Rechtbank Middelburg Sector civiel recht Vonnis van 14 april 2004 in de zaak van: rolnr.: 474/02 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tummers Beheer B.V., gevestigd te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht, eiseres, procureur: mr. J.C. Bode - ’t Hart, advocaat: mr. L.J. van Langevelde, tegen: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Franken Roestvast B.V., gevestigd te Goes, gedaagde, niet verschenen, en tegen: 2. (naam gedaagde), wonende te (woonplaats), gedaagde, procureur: mr. M.L. Huisman. 1. Het verloop van de procedure. 1.1. Bij dagvaarding van 15 oktober 2002 heeft eiseres, verder te noemen: Tummers, de gedaagden, verder te noemen: Franken Roestvast respectievelijk: gedaagde 2, gedagvaard voor de rechtbank te Middelburg, teneinde te verschijnen tezamen met de mede-gedaagden: (naam gedaagde 3) en (naam gedaagde 4). Nadat door genoemde (gedaagde 3 en gedaagde 4) bij conclusie van antwoord verweer was gevoerd, is de procedure tussen Tummers en (gedaagde 3) en tussen Tummers en (gedaagde 4) geroyeerd. 1.2. Franken Roestvast is op de dagvaarding niet verschenen en Tummers heeft tegen haar verstek gevraagd, dat is verleend. 1.3. In de procedure, voor zover gericht tegen gedaagde 2, zijn de volgende processtukken gewisseld: - de dagvaarding; - de akte met producties: - de conclusie van antwoord met producties; - de conclusie van repliek met producties; - de conclusie van dupliek met een productie. Daarna hebben partijen vonnis gevraagd. Inzake de vordering tegen Franken Roestvast: 2. De beoordeling 2.1. Nu tegen Franken Roestvast verstek is verleend zal de rechtbank de beslissing inzake de vordering van Tummers tegen Franken Roestvast aanhouden tot de eindbeslissing in de zaak tegen gedaagde 2. Inzake de vordering tegen gedaagde 2: 3. De feiten 3.1. Tummers heeft in het jaar 2000 belangstelling getoond voor de koop van de aandelen in Franken Roestvast. Deze vennootschap was houdster van de aandelen in Handel- en Industriemaatschappij Franken B.V. die op haar beurt houdster was van de aandelen in Franken Yerseke B.V. en Franken Agro B.V. Deze vennootschappen worden hierna tezamen mede aangeduid als de Franken-groep. Aandeelhouders in Franken Roestvast waren: a. Holding Smit Koole B.V., b. (naam aandeelhouder), en c. Phoenix Investments B.V. 3.2. Bestuurder van Franken Roestvast was Handel- en Industriemaatschappij Franken B.V., hierna ook aangeduid als: HIF. Bestuurder van HIF was Holding Smit Koole B.V. Een van de bestuurders van Holding Smit Koole B.V. was Holding C. Koole Vlissingen B.V., van welke laatste vennootschap gedaagde 2 enig bestuurder en aandeelhouder was. 3.3. Gedaagde 2 was door de aandeelhouders gemachtigd namens hen handelend op te treden in verband met de mogelijke verkoop van de aandelen. Hij heeft als enige van de zijde van de aandeelhouders met Tummers contact gehad. 3.4. Bij brief van 14 november 2000 heeft gedaagde 2 aan Tummers stukken toegestuurd, betrekking hebbende op de Franken-groep. Hiertoe behoorden: - een verkorte balans per ultimo derde kwartaal 2000 met winst- en verliesrekening over de eerste drie kwartalen van 2000; dit stuk vermeldt een gebudgetteerd netto resultaat voor 2000 van ƒ 944.000,--; - een memo genaamd: ”Franken in haar derde eeuw”; - een stuk genaamd: ”Evaluatie omzet 2000 en toelichting prognose 2001”. 3.5. Op 20 december 2000 heeft gedaagde 2 aan Tummers een handgeschreven stuk doen toekomen, genaamd: ”Overzicht kosten niet behorend bij de ”normale” bedrijfsvoering”. 3.6. Op 22 december 2000 heeft Tummers aan gedaagde 2 geschreven een vrijblijvend en niet verbindend voorstel te doen tot overname van de aandelen voor ƒ 4,5 miljoen, zulks onder nadere voorwaarden waaronder een due diligence onderzoek. Na verdere onderhandelingen en correspondentie heeft Tummers haar bod verhoogd tot ƒ 5 miljoen. Inmiddels onderhandelden Tummers en gedaagde 2 ook over een concept voorovereenkomst. 3.7. Volgens een intern rapport van 16 februari 2001 was over het jaar 2000 een netto-verlies geleden van ƒ 235.000,--. 3.8. Op 21 februari 2001 hebben enerzijds gedaagde 2 namens Franken Roestvast en anderzijds Tummers een stuk getekend genaamd ”Voorovereenkomst tot verkoop en levering van aandelen tussen de ondergetekenden”. Het stuk houdt verklaringen in van enerzijds de aandeelhouders van Franken Roestvast, vertegenwoordigd door gedaagde 2, aangeduid als verkoper, en anderzijds Tummers, aangeduid als koper. 