, indien dit wordt bewezen, verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. De rechtbank begrijpt, gelet op de daarvoor in de rapporten gegeven gronden, de conclusie van de psycholoog en de psychiater dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en neemt deze conclusie over. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 5 De strafoplegging 5.1 De vordering van de officier van justitie Voor beide feiten heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de zij gevorderd de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met het feit dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. 5.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte tijdens het voorarrest een zware periode heeft doorgemaakt en met het feit dat hij als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De raadsman acht de door de officier van justitie gevorderde straf aan de hoge kant. Hij heeft verzocht om deze straf te matigen. De raadsman heeft zich met betrekking tot de door de deskundigen geadviseerde en eventueel op te leggen TBS-maatregel (met voorwaarden) aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Het opleggen van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging is volgens de raadsman, gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, in onderling verband en samenhang bezien met de ernst van de thans door hem gepleegde feiten, niet opportuun. De omstandigheid dat verdachte op dit moment niet open staat voor een behandeling, wil volgens de raadsman niet zeggen dat een TBS met voorwaarden geen kans van slagen heeft. 5.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Die beslissing wordt als volgt toegelicht. In de rapportage van prof. Dr. J.J. Baneke, forensisch psycholoog, d.d. 28 mei 2012 staat onder meer het volgende: “Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, i.c. van een schizofrenie van het paranoïde type, van antisociaal gedrag en een antisociale persoonlijkheidsontwikkeling (de diagnose persoonlijkheidsstoornis is uitgesteld, omdat de paranoïde psychose teveel overheerste tijdens het onderzoek), van afhankelijkheid van cannabis en van amfetamine, en misbruik (mogelijk afhankelijkheid) van alcohol, mogelijk tevens misbruik of afhankelijkheid van andere middelen. Er zijn amper beschermende factoren.” “ (…) blijkt betrokkene ten aanzien van het tenlastegelegde vooral gemotiveerd te zijn vanuit antisociale motieven. Hij werd niet geremd door enige empathie, zijn handelen was puur gericht op de wens om carnaval te vieren, mogelijk ook vanuit een zucht naar gebruik van middelen, al heeft betrokkene over dit laatste niets te kennen gegeven. Wel verhoogt de psychotische stoornis (paranoïde schizofrenie) de kans op gebrekkige realiteitstoetsing en oordeels- en kritiekstoornissen, waardoor gemakkelijk impulsief en antisociaal gedrag kan plaats vinden. Maar er zijn geen aanwijzingen dat bij het tenlastegelegde sprake was van primair psychotische aanzet tot het agressieve gedrag. Op basis van dit onderzoek wordt geadviseerd betrokkene in deze als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. (…) Op basis van een gestructureerde risicotaxatie met de HKT-30 en een klinische risicotaxatie zijn er veel relevante factoren aanwezig die de kans op impulsieve en agressieve ontsporingen vergroten. (…) Bovendien lijkt betrokkene zich steeds meer aan behandeling/begeleiding te onttrekken en meent hij geen medicatie meer nodig te hebben, hetgeen zal leiden tot toename van ernstige psychopathologie en escalatie van de problematiek, met alle risico’s van dien. (…) Een combinatie van langdurige klinische behandeling en veiligheidsbeheersing met risicomanagement is nodig bij deze complexe problematiek. Er zijn forse sanctiemogelijkheden nodig om adequate beveiliging toe te kunnen passen. Gedacht wordt aan een TBS. Of een TBS met voorwaarden een reële optie is, valt te bezien. Betrokkene heeft aan het huidige onderzoek beperkt meegewerkt. Bij de mederapporteur heeft hij nog minder meegewerkt. (…) Bij de schriftelijke beantwoording van de vragen van de officier van justitie en de raadsman heeft de rapporteur te kennen gegeven dat (vanuit het huidige psychologische onderzoek, mede gezien de risicoprognose op basis van een klinische en gestructureerde (HKT-30) taxatie) de kans dat betrokkene zich zal houden aan de voorwaarden beperkt geacht moet worden. In de rapportage van dr. C.M.J.H. Vermeulen, psychiater d.d. 18 juni 2012 staat onder meer het volgende: “ Betrokkene is een 22 jarige, alleenstaande man, bekend met een chronisch psychotische stoornis, die geduid wordt als schizofrenie van het paranoïde type. (…) Tevens is er gedurende jaren sprake van overmatig gebruik van meerdere drugs. (…) Betrokkene gebruikt overmatig alcohol, de zucht hiernaar was de reden van zijn wens weg te willen van de PAAZ-afdeling (…) Er is tevens sprake van gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van kenmerken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. (…) Ten tijde van het tijde van het tenlastegelegde heeft betrokkene zeer waarschijnlijk niet onder invloed van zijn wanen gehandeld. Hij was volgens eigen zeggen op dat moment ook niet onder invloed van drugs of alcohol. Van een invloed van de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens was wel sprake ten tijde van het ten laste gelegde in de vorm van kenmerken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. (…) De gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens (…) vormt een risico voor recidive. Dit wordt versterkt door zijn chronische psychotische belevingen, ondanks de medicatie die hij hiervoor, tegen zijn zin, gebruikt. (…) De combinatie van zijn afhankelijkheid voor drugs naast het vanuit zijn persoonlijkheidskenmerken al aanwezige beperkte vermogen om impulsen te beheersen, beïnvloeden het recidive risico in negatieve zin. De beschikbare informatie toont aan dat betrokkene in zeer ongunstige sociale omstandigheden is opgegroeid. Er zijn weinig beschermende factoren aan te wijzen die het risico op recidive zouden kunnen verkleinen. Deze inschatting van de risicoprognose op basis van de gegevens voortkomend uit het voorliggende onderzoek, worden bevestigd door de gestandaardiseerde risicotaxatie, uitgevoerd door mederapporteur, middels de HKT-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.