RECHTBANK MIDDELBURG Sector civiel recht Vonnis van 17 december 2003 in de zaak van: rolnr: 170/02 1. (eiser 1), wonende te (woonplaats), 2. De naamloze vennootschap ARAG-Nederland, Algemene Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., eisers, advocaat: mr. J.M. Tromp, procureur: mr. C.J. IJdema; tegen: De onderlinge waarborgmaatschappij U.A. Onderlinge Verzekering Maatschappij ZLM U.A., tevens handelende onder de naam Onderlinge Verzekering Maatschappij ZLM U.A. ZLM Verzekeringen, gevestigd en kantoorhoudende te Goes, gedaagde, procureur: mr. J.C. van den Dries. 1. Het verloop van de procedure Ter voldoening aan het comparitievonnis van 10 juli 2002 is op 7 oktober 2002 een comparitie gehouden. Ter gelegenheid van deze compartie zijn door partijen inlichtingen verstrekt en van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Daarna zijn nog de volgende processtukken gewisseld: - akte houdende producties, tevens houdende een correctie naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie van partijen; - antwoordakte inzake correctie/aanvulling naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie van partijen. 2. De feiten Vordering (eiser 1) 2.1. Eiser sub 1 is op 9 mei 1994 slachtoffer geworden van een verkeersongeval. Eiser 1 die is geboren op 6 juli 1964 was ten tijde van het ongeval 29 jaar oud, was getrouwd en had een dochter geboren op 9 maart 1994. De tweede dochter is geboren op 25 december 1995. 2.2. Eiser 1 heeft ten gevolge van het ongeval zijn linker pols gebroken. Daarna ontwikkelde zich in zijn linkerarm een posttraumatische dystrofie - verder PTD - met als gevolg dat de linkerarm nagenoeg geheel onbruikbaar is geworden. De blijvende invaliditeit werd gesteld op 54% van de gehele mens. 2.3. Medio 1998 ontwikkelde zich ook een dystrofie in eiser 1 zijn rechter arm. Het functieverlies van de rechterarm bedraagt 54%. Dit komt neer op 32% blijvende invaliditeit van de gehele mens. Het totaalpercentage blijvende invaliditeit bedraagt, ten opzichte van de gehele mens, 69%. 2.4. Eiser 1 is volledig arbeidsongeschikt. Vordering ARAG 2.5. Tussen ARAG en ZLM is van toepassing de Regeling Buitengerechtelijke Kosten-Letsel - verder de Regeling - zoals die laatstelijk is gewijzigd per 12 december 2001. 2.6. Arikel 4 b van de Regeling luidt: "Indien een dergelijke minnelijke regeling niet kan worden bereikt, is de regeling buitengerechtelijke kosten niet van toepassing, maar hanteren de aansprakelijkheids- verzekeraar en de rechtsbijstandverzekeraar de volgende gedragsregels: 1. indien de zaak door de rechtsbijstandverzekeraar is overgedragen aan een advocaat en deze advocaat zonder een civiele procedure gestart te hebben alsnog een minnelijke regeling met de aansprakelijkheidsassuradeur bereikt, dan beperkt de rechtsbijstandverzekeraar zijn gehele vordering tot verhaal van kosten van rechtsbijstand tot een bedrag gelijk aan de lumpsum, eventueel vermeerderd met de kosten terzake van arbeidsreïntegratie en voertuigexpertise; 2. indien de rechtsbijstandsassuradeur zelf een civiele procedure start, of de zaak door de rechtsbijstandverzekeraar is overgedragen aan een advocaat die vervolgens een civiele procedure start, beperkt de rechtsbijstandverzekeraar zijn vordering tot verhaal van de door hem vóór het starten van de procedure resp. het inschakelen van de advocaat gemaakte kosten, tot het bedrag van de lumpsum, eventueel vermeerderd met de kosten terzake van arbeidsreïntegratie en voertuigexpertise." 