RECHTBANK MIDDELBURG Sector strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 12/000133-04 Datum uitspraak: 28 oktober 2004 Tegenspraak ------------------------------------------------ Datum inverzekeringstelling: 12 mei 2004 Datum voorlopige hechtenis: 14 mei 2004 Opheffing/schorsing voorlopige hechtenis/invrijheidstelling: n.v.t. ------------------------------------------------ V O N N I S van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen: [verdachte IM], geboren op [geboortedatum en plaats], zonder bekende woon- en verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West, De Dordtse Poorten te Dordrecht, ter terechtzitting verschenen. Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. E.G.M. Smit, advocaat te Middelburg. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 oktober 2004. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.T.C.N. Jeuken en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde, zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 17 jaar, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie gevorderd deze geheel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie gewijzigd. De dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht. Kennelijke schrijffout In de dagvaarding blijkt ten aanzien van feit 1 nog meer subsidiair, te weten de diefstal met geweldpleging de dood tot gevolg hebbend, dat een gedeelte van de delictsomschrijving - te weten de woorden “aan L. [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan” - niet in de tenlastelegging is opgenomen Dit is, als de tenlastelegging in haar geheel wordt bezien, een kennelijke misslag die onmiddellijk als zodanig herkenbaar is. De rechtbank zal deze misslag herstellen aangezien verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Bewijsoverwegingen Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 Ten aanzien van de verklaringen van de verschillende verdachten merkt de rechtbank op dat de verklaringen van [verdachte N], [verdachte D], [verdachte G], [verdachte DM] en [verdachte P] op hoofdlijnen met elkaar overeenkomen. Daarbij komt dat voornoemde verdachten zichzelf in hun verklaringen belasten ten aanzien van hun aandeel in de overval. Voor zover de verklaringen van de verdachten consistent zijn worden zij door de rechtbank gebruikt als bewijsmiddel en dragen zij bij aan de overtuiging van de rechtbank. Gelet op het samenstel van de verklaringen van de verdachten en de overige zich in het dossier bevindende stukken gaat de rechtbank ervan uit dat de toedracht van de gebeurtenissen als volgt is geweest. [verdachte P], [verdachte H] en [verdachte IM] hebben elkaar omstreeks de periode van december 2003/januari 2004 ontmoet en zij hebben toen gesproken over het latere slachtoffer de heer [naam slachtoffer] en de omstandigheid dat in zijn woning veel geld te vinden zou zijn. Ook later is Nello ([verdachte IM]) erop teruggekomen dat hij daar wilde inbreken. Vervolgens heeft [verdachte IM] diverse telefoongesprekken gevoerd met zijn broer [verdachte DM] die daarna vanuit Italië naar Nederland is gekomen, samen met zijn partner [naam partner], en drie Roemeense mannen, te weten [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G]. Het was de bedoeling dat de Roemeense mannen inbraken zouden plegen. Aangekomen in Nederland op 19 maart 2004 hebben [verdachte DM] en de drie Roemeense mannen [verdachte IM] in zijn woonwagen in Oirschot ontmoet. [verdachte H] is onderdak gaan zoeken voor de Roemenen. Om te voorkomen dat de drie Roemenen in verband zouden kunnen worden gebracht met het kamp in Oirschot heeft [verdachte H] [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] naar een café gestuurd waar ze moesten wachten. Later op de dag zijn [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] tezamen met [verdachte IM] in de rode auto van [verdachte DM] naar een parkeerplaats ter hoogte van Tilburg gereden. Daar hebben zij [verdachte P] ontmoet die hen in zijn witte Ford Mondeo is voorgereden naar een parkeerplaats te ’s Heer Hendrikskinderen, nabij Goes. Intussen had zich ook een donkere Audi met daarin [verdachte H] en [verdachte DM] bij de groep gevoegd. [verdachte DM] is in zijn rode auto gaan zitten en [verdachte IM] heeft zowel in de donkere Audi als in de witte Ford Mondeo van [verdachte P] gezeten. De drie auto’s zijn achter elkaar aan naar Hansweert gereden. [verdachte P] heeft de mensen in de rode auto de woning van [naam