RECHTBANK MAASTRICHT Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 12 / 1939, AWB 12 / 1940 en AWB 12 / 1986 Uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen [namen verzoeksters 1 t/m 6], verzoeksters, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder. Datum bestreden besluit: 5 november 2012 Kenmerk: --- Procesverloop Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de openingstijden van de gemeentelijke straatprostitutielocatie met onmiddellijke ingang vastgesteld op 21.00 uur tot 24.00 uur en met ingang van 1 december 2012 vastgesteld op 21.00 uur tot 23.00 uur. Verzoeksters hebben tegen dit besluit (drie) bezwaarschriften doen indienen bij verweerder. Voorts is de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te treffen. Verweerder heeft de stukken die op de zaken betrekking hebben ingezonden. De verzoeken zijn (gevoegd) behandeld ter zitting van 4 december 2012, waar verzoeksters sub 1, sub 2 en sub 6 zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoeksters, mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat te Heerlen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. J.A.L. Devoi en mr. K.W.A.J. Kremer, beiden werkzaam bij verweerders gemeente. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb – voor zover hier van belang – kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de eerste twee in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu namens verzoeksters bezwaar is gemaakt tegen verweerders besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening is gevraagd en deze rechtbank bevoegd kan worden geacht om van de (mogelijke) hoofdzaken kennis te nemen. Ook de vereiste onverwijlde spoed acht de voorzieningenrechter, mede gelet op het verhandelde ter zitting, voldoende aannemelijk gemaakt. 3. Tot het treffen van een voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor de indiener van het verzoek uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Daarbij gaat het om een afweging van de belangen van de indiener van het verzoek bij een onverwijlde voorziening tegen de belangen die zijn gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard en niet bindend in die procedure. 4. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 1:3, tweede lid, van de Awb wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Ingevolge artikel 3:2 van de Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Ingevolge artikel 3:4, eerste lid, van de Awb weegt het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien die beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt. Ingevolge artikel 3:21, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Heerlen (hierna: APV), voor zover hier van belang, wordt onder straatprostitutielocatie verstaan: een als zodanig door het college aangewezen, en bij openbare kennisgeving bekend gemaakte weg of gedeelte van een weg, gedurende de uren in die kennisgeving vastgesteld. Ingevolge artikel 3:22, eerste lid, van de APV wijst het college een straatprostitutielocatie aan als bedoeld in artikel 3:21, sub b, van de APV. Ingevolge artikel 3:22, tweede lid, van de APV is het verboden op of aan een weg of een gedeelte van een weg anders dan op een straatprostitutielocatie als bedoeld in artikel 3:21, sub b, gedurende de uren daarbij vastgesteld, door houding, woord, gebaar of op andere wijze, handelingen te verrichten waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze worden verricht om zich ter prostitutie aan te bieden. Ingevolge artikel 3:23, eerste lid, van de APV, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, te trachten als prostitué(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.