RECHTBANK MIDDELBURG Sector strafrecht parketnummers: 12/700138-09, 12/705059-10 en 12/705474-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 juli 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1966], wonende te [adres], ter terechtzitting verschenen, raadsman mr. Bals, advocaat te Kloetinge, ter terechtzitting verschenen. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 juni 2011, waarbij de officier van justitie mr. Hillenaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt, waarna het onderzoek ter terechtzitting formeel is gesloten op 29 juni 2011. Ter terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2 De tenlastelegging De rechtbank heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden. Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging met parketnummer 12/705059-10 ter terechtzitting d.d. 1 april 2010 – ten laste gelegd dat parketnummer 12/700138-09 1. hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode(
(30)* stond betrof het een schuld van een zakje weed dat men daar dan had gekocht. De lijst werd bijgehouden door [verdachte] en [medeverdachte 1]. Op 16 oktober 2009 heeft in café All Bindy’s te Hulst een doorzoeking plaatsgevonden waarbij aan de kapstok naast de bar een drietal jassen zijn aangetroffen. In de binnenzak van één van deze jassen zaten twaalf zakjes met daarin gebruikershoeveelheden hennep. [betrokkene 10] heeft bij de politie verklaard dat hij zijn hennep in café All Bindy’s te Hulst koopt. De man van wie hij de hennep koopt haalt de zakjes uit een jas die aan de kapstok hangt. De rechtbank acht gelet op het vorenstaande tevens wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode samen met een ander of anderen, waaronder in ieder geval [medeverdachte 12], vanuit café All Bindy’s gebruikershoeveelheden hennep heeft verkocht. 2007 In de periode van 25 oktober 2007 tot en met 17 december 2007 zijn diverse telefoongesprekken gevoerd met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 25]. Op 26 oktober 2007 wordt de gebruiker van dit nummer door twee, verschillende bellers ‘[voornaam verdachte]’ genoemd. Op 17 december 2007 heeft de gebruiker van dat nummer contact met [betrokkene 14]. [betrokkene 14] heeft hierover bij de rechter-commissaris verklaard dat het een gesprek tussen [verdachte] en hem betrof. Hoewel [verdachte] niet heeft verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnr 25] en er evenmin in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] aanwijzingen zijn aangetroffen dat dit telefoonnummer bij hem in gebruik is geweest, is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat dit telefoonnummer gebruikt werd door [verdachte], hetgeen door hem overigens niet is bevestigd maar ook niet is bestreden. In de hierna te noemen tapgesprekken zal derhalve de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 25] bij zijn naam – [verdachte] – genoemd worden. Op 26 oktober 2007 is door [verdachte] gebeld naar [medeverdachte 6]. Gevraagd wordt of [betrokkene 6] morgen kan rijden. Hij kan dan bij ‘[naam 5]’ en bij [medeverdachte 6] wat oppikken. [medeverdachte 6] zal het regelen en hij zal laten weten hoe laat [betrokkene 6] bij [verdachte] is. Op 27 oktober 2007 worden tussen [medeverdachte 6] en [verdachte] over en weer sms-berichten gestuurd. [medeverdachte 6] stuurt [verdachte] een sms-bericht dat hij hem niet te pakken krijgt. [verdachte] reageert met het bericht dat “hij” nog slaapt, maar thuis is. [medeverdachte 6] stuurt het bericht: ‘ik denk niet dat die dingen thuis is’, ‘die dingen dat hij moet meenemen’. Later vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 6] ‘Amigo hoe laat is hij vertrokken?’ Die avond stuurt [medeverdachte 6] aan [verdachte] het bericht ‘alee he we gaan nu ras terug maar gene spruitjes meer gegroet den hollander’. Op 30 oktober 2007 stuurt [verdachte] een bericht aan [medeverdachte 6]: ‘Amigo goede morgen. Weet jij hoe laat onze vriend vertrekt?’ [medeverdachte 6] antwoordt dat hij rond twaalf uur weg gaat. In een sms-bericht van [betrokkene 6] aan [verdachte] wordt op 30 oktober 2007 gezegd ‘ik heb zes van die dingen liggen’, ‘ik heb liever dat jij ze eens bekijkt, wanneer ben je hier’. [verdachte] antwoordt dat hij morgen die kant op komt en er tegen een uur of elf zal zijn. Op 5 november 2007 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 6] ‘Amigo hoe laat rijden jullie mijn kant uit?’ Aan het einde van de middag vraagt [medeverdachte 6] of [verdachte] nog zijn kant uit komt. [verdachte] zegt dat hij de volgende dag een afspraak heeft met [naam 4]. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 6] die gsm’s al heeft. Dan wordt het niks. Ze spreken af woensdag of donderdag. Op 12 november 2007 wordt in een telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] gesproken over “[naam 11]” die vier konijnen komt brengen. Op 13 november 2007 wordt in een telefoongesprek met [verdachte] gesproken over ‘negen van die jassen’. Op 13 november 2007 is in een tapgesprek met [verdachte] door een gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 26] gezegd dat hij wat heeft gevonden. [verdachte] zegt: ‘Ja, dat is eerste klas jongen, dat is perfect’. De beller zegt dat ‘der een probleempje is’. Hij denkt dat er ongeveer 5 procent doorheen wordt gemixt. [verdachte] vraagt of hij moet komen kijken. Afgesproken wordt elkaar in Roosendaal te ontmoeten. Op 14 november 2007 vraagt [verdachte] in een telefoongesprek of het in de regen heeft gelegen. Als het iets fatsoenlijks is, mag de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 26] er een stuk of drie brengen, om te proberen. Twee uur later zegt de beller met telefoonnummer [telefoonnr 26] dat hij heel mooie heeft en als [verdachte] papieren meeneemt hij ze gelijk mee kan nemen. Op 16 november 2007 wordt [verdachte] opnieuw gebeld door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 26]. De beller heeft wat gezien, een beetje gemalen blad, maar het ziet er wel heel mooi uit. [verdachte] zegt in eerste instantie dat hij er niets mee kan doen, maar later zegt hij dat het toch maar moet worden gebracht. Over ‘een beetje bruin uitgeslagen’ zegt [verdachte] dat het goed moet zijn en dat hij niets heeft aan rotzooi. Op 20 november 2007 is opnieuw gebeld door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 26] en [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij al is vertrokken, want hij moet eerst naar Hoorn. De beller zegt dat hij ‘nog vier heeft’. Als [verdachte] papieren had meegenomen, had hij ze gelijk mee kunnen nemen. [verdachte] zal kijken of hij nog wat kan regelen. Op 28 november 2007 belt [verdachte] naar de beller met het nummer [telefoonnr 26]. De beller zegt dat hij er 4000 nodig heeft. [verdachte] zegt dat dat niet zal lukken. Gelet op de inhoud van deze tapgesprekken uit 2007 in samenhang bezien met hetgeen hiervoor onder A tot en met E is overwogen met betrekking tot 2009 leidt de rechtbank af dat ook in de tapgesprekken uit 2007 wordt gesproken over leveringen van hennep aan [verdachte]. De rechtbank is van oordeel dat de in de tapgesprekken genoemde goederen en aantallen versluierd taalgebruik betreft. Er is weliswaar geen hennep gezien of in beslag genomen, maar op grond van de overeenkomsten in deze tapgesprekken en die van 2009 en hetgeen hierboven onder A tot en met D is overwogen, waarbij gebruik is gemaakt van genoemd versluierd taalgebruik en de wijze waarop afspraken zijn gemaakt over de leveringen, ziet de rechtbank hierin een patroon. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich ook in 2007 in de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan de handel in hennep. 