slachtoffer] aangewezen en daarna zijn de witte en de rode auto teruggereden naar de plek waar de donkere Audi stond te wachten. [verdachte P] en [verdachte H] hebben tegen [verdachte IM] gezegd dat deze aan de andere Roemeense mannen moest vertellen wat er moest gebeuren. [verdachte IM] vertelde dat er in het huis oude mensen woonden die geld en goud hadden. [verdachte DM] heeft aan [verdachte D], [verdachte N] en [verdachte G] doorgegeven dat er 60.000 of 100.000 euro in een safe zou liggen. De tip was zeker. De buit zou vervolgens tussen zeven personen worden verdeeld, te weten: [verdachte N], [verdachte D], [verdachte G], [verdachte DM], [verdachte IM], [verdachte P] en [verdachte H]. Daarna is [verdachte P] in zijn witte Ford Mondeo weggereden. Ook [verdachte H] is vertrokken en met hem is [verdachte IM] meegereden. [verdachte DM] en de drie Roemenen zijn bij de woning van de familie [naam slachtoffer] achtergebleven. Om redenen die verder in het midden kunnen blijven is besloten om op dat moment niet in te gaan breken. [verdachte D], [verdachte N], [verdachte G] en [verdachte DM] hebben zich afgevraagd wat ze aan [verdachte H] en [verdachte P] moesten vertellen nu de inbraak niet was uitgevoerd en de dag na de eerste rit, 20 maart 2004, heeft [verdachte DM] tegen [verdachte H] gezegd dat de deuren te dik waren. Op 20 maart 2004 in de avond zijn [verdachte DM] en de drie Roemenen opnieuw opgewacht door [verdachte P] die hen opnieuw de weg heeft gewezen naar de woning van de familie [naam slachtoffer]. [verdachte P] heeft daarbij tevens door gebaren duidelijk gemaakt dat de bewoners oude mensen waren van rond de 70 jaar en dat ze rustig aan moesten doen. [verdachte P] is vervolgens weggereden. Bij de woning aangekomen heeft [verdachte DM] uit de kofferbak de twee bandenlichters en de hamer, die hij van [verdachte H] had gekregen, gehaald en hij heeft deze aan de verdachten [verdachte N], [verdachte G] en [verdachte D] gegeven. [verdachte DM] heeft de drie Roemenen geïnstrueerd de bewoners vast te binden en geweld tegen hen te gebruiken en de drie Roemenen hebben hiermee ingestemd. Een van hen heeft nog gezegd dat het gebruik van geweld in zo’n situatie normaal is. [verdachte DM] is in de auto achtergebleven en de drie Roemenen zijn naar de woning gegaan. De afspraak was dat [verdachte DM] op de drie Roemenen zou wachten. Toen ze daar voor de woning van de familie [naam slachtoffer] stonden brandde het licht in dat huis nog. Toen het licht uit was zijn [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] door het inslaan van een ruit die woning binnengedrongen. Onmiddellijk daarna heeft [verdachte D] de heer [naam slachtoffer] een vuistslag gegeven en heeft [verdachte N] hem met een hamer zeker twee maal op zijn hoofd geslagen. [verdachte N] heeft hem ook in zijn gezicht geschopt. [verdachte D] en [verdachte N] hebben de zwaar gewonde heer [naam slachtoffer] naar de hal gesleept. [verdachte G] heeft mevrouw [naam slachtoffer] op hardhandige wijze de hal in geduwd en vastgebonden. Ook [verdachte N] en [verdachte D] hebben de slachtoffers vastgebonden. Nadat [verdachte G] en [verdachte N] de woning hebben doorzocht op onder meer geld en goud hebben de drie mannen de heer en mevrouw [naam slachtoffer] nog wat beter vastgebonden, waarna zij met medeneming van de buit de woning hebben verlaten. Mevrouw [naam slachtoffer] is erin geslaagd zich te bevrijden en zij heeft hulp ingeroepen. De heer [naam slachtoffer] was echter zo ernstig gewond aan zijn hoofd dat hij op 3 april 2004 is overleden. De politie is erin geslaagd kort na dit delict [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] aan te houden, mede omdat zij - nadat [verdachte DM] in strijd met de gemaakte afspraak met de auto was weggereden - geen vervoer meer hadden en Zeeland niet konden verlaten. De rechtbank is op basis van dit feitencomplex en grond van de navolgende overwegingen van oordeel dat de verdachten [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] alle drie het opzet hebben gehad op de gekwalificeerde doodslag op de heer [naam slachtoffer], de diefstal met geweldpleging jegens mevrouw [naam slachtoffer] alsmede de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de heer en mevrouw [naam slachtoffer]. De manier waarop deze drie verdachten de woning zijn binnengedrongen, terwijl zij doordat het licht in de woning uitging wisten dat de bewoners thuis waren ging met zoveel lawaai gepaard dat het voor de verdachten duidelijk moet zijn geweest dat de bewoners van de woning daardoor gewekt zouden worden. Het kon niet anders zijn dan dat zij met de bewoners oog in oog zouden komen te staan. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat de drie verdachten bewust de confrontatie met de bewoners hebben gezocht. Het doel van hun handelwijze was om de bewoners zo snel mogelijk nadat zij zich de toegang tot de woning hadden verschaft uit te schakelen. [verdachte D] heeft de heer [naam slachtoffer] meteen nadat hij hem in het huis had aangetroffen een vuistslag gegeven en [verdachte N] heeft onmiddellijk daarna twee keer met de hamer op het hoofd van de heer [naam slachtoffer] geslagen. Het is voor alle drie de verdachten duidelijk geweest dat de heer [naam slachtoffer] tengevolge van het door [verdachte N] toegepaste geweld zwaar gewond was geraakt. Geen van deze drie verdachten heeft op enig moment gedurende de overval geprobeerd om een eind te maken aan de overval of zich om de slachtoffers bekommerd. Integendeel, voor zij vertrokken, hebben zij alle drie de beide slachtoffers nog beter vastgebonden teneinde te voorkomen dat ze zich konden bevrijden. Daardoor hebben zij ervoor gezorgd dat de slachtoffers zichzelf en elkaar niet konden helpen. Gelet op het bovenstaande en gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van de drie verdachten voor en tijdens de overval, gelet op de geweldshandelingen van de drie verdachten en de wijze waarop zij de slachtoffers hebben achtergelaten, is de rechtbank van oordeel dat de drie verdachten een bewust en nauw samenwerkende dadergroep vormden. Daarbij is niet van belang wie van de drie welke rol bij of rond het plegen van de feiten heeft vervuld, maar dient elk van hen als medepleger van de feiten en mitsdien als dader te worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat het medeplegen van de gekwalificeerde doodslag op de heer [naam slachtoffer], van de diefstal met geweld jegens mevrouw [naam slachtoffer] en van de wederrechtelijke vrijheidsberoving ook kan worden bewezen in de zaak tegen [verdachte DM]. Weliswaar was hij niet aanwezig in de woning ten tijde van de overval, maar uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding en uitvoering van de overval. Die betrokkenheid heeft bestaan in het vanuit Italië naar Nederland vervoeren van [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] teneinde hen de overval te kunnen laten uitvoeren, het vervoeren van voornoemde drie verdachten naar de woning van [naam slachtoffer], het geven van de opdracht aan voornoemde drie verdachten in te breken in de woning en geld en goud mee te nemen, het verschaffen van de hamer en bandenlichters, alsmede het geven van de opdracht aan [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] geweld te gebruiken jegens de bewoners en hen vast te binden. Hij heeft daarbij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn medeverdachten in hun gemeenschappelijk streven om geld en goud te stelen en om daartoe geweld te plegen, de in de woning aanwezige personen zodanig zouden verwonden dat daardoor een van hen zou overlijden. Aldus heeft hij opzet, in voorwaardelijke zin, op de dood van een van de slachtoffers gehad. Over de rol van de verdachten [verdachte P], [verdachte IM] en [verdachte H] overweegt de rechtbank als volgt. Zij hebben in december 2003/januari 2004 een bespreking gehad waarbij ze hebben gesproken over een inbraak in de woning van de familie [naam slachtoffer]. Ze hebben vervolgens alle drie op hun eigen wijze een bijdrage geleverd aan de voorbereiding van dat plan: Verdachte [verdachte IM] heeft naar aanleiding van die bijeenkomst telefoongesprekken met zijn broer [verdachte DM] gevoerd, die vanuit Italië naar Nederland is gekomen met [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G]. [verdachte P] heeft tot twee maal toe de weg gewezen naar de woning van [naam slachtoffer]. Hij wist dat er oude mensen woonden in de woning en heeft dat ook duidelijk gemaakt aan de drie Roemenen. [verdachte H] heeft voor onderdak gezorgd voor degenen die de inbraak zouden plegen en hij is ook een keer ’s nachts mee naar Hansweert gereden. Voorts heeft hij werktuigen verstrekt. Uit het voorgaande en uit de overige zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat voornoemde verdachten het opzet hebben gehad op de inbraak. Deze inbraak zou ’s nachts worden uitgevoerd in de woning