3.9. Deze voorovereenkomst houdt onder meer in: - de considerans dat: (...) ”De koper bekend is met het bedrijf Franken Roestvast (...), doordat hij genoegzaam heeft kennis genomen van de inhoud van door verkoper tot dusver aan koper verstrekte informatie over het bedrijf. Deze informatie is opgesomd in een begeleidende brief, gedateerd 14 november 2000 en bestaat uit: (...) Door gedaagde 2 handgeschreven opsomming getiteld: ”Overzicht kosten behorend bij de normale bedrijfsvoering”. Afgegeven op 20 december 2000.” - voorts als verklaringen van koper en verkoper: ”1. De verkoper is bereid alle aandelen te verkopen en over te dragen (...) gelijk koper bereid is de bedoelde aandelen te kopen. (...) 3. De koopsom voor alle aandelen bedraagt f 5.000.000,-- onder navolgende ontbindende voorwaarden: *Dat een due diligence onderzoek geen aanleiding zal geven van de koop af te zien of de prijs te verlagen. (...) 7. De verkoper zal de koper toestaan een volledig due diligence onderzoek van Franken Roestvast en haar dochterondernemingen en deelnemingen uit te voeren, teneinde de juistheid en volledigheid van alle tot dusver door de verkoper overgedragen informatie over het bedrijf te kunnen verifiëren (...). De koper heeft het recht om deze voorovereenkomst te ontbinden of om de koopsom aan te passen, indien en voor zover het due diligence onderzoek hier aanleiding toe geeft. Dit zal uitsluitend kunnen gebeuren indien er substantiële afwijkingen ten opzicht van de eerder verkregen informatie, uit het bedrijfs- en boekenonderzoek naar voren zijn gekomen. De kosten van dit due diligence onderzoek zullen ieder voor de helft betaald worden door koper en verkoper”. 3.10. Tummers heeft de accountants PricewaterhouseCoopers, hierna: ”PwC”, verzocht een onderzoek in te stellen. Op 18 april 2001 heeft PwC een concept rapport uitgebracht. De kosten van PwC hebben ƒ 55.100,-- bedragen. Franken Roestvast heeft de helft van dit bedrag aan Tummers betaald. 3.11. Bij brief van 19 april 2001 heeft Tummers de voorovereenkomst ontbonden. 4. Het geschil De stellingen van Tummers 4.1. Tummers vordert veroordeling van gedaagde 2 tot betaling van € 48.630,28, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 44.146,28 vanaf 1 november 2002 tot aan de dag der algehele voldoening en met de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.542,--, alsmede met de kosten van de procedure. Tummers heeft de vordering, kort gezegd, als volgt onderbouwd. 4.1.1. Gedaagde 2 was vóór het tekenen van de voorovereenkomst van 22 februari 2001 bekend met de tussentijdse rapportage per 16 februari 2001, maar heeft verzuimd de inhoud van deze rapportage aan Tummers bekend te maken. Zodoende heeft gedaagde 2 de op hem rustende mededelingsplicht geschonden, hetgeen jegens Tummers aangemerkt dient te worden als een onrechtmatige daad dan wel een handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Tummers heeft daardoor schade geleden, bestaande uit de kosten die zij heeft moeten maken in het kader van de voorgenomen overname van de aandelen, zijnde de kosten van adviseurs en de kosten binnen de eigen organisatie. Voor die kosten is gedaagde 2 aansprakelijk. 4.1.2. Gedaagde 2 en de aanvankelijk mede-gedaagden (naam gedaagde 3) en (naam gedaagde 4) zijn aandeelhouder van Franken Roestvast. Gedaagde 2 is door de aandeelhouders gemachtigd namens hen op te treden. Deze machtiging laat echter onverlet het feit dat alle aandeelhouders jegens Tummers hoofdelijk aansprakelijk zijn terzake het verzuim en de daaruit voortvloeiende schadevergoedingsplicht. 4.1.3. De totale schade beloopt ƒ 97.285,61 (€ 44.146,28). De (samengestelde) wettelijke rente over dit bedrag van 26 juni 2001 tot 1 november 2002 beloopt € 4.484,--; de buitengerechtelijke incassokosten belopen € 1.542,--. 4.1.4. Nadat gedaagde 2 had betwist aandeelhouder van Franken Vastgoed te zijn, heeft Tummers bij repliek de grondslag van haar vordering gewijzigd - waartegen gedaagde 2 zich niet heeft verzet - aldus dat gedaagde 2 aangesproken wordt uit hoofde van het feit dat hij (statutair) directeur was van Franken Roestvast en door de aandeelhouders was gemachtigd namens hen in dezen handelend op te treden. Dat heeft gedaagde 2 feitelijk ook gedaan. Hij heeft zelf alle onderhandelingen gevoerd, alle gegevens aan Tummers verstrekt en de voorovereenkomst ook getekend. Als gedaagde 2 al geen statutair bestuurder was, is hij (behalve als gevolmachtigde) aansprakelijk in zijn functie van algemeen/commercieel directeur. De stellingen van gedaagde 2 4.2. Gedaagde 2 concludeert dat de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van hem nietig dient te verklaren, danwel dat de vorderingen moeten worden afgewezen, danwel dat Tummers daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard met kostenveroordeling. Hij heeft zijn standpunt als volgt onderbouwd. 