Uitspraak vonnis RECHTBANK MIDDELBURG 64393 / HA ZA 08-419 Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 64393 / HA ZA 08-419 Vonnis van 21 januari 2009 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE REIMERSWAAL, zetelend te Kruiningen, gemeente Reimerswaal, eiseres, procureur mr. C.J. IJdema, advocaat mr. W.J. Bosma te Breda, tegen [gedaagde], wonende te Rilland, gemeente Reimerswaal, gedaagde, procureur mr. E.H.A. Schute, advocaat mr. A.A. den Hollander te Middelharnis. De procedure Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 15 oktober 2008 - de akte na tussenvonnis van de zijde van de gemeente de antwoordakte na tussenvonnis van de zijde van [gedaagde] de akte uitlating producties van de zijde van de gemeente. De overwegingen De gemeente is in de gelegenheid gesteld te reageren op het primaire verweer van [gedaagde] tegen de onteigening, alsmede op de door [gedaagde] voorgestelde deskundigen. [gedaagde] heeft primair gesteld dat de gemeente onvoldoende heeft getracht om hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen - en daarmee niet heeft voldaan aan artikel 17 Ow -, als gevolg waarvan de vordering afgewezen dient te worden. [gedaagde] erkent dat er meermalen contact is geweest tussen de vertegenwoordigers van Fortis (namens de gemeente) en [gedaagde]. Dit overleg heeft echter niet tot resultaat geleid, aangezien partijen ernstig verdeeld zijn over een aantal zaken. [gedaagde] voert aan dat [K] er bij het verlenen van de goedkeuring van het onteigeningsbesluit vanuit is gegaan dat de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] geregeld is c.q. op korte termijn geregeld zou zijn. De gemeente is al sinds 2004 op de hoogte van het feit dat de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] moet worden geregeld en heeft ook toegezegd dit tijdig te doen. Desondanks is de ontsluiting tot op heden niet geregeld. Dit leidt tot de conclusie dat de noodzaak voor het aanleggen van de ontsluiting (de rotonde) en het instellen van onderhavige onteigeningsprocedure ontbreekt. Dit blijkt ook uit de dagelijkse gang van zaken, nu het kassencomplex reeds is gerealiseerd en de ontsluiting hiervan in de huidige situatie al voldoende is gewaarborgd. Nu de gemeente al sinds 2004 weet dat het voor het bedrijf van [gedaagde] noodzakelijk is om bepaalde aanpassingen te doen, en zij heeft nagelaten het nodige daarvoor te verrichten, heeft zij niet voldaan aan de wettelijke verplichting van artikel 17 Ow. Volgens [gedaagde] mag de onteigeningsprocedure niet worden begonnen, voordat de ontsluiting van zijn bedrijf op adequate wijze is geregeld. [gedaagde] heeft verder de hoogte van de door de gemeente aangeboden schadevergoeding gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft voorgesteld om als deskundigen te benoemen ing. L.L.M. Florijn, onteigeningsdeskundige, rentmeester en makelaar, kantoorhoudende te Druten, de heer J. van der Slikke, verbonden aan AcvastVanderSlikke rentmeesters, gevestigd te Ellemeet en als voorzitter één van de navolgende personen: mr. J. Vermeulen, verbonden aan het kantoor Van der Feltz Advocaten, gevestigd te Den Haag, mr. E. van der Schans of mr. J.F. de Groot, beiden verbonden aan het kantoor Houthoff Buruma, gevestigd te Amsterdam. Hij voert aan dat, gelet op de problematiek, alsmede gelet op het feit dat in Zeeland, gezien het aantal bewoners van deze provincie, slechts een beperkt aantal deskundigen beschikbaar is en de kans bestaat dat deze deskundigen, direct of indirect, bepaalde relaties hebben met de provincie en/of de gemeente en alle schijn van betrokkenheid moet worden vermeden, het ervoor pleit om in dit geval, waar het met name om de zogenaamde complexwaarde gaat, ook deskundigen van buiten de provincie Zeeland te benoemen. De gemeente stelt voorop dat de rechtbank slechts heeft te toetsen of [K] in redelijkheid tot goedkeuring van de onteigening kon besluiten. De gemeente ziet niet in waarom hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd tot het oordeel zou moeten en kunnen leiden dat [K] in redelijkheid niet tot goedkeuring van het raadsbesluit tot onteigening zou hebben kunnen overgaan. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] en Fortis herhaaldelijk overleg hebben gevoerd over de minnelijke aankoop van de gronden in kwestie en dat Fortis dit overleg mede namens de gemeente heeft gevoerd. De verschillende besprekingen die hebben plaatsgevonden en de verscheidene aanbiedingen die zijn gedaan hebben echter niet tot minnelijke overeenstemming over de aankoop van de gronden geleid, als gevolg waarvan de gemeente zich genoodzaakt zag tot dagvaarding over te gaan, teneinde de infrastructuur en bijkomende werken waarvoor thans wordt onteigend binnen afzienbare termijn te kunnen realiseren. Het belang om spoedig tot realisatie van deze infrastructuur over te gaan geldt in casu des te meer, nu het glastuinbouwgebied dat zal worden ontsloten door middel van deze infrastructuur, reeds is gerealiseerd. Mitsdien bestaat er een dringende behoefte om zo spoedig mogelijk een deugdelijke veilige ontsluiting aan te leggen. De gemeente stelt gemotiveerd dat de huidige - tijdelijke- ontsluiting niet voldoet aan de eisen die daar uit het oogpunt van veiligheid aan kunnen worden gesteld. Daarnaast voert de gemeente gemotiveerd aan dat de realisatie van de nieuwe verkeersontwikkeling van vitaal belang is voor de verkeersafwikkeling van het achtergelegen glastuinbouwgebied. Daarmee staat zowel de noodzaak als de urgentie van onderhavige onteigening vast. Dat het glastuinbouwgebied reeds is gerealiseerd en in gebruik is genomen doet dan ook niet af aan de noodzaak en urgentie van onderhavige onteigening, aldus de gemeente. [K] heeft bovendien ook reeds getoetst aan de noodzaak en urgentie van onderhavige onteigening. Ten aanzien van hetgeen [gedaagde] ten grondslag legt aan zijn stelling dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar wettelijke verplichting van artikel 17 Ow voert de gemeente het volgende aan. [gedaagde] heeft dit verweer - overigens zonder succes - reeds in de administratieve fase naar voren gebracht. [K] zag in dit verweer geen aanleiding om goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening te onthouden, nu dit bezwaar van planologische aard is en derhalve in het kader van de bestemmingsplanprocedure naar voren had kunnen - en moeten - worden gebracht. Dit is lijn met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. De gemeente betwist dat zij heeft toegezegd dat zij niet tot onteigening zou overgaan, alvorens de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] zou zijn geregeld. Zij voert gemotiveerd aan dat, wat er ook zij van de stelling van [gedaagde] op dit punt, zij de gevolgen die de aanleg van onderhavige infrastructuur voor de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] heeft, wel degelijk in kaart heeft gebracht. Vaststaat dat de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] in voldoende mate is gewaarborgd. Tenslotte stelt de gemeente dat uit de stellingen van partijen blijkt dat zij ook verdeeld zijn over de hoogte van de schadeloosstelling die voor de gronden in kwestie zal moeten worden voldaan. Dit betekent dat, zelfs indien de ontsluiting thans reeds volledig geregeld zou zijn overeenkomstig de wensen van [gedaagde], dit nog niet tot minnelijke overeenstemming in het kader van artikel 17 Ow zou hebben geleid. Immers, partijen zouden in dat geval nog altijd verdeeld zijn over de hoogte van de schadeloosstelling die in verband met de onteigening zal moeten worden voldaan. Ten aanzien van de door [gedaagde] voorgestelde deskundigen wijst de gemeente erop dat slechts één van deze deskundigen kantoor houdt in Zeeland. Het ligt naar de mening van de gemeente meer in de rede om de leden van de vaste deskundigencommissie van de rechtbank te benoemen, nu deze deskundigen op de hoogte zijn van de lokale prijzen, welke prijzen partijen tot op heden nu juist verdeeld hebben gehouden. De onafhankelijkheid van de leden van deze deskundigencommissie is gewaarborgd. Anders dan [gedaagde] lijkt te suggereren is immers niet gebleken van het bestaan van aanknopingspunten dan wel schijn van betrokkenheid tussen de gemeente en deze deskundigen. Het feit dat deze deskundigencommissie, eerder, in vergelijkbare zaken heeft geadviseerd kan geen reden zijn om te twijfelen aan de objectiviteit en onafhankelijkheid van deze deskundigen. De rechtbank stelt voorop dat (naar vaste jurisprudentie) artikel 17 Ow vereist, dat pogingen om hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, worden ondernomen nadat een definitief besluit tot onteigening is gevallen en voordat tot dagvaarding wordt overgegaan, in casu respectievelijk 24 december 2007 en 26 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.