RECHTBANK MIDDELBURG Sector strafrecht parketnummer: 12/708545-08 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 december 2009 in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen verdachte [verdachte], geboren op [1968], wonende te [adres], raadsman mr. Van den Heuvel, advocaat te Roosendaal. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 november 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hofstede, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten dat: hij op of omstreeks 14 mei 2008 te Brouwershaven, gemeente Schouwen-Duiveland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Delingsdijk zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij erg vermoeid was te blijven rijden en/of in slaap te vallen en/of op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer te geraken en aldaar in aanrijding, althans in botsing, te komen met een hem, verdachte, tegemoetkomende vrachtauto, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten wondjes in het gelaat (met blijvend littekenweefsel) en/of gebitsschade (renovatie nodig waaronder stifttanden en dragen gebitsbeugel), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; art 6 Wegenverkeerswet 1994 en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat hij op of omstreeks 14 mei 2008 te Brouwershaven, gemeente Schouwen-Duiveland, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, De Delingsdijk, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht; art 3 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Vaststaande feiten Op 14 mei 2008 omstreeks 16.58 uur heeft op de buiten de bebouwde kom gelegen Delingsdijk te Brouwershaven een frontale botsing plaatsgevonden tussen een personenauto en een vrachtauto . De Delingsdijk is een verharde verbindingsweg tussen Serooskerke en Brouwershaven en bestaat uit twee rijbanen, te weten één voor het verkeer in de richting Serooskerke en één voor het verkeer in de richting van Brouwershaven. De rijbanen zijn van elkaar gescheiden door middel van een dubbele onderbroken middenaslijn. Verdachte reed in zijn personenauto over deze weg in de richting van Brouwershaven. Hij is in een flauwe bocht op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen en aldaar in botsing gekomen met een vrachtauto die in de richting van Serooskerke reed . Als gevolg van deze botsing hebben verdachte en zijn passagier [slachtoffer] lichamelijk letsel opgelopen . 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Hij baseert zich daarbij op de verklaring van getuige [slachtoffer] dat verdachte zat te knikkebollen achter het stuur, de verklaring van getuige [getuige 1] dat de auto voor hem niet de bocht nam, maar rechtdoor reed en nog iets naar links stuurde, de verklaring van verdachte dat hij weinig had geslapen, en de informatie van de ggd en het aanvullend proces-verbaal waaruit blijkt dat het herstel van [slachtoffer] meer dan zes maanden heeft geduurd. Naar aanleiding van het pleidooi van de raadsman heeft de officier van justitie bij repliek nog opgemerkt dat de Salduz-problematiek zich hier niet voordoet, nu onderhavige zaak reeds een jaar geleden heeft gespeeld. Het Salduz-arrest ziet volgens hem alleen op recente zaken. De verklaring van verdachte bij de politie kan dan ook worden meegenomen voor het bewijs. 4.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het feit dat niet bewezen kan worden dat verdachte is blijven rijden terwijl hij erg vermoeid was en/of in slaap is gevallen. Verdachte kan ook een flauwte hebben gehad. Dat hij met zijn auto op de linkerweghelft terecht is gekomen kan ook een andere - technische of van buitenaf komende - oorzaak hebben. De verdediging wijst er verder op dat verdachte zes weken na het ongeval is gehoord, terwijl hij volkomen gedesoriënteerd was. Hij was toen juist uit het ziekenhuis ontslagen en stond aan het begin van een langdurige revalidatie. Daar kwam nog bij dat hij zijn baan kwijt was en in een nieuwe omgeving/woning verkeerde. Verdachte is toen niet meegedeeld dat hij voorafgaand aan of tijdens het verhoor recht had op bijstand van een advocaat. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat - indien slaap en vermoeidheid wel een rol spelen - verdachte in opdracht van zijn werkgever diens stiefzoon, [slachtoffer], onder werktijd heeft opgehaald. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad is in dat geval de werkgever civielrechtelijk aansprakelijk op het moment dat de werknemer iets overkomt. De vraag die bij de verdediging rijst is of de werkgever ook niet op ander juridisch gebied aansprakelijk dan wel verantwoordelijk is. 4.4 Het oordeel van de rechtbank De passagier van verdachte, [slachtoffer], heeft verklaard dat hij op een gegeven moment zag dat verdachte met zijn auto in de naast de weg gelegen berm geraakte. [slachtoffer] kreeg daarbij de indruk dat verdachte slaap had en ook daadwerkelijk in slaap zou vallen. Enige tijd later, zij reden toen op de Delingsdijk, zag [slachtoffer] dat verdachte zat te knikkebollen. Zijn hoofd zakte telkens naar beneden. Hij heeft hem toen een por gegeven. Net na de rotonde op de Delingsdijk reed verdachte naar de linkerkant van de weg, terwijl hen een vrachtauto tegemoet kwam. [slachtoffer] heeft getracht een frontale botsing te voorkomen door het stuur naar rechts te trekken, maar zij kwamen toch in botsing met de vrachtauto. Getuige [getuige 1] reed in zijn personenauto over de Delingsdijk achter de auto van verdachte op een afstand van ongeveer 10 tot 20 meter. Hij heeft verklaard dat hij zag dat verdachte in een flauwe bocht naar rechts niet instuurde, maar gewoon rechtdoor reed en mogelijk zelfs nog iets naar links stuurde, waardoor hij op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer terecht kwam. Op dat moment naderde vanuit de tegenovergestelde richting een vrachtwagen. Hoewel de bestuurder daarvan heeft geprobeerd de auto van verdachte te ontwijken door in de berm te gaan rijden, heeft er toch een frontale botsing plaatsgevonden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 14 mei 2008 vermoeid was, omdat hij het weekend daarvoor lange dagen had gemaakt op zijn werk. Daarnaast scheen die dag de zon en was het warm in de auto. Gelet op vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte vermoeid was, dat hij kort vóór de botsing in slaap is gevallen en dat hij daardoor op de verkeerde weghelft is geraakt. Nu de rechtbank de verklaring van verdachte bij de politie niet gebruikt als bewijsmiddel, zal zij het verweer van de raadsman inhoudende dat verdachte bij zijn eerste verhoor door de politie er niet op is gewezen dat hij recht heeft op bijstand van een raadsman, hier verder niet bespreken. De rechtbank overweegt dat de verdediging de opmerking dat niet valt uit te sluiten dat verdachte ten tijde van het ongeval een flauwte heeft gehad, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Op de enkele theoretische mogelijkheid dat verdachte een flauwte heeft gehad zal de rechtbank dan ook niet verder ingaan. Voor de stelling van de raadsman dat er ook een andere oorzaak kan zijn dat verdachte op de linkerweghelft terecht is gekomen heeft de rechtbank in het dossier geen aanwijzingen gevonden. Integendeel, de bij de botsing betrokken voertuigen zijn aan een grondig technisch onderzoek onderworpen en daaruit is gebleken dat beide voertuigen geen gebreken vertoonden die van invloed kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval . Daarnaast heeft ook geen van de getuigen verklaard over een van buitenaf komende oorzaak. Van enige andere omstandigheid die bijgedragen kan hebben aan het ongeval is evenmin gebleken. Verdachte heeft, terwijl hij oververmoeid was, er voor gekozen om toch als bestuurder met zijn personenauto te gaan rijden. Door zo te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Genoemde gedragingen leiden tot schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.