4.2.1. Gedaagde 2 betwist (statutair) directeur of commercieel directeur van Franken Roestvast te zijn. Hij handelde als algemeen directeur. Evenmin was hij aandeelhouder van Franken Roestvast. Een van de aandeelhouders was Holding Smit Koole B.V.; van deze vennootschap is één van de statutair directeuren Holding C. Koole Vlissingen B.V., een vennootschap waarvan gedaagde 2 enig statutair directeur en aandeelhouder is. De dagvaarding is nietig, aangezien gedaagde 2 onredelijk wordt benadeeld. 4.2.2. Hij heeft niet als natuurlijk persoon als vertegenwoordiger van de aandeelhouders gehandeld; hij tekende voor Franken Roestvast en dat kon hij alleen maar als orgaan van die vennootschap, oftewel hij handelde voor de rechtspersoon-bestuurder. Daarom is Tummers niet-ontvankelijk in haar vordering. 4.2.3. Gedaagde 2 heeft tijdens de onderhandelingen volledige opening van zaken gegeven. Hij heeft geen verkeerde informatie gegeven of ten onrechte informatie achtergehouden. 4.2.4. Gedaagde 2 heeft actief meegewerkt aan het due diligence onderzoek. 4.2.5. Aan Gedaagde 2 en de aan hem gelieerde vennootschappen kan niet worden tegengeworpen dat zij zich niet hebben gedragen volgens de garanties zoals vastgesteld in bijlage 4 bij de voorovereenkomst. 4.2.6. Franken Roestvast heeft voldaan aan haar verplichtingen uit artikel 7 van de voorovereenkomst door betaling van de helft van de kosten van het due diligence onderzoek. 4.2.7. Voor vergoeding van andere kosten bestaat onder artikel 7 van de voorovereenkomst geen rechtsgrond. 4.2.8. Franken Roestvast heeft ook kosten gemaakt en voor haar, evenals voor Tummers, heeft te gelden dat deze kosten gerekend moeten worden tot het normale bedrijfsrisico. 4.2.9. Het is Tummers geweest die het Franken-concern wenste te kopen; op het moment dat de onderhandelingen een aanvang namen, stond het Franken-concern niet in de etalage. 4.2.10. Gedaagde 2 betwist de gevorderde schadebedragen. De nota’s geven geen duidelijkheid. 5. De beoordeling 5.1. De rechtbank verwerpt het beroep op nietigheid van de dagvaarding. Dat de aanvankelijk aangevoerde gronden van de eis onvoldoende of onjuist zouden zijn leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding. 5.2. De vordering berust erop dat op gedaagde 2 in het kader van de onderhandelingen over een mogelijke aandelenovername een mededelingsplicht rustte. In de dagvaarding werd die afgeleid uit zijn hoedanigheid van aandeelhouder, dus verkoper. Bij repliek is die grondslag verlaten en wordt een beroep gedaan op zijn hoedanigheid van (statutair) directeur van Franken Roestvast, althans algemeen/commercieel directeur. Hij was - zo stelt Tummers - door de aandeelhouders gemachtigd namens hen handelend op te treden en heeft dat feitelijk ook gedaan. Gedaagde 2 heeft gesteld dat hij, handelende als gemachtigde van de aandeelhouders, niet als natuurlijk persoon heeft gehandeld. Een eventuele vordering zou zich derhalve niet tot hem persoonlijk moeten richten. De rechtbank verwerpt dit betoog van gedaagde 2. De machtiging is niet gegeven aan Holding Smit Koole B.V. of aan Holding C. Koole Vlissingen B.V., maar aan de persoon (naam gedaagde 2). Alle handelen of nalaten, dat door Tummers aan haar vordering ten grondslag wordt gelegd, was handelen of nalaten van gedaagde 2 persoonlijk. Uit hetgeen gedaagde 2 omtrent de onderhandelingen heeft gesteld en uit de door partijen overgelegde producties blijkt ook nergens dat gedaagde 2 er blijk van heeft gegeven dat Tummers - bij de contacten met gedaagde 2 - in wezen met een functionaris van Holding Smit Koole B.V. of van Holding C. Koole Vlissingen B.V. van doen had. 5.3. Partijen die in onderhandeling treden over het sluiten van een overeenkomst komen daardoor tot elkaar te staan in een bijzondere, door de redelijkheid en billijkheid beheerste, rechtsverhouding, medebrengende dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Daartoe kan behoren het belang van de wederpartij geen kosten te maken die bij kennis van de juiste stand van zaken achterwege zouden zijn gebleven. In de onderhavige zaak hebben de aandeelhouders de contacten met de wederpartij, Tummers, doen lopen via een gevolmachtigde, gedaagde 2. Als in het algemeen op een gevolmachtigde niet de verplichtingen rusten van een onderhandelende partij, is dit anders in het onderhavige geval. Dit wordt hierdoor gekenmerkt dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.