van bejaarde mensen en er bestond een gerede kans dat deze mensen op dat moment thuis zouden zijn en dat ze in bedwang moesten worden gehouden. De inbraak moest van [verdachte P], [verdachte H] en [verdachte IM] koste wat kost worden uitgevoerd en dit is aan de drie Roemenen en [verdachte DM] duidelijk gemaakt. Aldus acht de rechtbank bewezen dat [verdachte IM], [verdachte P] en [verdachte H] willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hun medeverdachten, van drie van welke ze de achtergronden helemaal niet kenden, zich in een zodanige positie zouden manoeuvreren dat er geweld tegen de bewoners zou worden gebruikt. Aldus hebben zij opzet, in voorwaardelijke zin, gehad op de diefstal met geweldpleging. Bij de uitvoering van de inbraak met geweld zijn de drie Roemenen en [verdachte DM] echter veel verder gegaan dan de gehele dadergroep had afgesproken. Niet kan worden bewezen dat de doodslag die de feitelijke daders hebben gepleegd door de verdachten [verdachte IM], [verdachte H] en [verdachte P] was beoogd en evenmin kan worden bewezen dat zij daartoe opzet in voorwaardelijke zin hebben gehad. Ook de omstandigheid dat [verdachte H] twee bandenlichters en een hamer aan [verdachte DM] heeft gegeven doet hieraan niet af, nu uit de verklaring van [verdachte DM] blijkt dat [verdachte H] deze werktuigen heeft gegeven nadat [verdachte DM] tegen hem had gezegd dat de deuren van de woning te dik waren. Uit het leveren van dergelijke inbrekerswerktuigen kan niet worden afgeleid dat [verdachte H] wist dan wel had moeten weten dat één van deze voorwerpen zou worden gebruikt als wapen tegen de bewoners. De doodslag in al zijn varianten kan dus ten laste van [verdachte IM], [verdachte P] en [verdachte H] niet worden bewezen. Dat de diefstal met geweld die ten laste van hen kan worden bewezen de dood tot gevolg heeft gehad, is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die - ook nu hun opzet niet op die dood was gericht - wel voor hun rekening komt. Vrijspraak Feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder “Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 1,2 en 3” volgt dat naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachten [verdachte IM], [verdachte H] en [verdachte P] zich schuldig hebben gemaakt aan het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Verdachten dienen hiervan te worden vrijgesproken. Feit 3 Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde, te weten de wederrechtelijke vrijheidsberoving, is de rechtbank van oordeel dat de verdachten [verdachte IM], [verdachte H] en [verdachte P] van dit feit op alle onderdelen dienen te worden vrijgesproken. Hoezeer uit het dossier ook blijkt dat zij op de hoogte waren van de inbraak en het feit dat in de woning oude mensen woonden, toch zijn er in het dossier onvoldoende feiten of omstandigheden te vinden waaruit blijkt dat deze drie verdachten wetenschap hebben gehad omtrent hetgeen specifiek onder dit feit is tenlastegelegd. Feit 4 De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van het onder feit 4 primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde. Uit de aangifte volgt dat sprake is van een poging tot inbraak, zodat verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde blijkt dat het tijdstip waarop gepoogd is om in te breken, namelijk 02.08 uur, en de tijdstippen waarop verdachte gesprekken voert met medeverdachte [verdachte H], namelijk omstreeks 03.40 uur, te ver uit elkaar liggen om zelfs maar te kunnen bewijzen dat verdachte ten tijde van de inbraak in de buurt was. Enig ander bewijsmiddel dat verdachte bij deze zaak betrokken is geweest ontbreekt. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting een niet geheel onaannemelijke verklaring gegeven over zijn aanwezigheid in Roosendaal. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 nog meer subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat: 1 nog meer subsidiair hij in of omstreeks de nacht van 20 op 21 maart 2004 te Hansweert, gemeente Reimerswaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in/uit een woning aan de [adres], een aantal sieraden (onder andere twee, in elk geval een (gouden) horloge, en/of een of meer (gouden) halsketting(en), en/of een (gouden) ring, en/of een of meer (zilveren) halsketting(en), en/of een of meer (gouden) armband(en), en/of een (gouden) speld), en/of een of meerdere geldbedrag(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.