RECHTBANK MIDDELBURG Sector bestuursrecht AWB nummer: 09/433 VV Uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening) inzake BCC Elektrospeciaalzaken B.V., gevestigd te Schiphol-Rijk, verzoekster, gemachtigde mr. K. van Zijtveld, advocate te Amsterdam, tegen het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, verweerder. I. Procesverloop Bij besluit van 9 juni 2009 heeft verweerder aan verzoekster preventief een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat verzoekster in strijd met de gebruiks- en verbodsbepalingen van het bestemmingsplan ‘Mortiere’ overgaat tot de verkoop van witgoed op het adres plaatselijk bekend als Podium 13. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hangende het bezwaar aan de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is op 25 juni 2009 behandeld ter zitting. Verzoekster is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [Naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. U.T. Hoekstra, advocaat te Middelburg, [Namen]. Namens derde-belanghebbende, ZEP Vrijetijdspark Middelburg v.o.f, zijn mr. R. Hogewind, [Namen] verschenen. II. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2. Op 28 maart 2008 heeft verweerder aan ZEP Vrijetijdspark ‘Middelburg’ v.o.f. (ZEP) onder verlening van vrijstelling, zoals bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), vergunning verleend voor de bouw van een vrijetijdspark (Zeeuws Evenementen Podium), waarin onder meer opgenomen een gebouw (casco) voor winkels, op het perceel indertijd plaatselijk bekend Tromboneweg te Middelburg. Volgens verweerder is het plan voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing in de vorm van het ontwerp-bestemmingsplan ‘ZEP Vrijetijdspark’ van 5 juni 2007. Op 29 mei 2009 heeft verweerder aan verzoekster vergunning verleend voor het afbouwen van een deel van het casco ten behoeve van een winkel op het perceel plaatselijk bekend als 4337 WV Middelburg, Podium 13, kadastraal bekend gemeente Middelburg, sectie P, nummers 2230, 1924, 1987. 3. BCC is een electro-speciaalzaak die een assortiment voert volgens een nationale verkoopformule; daaronder is begrepen witgoed. Verzoekster is voornemens op 16 juli 2009 de winkel voor het publiek te openen en het volledige assortiment te voeren, inclusief witgoed. 4. Verweerder heeft besloten tot het preventief opleggen van een dwangsom omdat de verkoop van witgoed buiten de verleende vrijstelling valt. Voor dit standpunt verwijst verweerder naar het ontwerp-bestemmingsplan ‘ZEP Vrijetijdspark’ en dan met name naar: - de begripsbepalingen “branche”, “detailhandel in de branche multimedia”, “speciaalzaak in witgoed” en “witgoed” in de bestemmingsplanvoorschriften; - de bestemmingsbepalingen 3.1 onder a en b, waaruit blijkt dat de gronden bestemd zijn voor vrijetijdsvoorzieningen en voor detailhandel die daar qua formule direct aan gerelateerd en ondersteunend aan is, alsmede het bestemmingsplanvoorschrift 3.2.2 onder d, waarin is bepaald dat de functie van het ZEP Vrijetijdspark tevens tot uitdrukking dient te komen in de functionele (thematische) detail/retail invulling van het gebied, waarbij geldt dat de te vestigen detailhandelsactiviteiten dienen te passen binnen het distributie-planologische beleid van de gemeente zoals weergegeven in de nota Economische effectenanalyse ZEP van 21 december 2005 overeenkomstig het “aanvaardbare effecten plus” scenario. Het betreft de vestiging en uitoefening van thematische detailhandel in de branche multimedia tot maximaal 1.350 m2 winkelvloeroppervlak. 5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat een BCC winkel wel past binnen het bestemmingsplan. Volgens vaste jurisprudentie moeten planvoorschriften die volstrekt helder en ondubbelzinnig zijn grammaticaal worden uitgelegd, ongeacht de bedoeling van de planwetgever. Verzoekster acht de planvoorschriften in 3.1., onder a en b en in 3.2.2., onder d in combinatie met de begripsbepalingen duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar: uitsluitend speciaalzaken in witgoed, dat wil zeggen winkels die zich hebben gespecialiseerd in witgoed, zijn niet toegestaan. Bij BCC maakt het witgoed slechts 16% uit van het totale assortiment, derhalve een ondergeschikt gedeelte. Verzoekster stelt dat ook uit de voorgeschiedenis blijkt dat een BCC is toegestaan, tenzij sprake is van een speciaalzaak in witgoed. Hiervoor verwijst verzoekster naar de brief van 28 maart 2007 van de Provinciale Commissie Omgevingsbeleid (PCO), de contractbesprekingen over de verkoop van de grond en het rapport Economische Effectenanalyse ZEP. De landelijke formule van BCC was verweerder en de provincie bekend en was door hen aanvaard. 6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Niet in geschil is dat BCC in beginsel valt onder de branche multimedia, een van de branches die in het ontwerp-bestemmingsplan ter plaatse zijn toegestaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of BCC in deze winkel ook witgoed mag verkopen. 7. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de bestemmingsplan-voorschriften niet eenduidig op het punt van detailhandel in witgoed. De hoofdregel voor detailhandel op de met de bestemming “gemengd” aangewezen gronden houdt in (artikel 3.1., aanhef en onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.