2007 en 2009 De rechtbank is van oordeel dat, met uitzondering van de gebruikershoeveelheden die in All Bindy’s werden verhandeld, het - gelet op de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 8] dat het partijen betrof van vijf kilo en hetgeen hiervoor reeds is overwogen - telkens ging om hoeveelheden als bedoeld in lid 5 van artikel 11 Opiumwet. De rechtbank is verder van oordeel dat deze leveringen een beroeps- dan wel bedrijfsmatig karakter hebben. Zij overweegt daarbij dat uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat er in een korte periode regelmatig leveringen hebben plaatsgevonden alsook dat de betrokken personen hun rol op gestructureerde wijze vervulden. De handel in hennep heeft op een dusdanig stelselmatige wijze en volgens een vooropgezet plan plaatsgevonden en met een zodanige intensiteit, dat sprake is van handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf in de zin van artikel 11, derde lid, van de Opiumwet. Feit 2 Aan [verdachte] wordt verder verweten dat hij in de periodes van 25 oktober 2007 tot en met 12 december 2007 en/of van 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 heeft deelgenomen aan een organisatie die kort gezegd tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Het feit, de deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, inclusief de invoer en uitvoer van verboden verdovende middelen, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet. Behalve de hierboven genoemde “criminele doelstelling” (de illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan, er een bepaalde mate van hiërarchie is, of sturing van de leden van de organisatie plaatsvindt. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze sprake van een criminele organisatie. Zij wijst in dit verband naar het hiervoor onder feit 1 overwogene. In de periode van - in ieder geval – 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 heeft een hele reeks leveringen van hennep plaatsgevonden aan [verdachte]. Voorafgaand aan die leveringen zijn in telefoongesprekken en sms-berichten tussen de diverse betrokken personen afspraken gemaakt over hoeveelheden en kwaliteit van te leveren hennep en ook is afgesproken waar die hennep geleverd moest worden. Uit de inhoud van de tapgesprekken en de observaties leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van een groot aantal leveringen van grote hoeveelheden hennep direct of indirect aan [verdachte]. Dit gebeurde in zodanig georganiseerd verband dat sprake is geweest van een criminele organisatie waarbinnen sprake was van een duidelijke taakverdeling tussen de betrokken personen. Een centrale rol binnen de organisatie was weggelegd voor [verdachte], als een spin in het web. Hij was het die personen benaderde om hennep te leveren. Hij was het die bijvoorbeeld [medeverdachte 2] vertelde dat hij de volgende dag moest werken en bij [medeverdachte 8] moest zijn en [medeverdachte 3] belde om even naar hem toe te komen. Toen de kwaliteit van de hennep niet goed was, heeft [verdachte] beslist dat niets aan de prijs werd gedaan maar dat de hennep terug moest. In verband met de werkwijze van de organisatie wijst de rechtbank voorts op de verklaring die [medeverdachte 6] bij de politie heeft afgelegd. Volgens [medeverdachte 6] werden telefonisch afspraken gemaakt en werd vervolgens hennep aan [verdachte] geleverd. [medeverdachte 8] en [betrokkene 6] waren chauffeurs voor [verdachte]. [medeverdachte 6] spreekt over een klein clubje bestaande uit [medeverdachte 8], [verdachte], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 10]. De rechtbank acht in het licht van het onder feit 1 overwogene dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periodes heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had de handel in hennep, met inbegrip van het brengen van hennep binnen en buiten het grondgebied van Nederland, en dat hij de leidinggevende van deze criminele organisatie was. Feit 3 In de periodes van 25 oktober 2007 tot en met 12 december 2007 en 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan grootschalige hennephandel. [verdachte] heeft bij de politie en ook ter terechtzitting verklaard dat hij zich in de zomer van 2009 heeft beziggehouden met de handel in softdrugs. Hij deed dit omdat de huurder van zijn horecapand in Spanje de huur niet meer betaalde en hij daardoor in financiële problemen was geraakt. Aan de bemiddeling heeft hij 100 à 150 euro per kilo over gehouden. [betrokkene 3] heeft in 2009 twaalf keer hennep van [verdachte] gekocht. Eenmaal betaalde hij [verdachte] 800 euro, een andere keer heeft hij voor 2000 euro weed van [verdachte] gekocht . [betrokkene 2] heeft bij de politie verklaard dat zij gedurende zes maanden wekelijks minstens één kilo weed kocht bij een persoon uit Clinge, die ‘[naam 1]’ wordt genoemd en waarvan zij later heeft begrepen dat hij [voornaam verdachte] heette. Zij betaalde hem ongeveer hetzelfde als [naam 9], te weten € 3.600,-- per kilo. Dit speelde zich allemaal af eind 2007, begin