3. Het geschil Vordering eiser 1 3.1. Eiser 1 vordert gedaagde - verder ZLM - te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 631.420,-- te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen op grond van artikel 6:119 BW, met veroordeling van ZLM in de kosten van het geding. De totaal door eiser 1 ten gevolge van het ongeval geleden schade nader uitgewerkt in een schadestaat overgelegd als produktie IV bedraagt volgens eiser 1 € 740.330,--. Dit bedrag is door hem verminderd met het door ZLM betaalde voorschot van € 108.910,-- zodat volgens eiser 1 mitsdien resteert te betalen het in het kader van de onderhavige procedure gevorderde bedrag. 3.2. Alvorens tot beoordeling van de verschillende schadecomponenten kan worden overgegaan moet volgens eiser 1 duidelijkheid bestaan omtrent het tussen partijen bestaande verschil van mening over de vraag of de tweede dystrofie in de rechterarm nog wel als ongevalsgevolg kan worden beschouwd en omtrent de vraag of eiser 1 op grond van zijn preëxistente klachten ook arbeidsongeschikt zou zijn geworden. 3.3.1. Eiser 1 stelt dat ook de tweede dystrofie in zijn rechterarm en zijn volledige arbeidsongeschiktheid als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser 1 naar de bevindingen van mevrouw A. Krul-van Turenhout, verzekeringsgeneeskundige verbonden aan medisch adviesbureau Medicon, zoals zij die heeft samengevat in een brief van 24 januari 2002 met bijlagen. Zij is van oordeel dat er geen preëxistente faxtoren aanwezig zijn die tot schade en in het bijzonder arbeidsongeschiktheid zouden hebben geleid indien er niet sprake was geweest van het aan eiser 1 op 9 mei 1994 overkomen ongeval. Bij haar beoordeling heeft zij betrokken een aan eiser 1 in 1980 overkomen ongeval met een bromfiets, een in 1993 aan eiser 1 overkomen auto-ongeval, het feit dat eiser 1 sinds 1996 aan suikerziekte type I lijdt en er vanaf 1995 sprake is van verhoogde bloeddruk die medicamenteus behandeld wordt. Met betrekking tot de dystrofie in de rechterarm van eiser 1 is mevrouw Krul-van Turenhout van mening dat deze indirekt als gevolg van het ongeval van 9 mei 1994 beschouwd kan worden waarbij een PTD in de linkerarm is opgetreden. Zij komt tot haar oordeel op grond van het door Professor dr. R.J.A. Goris - verder Goris - gegeven antwoord in een soortgelijke casus. Voorts op grond van het proefschrift van dr. P.H.J.N. Veldman - verder Veldman - en op grond van een onderzoek van de heer M.L.A. Schotel - verder Schotel - medisch adviseur bij Aegon. Volgens mevrouw A. Krul-van Turenhout valt uit de medische literatuur op te maken dat er 5% (tot 10%) kans is op het ontwikkelen van een tweede dystrofie in een andere extremiteit indien men reeds een dystrofie heeft. Andere factoren dan de reeds aanwezige dystrofie worden niet genoemd. Eventueel genetische aanleg doet in deze zaak niet ter zake omdat men het slachtoffer moet nemen zoals hij is. Het spontaan ontwikkelen van een tweede dystrofie moet volgens mevrouw A. Krul-van Turenhout dan ook als indirekt ongevalsgevolg worden beschouwd. 3.3.2. Ter nadere onderbouwing van zijn stellingen verwijst eiser 1 voorts naar de medische informatie vervat in de door hem overgelegde produkties II.1 tot en met II.37. 3.4. Eiser 1 is van oordeel dat indien ZLM haar stellingen handhaaft dat hij ook zonder arbeidsongeval arbeidsongeschikt zou zijn geraakt en de tweede dystrofie in de rechterarm niet als ongevalsgevolg kan worden beschouwd, ZLM zulks zal hebben te bewijzen. 