Uitspraak 2 64564 / HA ZA 08-444 9 december 2009 vonnis RECHTBANK MIDDELBURG 64564 / HA ZA 08-4449 december 2009 Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 64564 / HA ZA 08-444 Vonnis van 9 december 2009 in de zaak van [eiser], h.o.d.n. [makelaarkantoor], wonende te [adres], eiser, advocaat mr. P.H. Pijpelink te Terneuzen, tegen
- [gedaagde sub1], wonende te Hillegom,
- [gedaagde sub2], wonende te Hillegom,
- [gedaagde sub3], wonende te Beinsdorp, gedaagden, advocaat mr. C.A. de Weerdt te Leiden. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek akte van uitlating van de zijde van [eiser] akte aanvullende productie van de zijde van [gedaagden] akte van uitlating van de zijde van [eiser] antwoordakte van de zijde van [gedaagden]. Ten slotte is vonnis bepaald. De feiten [eiser] is (agrarisch) makelaar. [eiser] was voor 2006 al meerdere jaren betrokken bij het object [bedrijf], een groot akkerbouwbedrijf gelegen in de gemeente Rilland-Bath. 2.
- De aandelen in de naamloze vennootschap die eigenaar was van [het bedrijf] (hierna: de naamloze vennootschap), werden vooral gehouden door Belgische eigenaren. Rentmeester van [het bedrijf] was [b[betrokkene] (hierna: [betrokkene]). 2.
- In februari 2006 heeft [betrokkene] [eiser] benaderd met de vraag of hij een partij kende die geïnteresseerd zou zijn in de aankoop van [het bedrijf]. Daarbij heeft [eiser] met [betrokkene] afgesproken dat als [eiser] het object zou verkopen, de courtage dan door de koper zou worden betaald. 2.
- [eiser] heeft daarop diverse partijen uit zijn netwerk benaderd. In februari 2007 heeft hij daarvoor contact gelegd met [betrokk[betrokkene 2] van [bed[betrokkene 2]etrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). [betrokkene 2] had een partij die wellicht geïnteresseerd zou zijn, namelijk [gedaagden]. 2.
- Op 12 oktober 2007 hebben [betrokkene] en [eiser] een bespreking gehad met [betrokkene 2] en [gedaagden]. [betrokkene] heeft tijdens die bespreking aangegeven dat het openings¬bod minimaal [bedrag] zou moeten zijn. 2.
- Op 22 oktober 2007 heeft [gedaagden] een eerste bod van [bedrag] uitgebracht. Hierbij is door [gedaagden] een aantal voorwaarden gesteld. 2.
- [eiser] heeft [betrokkene 2] op 24 oktober 2007 een faxbericht gestuurd met onder meer de volgende inhoud: “(…) Zoals besproken gaarne omgaand een bevestiging dat inzake [het bedrijf] de familie [gedaagden] heeft aangegeven akkoord te zijn met: Dat de passerende notaris zal zijn: (…) Bij onherroepelijke koopovereenstemming inzake aankoop van [het bedrijf] familie [gedaagden] onze courtagenota, zijnde 2% van de koopsom excl BTW zal voldoen. (…) ” 2.
- Op 25 oktober 2007 heeft [betrokkene 2] bovenstaande twee voorwaarden per fax doorgegeven aan [gedaagden] met de zinsneden: “(…) Van de betrokken rentmeester en makelaar namens de verkopers hebben wij inmiddels de naam doorgekregen van de notaris in Terneuzen. In deze ontvangen wij graag van u de bevestiging dat wij notaris (…) kunnen inschakelen (…) Tevens ontvangen wij graag – op verzoek van de betrokken rentmeester en makelaar – de bevestiging dat u akkoord gaat met betaling van de 2% excl btw aan de voor de verkopers optredende partijen te voldoen op het moment dat de lokatie wordt geleverd (juridische levering).” Dit faxbericht is door [gedaagden] ondertekend en [betrokkene 2] heeft het vervolgens aan [eiser] geretourneerd. 2.
- Bij faxbericht van 9 november 2009 heeft [betrokkene 2] op verzoek van [eiser] het volgende nogmaals bevestigd aan [eiser]: “(…) Bij deze bericht ik u dat de familie [gedaagden] bij de onherroepelijk juridische levering van het object Fredericapolder akkoord gaat met de betaling van 2% exclusief btw t.b.v. de heer van Hoeve. Verder kan ik u melden dat onze cliënt akkoord gaat met de collegiale samenwerking/afwikkeling van de koopovereenkomst en leveringsakte tussen notaris (…).” 2.
- Op 9 december 2007 heeft [eiser] [betrokkene 2] geïnformeerd dat de naamloze vennootschap (in een gesloten envelop) een bod van een andere partij heeft ontvangen. Daarbij heeft [eiser] aangegeven dat als [gedaagden] het hoogste bod zou willen uitbrengen, [gedaagden] wordt geadviseerd zijn bod te verhogen tot [bedrag]. 2.
- Bij faxbericht van 11 december 2007 heeft [gedaagden] aan [eiser] het volgende bod gedaan: “Met referte aan onze bieding, d.d. 22 oktober 2007, willen wij, gezien de marktomstandigheden, onze bieding verhogen tot [bedrag] k.k. Zoals bekend geschiedt ons bod zonder financieringsvoorbehoud. Verdere voorwaarden conform onze reeds gedane bieding d.d. 22 oktober 2007.” 2.
