ARRONDISSEMENTSPOLITIERECHTER TE MIDDELBURG politierechter Parketnummer(s): 12/010921-99 en 12/011153-99 (ttz.gev.) Datum uitspraak: 13 juni 2000 Tegenspraak V O N N I S van de politierechter te Middelburg in de strafzaken tegen: (verdachte), geboren op (geboortedatum) te Rotterdam, wonende te (adres), ter terechtzitting verschenen. Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. M.J.F. Sul, advocaat te Goes. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 mei 2000. De politierechter heeft ter terechtzitting de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De politierechter heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Hij zal die nummering in dit vonnis aanhouden. De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Kappeyne van de Coppello en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake het bij parketnummer 12/010921-99 onder feit 2 en bij parketnummer 12/011153-99 onder feit 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van in totaal ƒ 5.000,00 subsidiair 50 dagen hechtenis en ter zake het bij parketnummer 12/010921-99 onder feit 1 en bij parketnummer 12/011153-99 onder feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de inbeslaggenomen voorwerpen (1 prijslijst, geld Nederlands, 10 bankbiljetten a ƒ 10,=, 1 weegschaal, Tanita 1479 max. 100g, 1 beker, hash maker, 1 gripzakje) zullen worden verbeurd verklaard. Ter zitting is voorts behandeld de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Op deze vordering doet de politierechter heden afzonderlijk uitspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën in dit vonnis zijn gevoegd. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie Standpunt verdachte De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging. Dat verweer is als volgt onderbouwd. In het verleden kende Goes diverse coffeeshops. Verdachte exploiteerde een van deze shops. Tegen geen van deze shops werd bestuurlijk of strafrechtelijk opgetreden. In 1997 heeft de gemeente Goes een gedoogbeleid ontwikkeld voor coffeeshops. Ter uitvoering van dat beleid is aan twee coffeeshops een exploitatievergunning verleend voor een alcoholvrij horecabedrijf. Verkoop van softdrugs wordt in die coffeeshops door gemeente en openbaar ministerie gedoogd. Verdachte heeft verzocht als derde coffeeshop een exploitatievergunning voor een alcoholvrij horecabedrijf te verkrijgen en/of het gedoogbeleid uit te breiden tot haar coffeeshop. Dat verzoek is door de gemeente Goes niet gehonoreerd. Tegen die beslissing is verdachte in rechte opgekomen. De bestuursrechter heeft de gemeente in het gelijk gesteld, maar tegen die beslissing is thans nog aanhangig een beroep van verdachte bij de Raad van State. De verwachting is gerechtvaardigd dat dit beroep wordt gehonoreerd. Gevolg daarvan is dat ook de coffeeshop van verdachte alsnog gedoogd zal moeten worden door de gemeente en -nu dit het gemeentelijk beleid in zoverre volgt- door het openbaar ministerie. Vervolging is in strijd met de door het openbaar ministerie zelf gehanteerde richtlijn nu door de gemeente gedoogde coffeeshops niet worden vervolgd tenzij in de richtlijn genoemde voorwaarden worden overtreden. Van een dergelijke overtreding is geen sprake. Vervolging is bovendien in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de coffeeshop van verdachte uiteindelijk ook gedoogd zal moeten worden en zij dus aanspraak mag maken op een behandeling die vergelijkbaar is met die van de twee thans reeds gedoogde coffeeshops, te weten: geen strafrechtelijke vervolging. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft op dit verweer als volgt gereageerd. Het is juist dat in het verleden tegen de coffeeshops in Goes -waaronder die van verdachte- niet strafrechtelijk is opgetreden. Na de invoering van het gemeentelijk beleid dat uitgaat van 2 gedoogde coffeeshops heeft het Openbaar Ministerie, conform de eigen richtlijn, besloten in beginsel die coffeeshops niet te vervolgen. De coffeeshop van verdachte werd na invoering door de gemeente (niet langer) gedoogd. Om die reden is aan verdachte aangezegd, dat per 1 juli 1998 strafrechtelijk zou worden opgetreden. Dat is vervolgens gebeurd. Van handelen in strijd met de eigen vervolgingsrichtlijn is geen sprake. Daarbij komt, dat verdachte in haar coffeeshop verkocht heeft aan minderjarigen. Ingevolge de vervolgingsrichtlijn van het openbaar ministerie is dat een reden om, ook al zou verdachte bestuurlijk gedoogd zijn, toch strafrechtelijk op te treden. Van handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake omdat de situatie van verdachte niet vergelijkbaar is met die van de twee gedoogde coffeeshops nu verdachte (bestuurlijk) niet (langer) gedoogd wordt. Beoordeling In de door het College van procureurs-generaal uitgevaardigde Richtlijn opsporings- en strafvorderingsbeleid strafbare feiten Opiumwet (verder: de richtlijn) van 10 september 1996 treedt het openbaar ministerie in beginsel niet op tegen coffeeshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd. In deze zaak kan tot feitelijk uitgangspunt worden genomen dat de coffeeshop van verdachte niet wordt gedoogd door het lokale driehoeksoverleg Voorts geldt dat het openbaar ministerie zich -terecht- gebonden acht aan voormelde richtlijn. Reeds omdat de coffeeshop van verdachte niet voldoet aan de voorwaarde dat deze gedoogd wordt door het lokale driehoeksoverleg geldt dat vervolging niet in strijd is met die richtlijn. Het feit, dat verdachte in bestuursrechtelijke procedures gedaan poogt te krijgen dat ook haar coffeeshop onder het bereik van het gemeentelijk gedoogbeleid valt doet aan het voorgaande niet af. De feitelijke situatie is nu eenmaal dat die coffeeshop in de tenlastegelegde periode niet werd gedoogd door het lokale driehoeksoverleg (waarin de gemeente partner, maar niet de enige partner is). Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is evenmin sprake. Verdachte trekt een vergelijking met de wel gedoogde coffeeshops. Die vergelijking gaat echter niet op omdat het wezenlijke verschil tussen die coffeeshops en die van verdachte nu juist is het feit dat het eerstgenoemde duo wel maar verdachte door het lokale driehoeksoverleg niet wordt gedoogd. Waar de richtlijn dat onderscheid tot uitgangspunt neemt mocht het openbaar ministerie op basis van dat onderscheid beslissen tegen verdachte wel en tegen de twee gedoogde coffeeshops niet op te treden. Bewezenverklaring De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. zij op of omstreeks 26 augustus 1999, in de gemeente Goes, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad: -ongeveer 142,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish) en/of -ongeveer 94,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hashish en/of hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; 2. zij in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 26 augustus 1999, in de gemeente Goes, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans éénmaal, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van niet meer dan 30 gram van (een) materia(a)l(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.