3.5.1. ZLM betwist dat de tweede dystrofie een gevolg is van het eerdere ongeval. Er is geen causaal verband aantoonbaar tussen het ongeval in 1994 en de tweede spontane dystrofie in 1998 in de niet bij het ongeval verwondde rechterarm. Zij verwijst daartoe naar een als produktie overgelegd schriftelijk advies van dr. P.T.M. Goddijn - verder Goddijn - van 5 juni 2002. Goddijn komt tot de conclusie dat de kans dat de tweede dystrofie géén gevolg is van het eerdere ongeval zeer groot is. Daarbij heeft hij de volgende feiten in aanmerking genomen: - er is geen trauma bekend in de rechterarm; - slechts in 5% van de gevallen dat er een eerdere dystrofie is, volgt een tweede dystrofie; - in 10%-26% van de gevallen van dystrofie kan geen oorzakelijke factor voor het optreden van dystrofie genoemd worden; - eiser 1 heeft meerdere ziektebeelden (diabetes, hypertensie, overgewicht) die kunnen bijdragen aan of leiden tot het ontstaan van dystrofie. ZLM verwijst ter nadere onderbouwing van haar verweer ook naar het tweede rapport van Goris overgelegd als produktie 1, bijlage 1 bij de dagvaarding, en naar het onderzoek van Goris en Veldman. Het is voorts onzeker of er een medisch causaal verband is. Het ontstaan van een tweede dystrofie, bij ongeveer 5% van de patiënten, kan volgens de ZLM door tal van onderscheiden aandoeningen en ook door praedisponerende factoren ontstaan. ZLM verwijst ter nadere onderbouwing van haar stelling naar bijlage 6 bij produktie 1, pag 100, het onderzoek van Schotel. Volgens ZLM is in 10%-26% geen enkele oorzaak te vinden. Spontane dystrofie is veel aannemelijker, 95% tegen 5%. 3.5.2. ZLM stelt voorts dat bij berekening van de schade van eiser 1 rekening moet worden gehouden met het feit dat, ook al zou het ongeval niet hebben plaatsgevonden, hij, gelet op het aantal ziekten en gebreken waaraan hij lijdt, rond zijn 40e levensjaar in 2004 niet meer aan het arbeidsproces had kunnen deelnemen en dat zijn levensverwachting ongeveer 20 jaar korter is dan de normale levensverwachting van 76 jaar. ZLM verwijst daartoe naar het medische dossier, overgelegd als produktie II bij de dagvaarding. 3.6. ZLM is van mening dat indien haar eerste verweer, inhoudend dat er geen causaal verband bestaat, verworpen wordt, de leer van de proportionaliteit zou kunnen worden toegepast teneinde het geschil tussen partijen te beëindigen. Het noodzakelijk conditio sine qua non-verband tussen de tweede spontane dystrofie in 1998 en het ongeval in 1994 is volgens ZLM niet vast te stellen maar ook niet uit te sluiten. In dit geval is volgens ZLM de proportionele benadering een billijke oplossing. Conreet betekent dit volgens ZLM dat alle vaststaande schadeposten tot de statistische einddatum berekend worden, tot medio 1998 volledig, na medio 1998 naar een percentage waarin de goede en kwade kansen zijn verdisconteerd ten aanzien van het ontstaan van de tweede spontane dystrofie en vanaf 2004 tevens ten aanzien van de pre-existente klachten. ZLM stelt voor een deskundige te benoemen die de schattingspercentages kunnen bepalen. Als uitgangspunt voor de berekening van de diverse schadeposten moeten de rapporten van Bureau Terzet worden genomen. Partijen hebben over de conclusies van deze rapporten overeenstemming bereikt. 3.7. ZLM bestrijdt de bewijslast te moeten dragen ten aanzien van de stelling dat de tweede dystrofie het gevolg is van het ongeval. De zogenaamde "omkeringsregel" is slechts onder omstandigheden bij de vestigingsfase van aansprakelijkheid van toepassing, niet in het latere stadium bij de vaststelling van de (omvang van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.