- [eiser], [betrokkene], [betrokkene 2] en [gedaagden] hebben op 19 december 2007 verdere afspraken met elkaar besproken tijdens een bijeenkomst. Hierbij is de courtageafspraak niet aan de orde geweest. 2.
- [betrokkene] heeft [gedaagden] bij brief van 20 december 2007 bericht dat de aandeel¬houders in principe akkoord zijn met de verkoop tegen het bod van [bedrag] k.k., maar dat de aandeelhouders hebben besloten dat niet de aandelen van [het bedrijf] zullen worden overgedragen maar de activa. 2.
- Op 15 mei 2008 heeft [gedaagden] (de activa van) [het bedrijf] gekocht. 2.
- [eiser] heeft [gedaagden] op 20 mei 2008 een courtagenota van [bedrag] gestuurd. [gedaagden] heeft deze nota niet voldaan. Het geschil [eiser] vordert veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de courtagenota van [bedrag], vermeerderd met rente en kosten. 3.
- [eiser] stelt een overeenkomst te hebben gesloten met [gedaagden]. Bij dagvaarding heeft hij gesteld dat het gaat om een deelovereenkomst die onderdeel is van de koopovereenkomst. Bij conclusie van repliek stelt [eiser] dat hij ter zitting zijn bij dagvaarding ingenomen stellingen nader heeft geduid door aan te geven dat hij bij de verkoop van [het bedrijf] niet is opgetreden voor de verkopende partij, maar voor de kopende partij [gedaagden]. Vervolgens heeft hij zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat de overeenkomst strekte tot het verrichten van makelaarswerkzaamheden in het kader van de aankoop van [het bedrijf] dan wel tot het anderzins verrichten van werkzaamheden voor [gedaagden]. [eiser] vordert primair nakoming van de overeenkomst. Subsidiair is sprake van onverschuldigde betaling, althans van ongerechtvaardigde verrijking, doordat [eiser] werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagden] bij de aankoop van [het bedrijf]. Meer subsidiair vordert [eiser] een zodanige voorziening in lijn van het gevorderde als de rechtbank zal vermenen te behoren. 3.
- [gedaagden] voert verweer. Hij heeft met [eiser] geen bemiddelings¬overeen¬komst gesloten of een andersoortige overeenkomst voor het verrichten van werkzaamheden. Hiervoor had hij een ander, te weten [betrokkene 2], ingeschakeld. De courtageafspraak heeft hij getekend als onderdeel van zijn bod op 22 oktober
- Deze courtageafspraak maakte echter geen deel uit van zijn tweede bod op 11 december
- Op basis van het tweede bod is de koopovereenkomst met de aandeelhouders van [het bedrijf] tot stand gekomen. Hij is niet gehouden tot betaling van de courtagenota. [eiser] is gehouden tot vergoeding van de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten, uitvoerbaar bij voorraad. De beoordeling De primaire grondslag van de vordering van [eiser] is nakoming van de overeenkomst. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagden] heeft [eiser] onvoldoende gesteld, en voorts is ook niets gebleken, om te kunnen concluderen dat hij een overeenkomst met [gedaagden] heeft gesloten voor het verrichten van (makelaars)¬werkzaamheden. Juist nu vast staat dat [betrokkene 2] reeds als makelaar optrad voor [gedaagden], [eiser] veelal optrad samen met [betrokkene] en [betrokkene 2] in zijn faxbericht van 25 oktober 2007 [eiser] aanduidde als “makelaar namens de verkopers”, had daarvoor meer moeten worden gesteld. Dit geldt te meer daar [eiser] zich als makelaar het belang van duidelijke afspraken over zijn werkzaamheden had moeten realiseren. Voor het aannemen van een andere grondslag voor de overeenkomst heeft [eiser] onvoldoende gesteld en daarvan is verder ook niets gebleken. De primaire grondslag leidt niet tot toewijzing van de vordering. 4.
- Subsidiair heeft [eiser] gesteld dat hij onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagden] of dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagden]. 4.
- [eiser] heeft werkzaamheden verricht in verband met de verkoop van [het bedrijf]. Hierboven reeds is vastgesteld dat hij niet in opdracht van [gedaagden] heeft gewerkt. Voor het verrichten van deze werkzaamheden voor [gedaagden] zonder rechtsgrond waardoor er onverschuldigd zou zijn betaald, heeft [eiser] te weinig gesteld. Deze grondslag van de vordering faalt. 4.
- De verrijking van [gedaagden] in juridische zin is niet gebleken. [eiser] heeft hiervoor gesteld dat [gedaagden] is verrijkt doordat hij eigenaar is geworden van [het bedrijf] en hij dit buitengewoon graag wilde. Dit is echter niet een verrijking waar de wet op doelt. Hieruit blijkt immers niet dat er een ongerechtvaardigde vermogens¬verschuiving heeft plaatsgevonden ten koste van [eiser]. Deze grondslag slaagt ook niet. 4.
- Uit de feiten en omstandigheden vloeit ook geen andere grondslag voor de vordering van [eiser] voort, zodat ook de meer subsidiaire vordering zal worden afgewezen. 4.
- [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op: - vast recht € 1.148,00 - salaris advocaat 6.450,00 (2,5 punt × tarief € 2.580,00) Totaal € 7.598,00 De beslissing De rechtbank - wijst de vorderingen af, - veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 7.598,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, - veroordeelt [eiser] in de nakosten, volgens het toepasselijke liquidatietarief begroot op een bedrag van € 131,-- zonder betekening en, indien en voor zover betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, vermeerderd met een bedrag van € 68--, - verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. H.K.N. Vos en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2009.?