Uitspraak RECHTBANK MIDDELBURG Sector kanton Locatie Middelburg zaak/rolnr.: 190737 / 09-4891 vonnis van de kantonrechter d.d. 22 november 2010 in de zaak van
- de besloten vennootschap DELTA COMFORT B.V.,
- de besloten vennootschap DELTA KABELCOMFORT B.V.,
- de besloten vennootschap DELTA NETWERKBEDRIJF B.V.,
- de besloten vennootschap DELTA INFRA B.V.,
- de besloten vennootschap DELTA COMFORT SERVICE B.V., alle gevestigd te [adres], en
- de naamloze vennootschap EVIDES N.V., gevestigd te [adres], eisende partij, verder in enkelvoud te noemen: [A], gemachtigde: GGN Zeeland, tegen [partij B], wonende te [adres], gedaagde partij, verder te noemen: [B], in persoon. het verdere verloop van de procedure Na het tussenvonnis van 21 juni 2010 is de procedure als volgt verlopen: - akte [A], - antwoordakte [B]. de verdere beoordeling van de zaak
- De kantonrechter handhaaft hetgeen is overwogen en beslist bij de tussenvonnissen. De inhoud van deze vonnissen moet als hier ingelast worden beschouwd. 2.1 In het tussenvonnis van 21 juni 2010 is de kantonrechter tot de slotsom gekomen dat de vordering van [A] voor zover deze betrekking heeft op de levering van gas en elektriciteit is verjaard. Dit deel van de vordering dient te worden afgewezen. 2.2 Voor het deel van de vordering, dat betrekking heeft op geleverd water, heeft de kantonrechter geoordeeld dat dit deel van de vordering niet is verjaard. Nu [B] ook in de nadere akte niet heeft aangetoond dat zij in de betreffende periode niet op het [adres] verbleef gaat de kantonrechter ervan uit dat [B] de in de eindafrekening vermelde hoeveelheid water heeft afgenomen. Dit deel van de vordering is toewijsbaar. 2.3 Ten aanzien van de huur van de geiser en van het kabelpakket heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 21 juni 2010 bepaald dat naar zijn voorlopig oordeel de verjaringstermijn van 5 jaar als bedoeld in artikel 308 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek geldt, waarbij de kantonrechter onder de aandacht van partijen heeft gebracht dat deze verjaringstermijn loopt voor iedere maand (of eventuele andere termijn) dat de huur of abonnementsvergoeding moet worden betaald. Aangezien partijen aan deze onderdelen van de vorderingen nog geen aandacht hebben kunnen besteden heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. 2.4 [A] heeft in haar conclusie na tussenvonnis aangegeven dat terzake van de huur van de geiser, het abonnement van de kabel en de levering van water de verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing is. Omdat de eerste voorschotnota op 24 november 2004 en de eerste afrekening op 26 augustus 2005 is gedateerd gaat vanaf 26 augustus 2005 de verjaringstermijn van vijf jaar lopen. Omdat de dagvaarding medio augustus 2009 is uitgebracht is volgens [A] de vordering met de dagvaarding gestuit. Bovendien stelt [A] dat de verjaring met de door haar op 23 maart en 14 mei 2009 verzonden aanmaningen is gestuit. [A] heeft een uitgesplitst overzicht vanaf november 2004 t/m 26 augustus 2005 overgelegd waaruit blijkt dat [B] in totaal voor de huur van de geiser, het abonnement voor het kabelpakket en de levering van water een bedrag van € 376,98 verschuldigd is. 2.5 [B] is in haar antwoordakte bij haar in de procedure ingenomen standpunten gebleven. [B] heeft de ontvangst van de door [A] verzonden aanmaningen van 23 maart en 14 mei 2009 betwist.
- De kantonrechter is van oordeel dat zowel de huur van de geiser als ook het abonnement van de kabel niet beschouwd kunnen worden als koop van een roerende zaak in de zin van artikel 7:5 Burgerlijk Wetboek. Voor beide delen van de vordering geldt aldus een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de factuurdata. Nu de eerste maandnota dateert van 1 november 2004 en de inleidende dagvaarding dateert van 6 augustus 2009 is naar het oordeel van de kantonrechter de verjaringstermijn van vijf jaar voor beide delen van de vordering niet verstreken. Of [B] al dan niet de op 23 maart en 24 mei 2009 door [A] verzonden aanmaningen heeft ontvangen is verder niet van belang. De rente zal worden toegewezen vanaf de vervaldata van de facturen.
- De gevorderde incassokosten zijn niet toewijsbaar. Niet is aangetoond dat er werkzaamheden zijn verricht die toekenning van dit deel van de vordering rechtvaardigen. Zelfs aan [B] verzonden aanmaningen zijn niet in de procedure overgelegd.
- Nu slechts een klein deel van de vordering wordt toegewezen ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen. de beslissing De kantonrechter: veroordeelt [B] om tegen bewijs van kwijting aan [A] te betalen een bedrag van € 376,98 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag der voldoening; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten moet dragen; wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd. Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R.P.Verhoeven, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.