- Gelet op deze verklaringen - in onderling verband en in samenhang bezien met het onder 1 bewezenverklaarde - acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] in de periode van 25 oktober 2007 tot en met 12 december 2007 en 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 steeds geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat die bedragen afkomstig waren uit de verkoop van drugs. Hij had financiële problemen en daarvoor benutte hij deze geldbedragen. Nu [verdachte] betrokken is geweest bij een groot aantal leveringen acht de rechtbank bewezen dat hij van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt als is ten laste gelegd. Feit 4, eerste deel, en 5 Ten laste gelegd is, kort weergegeven, de invoer van vijf kilo cocaïne in Nederland respectievelijk de handel in althans het voorhanden hebben van die vijf kilo. De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Uit het dossier blijkt dat in augustus 2009 [betrokkene 12] bij zijn werkzaamheden in de haven van Antwerpen drie pakken wit poeder heeft gevonden, waarvan hij één pak met een gewicht van één kilo mee naar huis heeft genomen. Het witte poeder bleek cocaïne te zijn. [betrokkene 12] wilde de cocaïne verkopen, waarvoor hij [betrokkene 11] heeft benaderd. [betrokkene 11] was bereid een koper te gaan zoeken. [betrokkene 12] weet niet wie [betrokkene 11] daarvoor heeft benaderd. [betrokkene 11] heeft verklaard dat hij ter zake [betrokkene 13] heeft aangesproken, die op zijn beurt - via [betrokkene 2] - [betrokkene 11] in contact heeft gebracht met haar zoon [betrokkene 4]. [betrokkene 11] heeft verder verklaard dat hij aan [betrokkene 4] in totaal vijf kilo cocaïne heeft verkocht, afkomstig van [betrokkene 12] en van diens zwager [naam zwager], die met een aantal collega’s in dezelfde haven een grote hoeveelheid cocaïne (80 kilo) had aangetroffen. [betrokkene 11] weet niet voor wie de cocaïne bestemd was. [betrokkene 4] heeft bij de politie verklaard dat hij in september 2009 van [betrokkene 11] drie partijen cocaïne heeft gekocht met een totaal gewicht van vijf kilo. Deze cocaïne heeft hij verkocht aan en afgeleverd bij [verdachte], waarvoor hij € 1.000,-- per kilo heeft ontvangen. Bij de rechter-commissaris is [betrokkene 4] echter, gemotiveerd, teruggekomen op zijn eerdere verklaring dat [verdachte] de afnemer van de cocaïne is geweest. In het dossier zijn geen andere aanknopingspunten dat [verdachte] de vijf kilo cocaïne heeft gekocht. Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat [verdachte] deze ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Feit 4, tweede deel Onder dit feit valt zowel het vanuit Nederland via België naar een andere plaats in Nederland vervoeren van hennep alsook de handel van hennep in die zin dat de hennep binnen- en/of buiten het grondgebied van Nederland wordt gebracht. doorvoer Gelet op het onder feit 1 A tot en met F overwogene is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] onder andere betrokken is geweest bij de daar onder A en B gespecificeerde leveringen van hennep op 21 augustus 2009 en op 16 oktober 2009 waarbij met de hennep door Belgie is gereden. Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat hij in de periode van 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 samen met een ander van de ene plaats in Nederland naar een andere plaats in Nederland hennep heeft vervoerd en daarbij via België is gereden. Aangezien zij daarbij de landsgrenzen hebben overschreden, is strikt genomen bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan in- en uitvoer van hennep. Vast staat echter dat zij niet de intentie hadden om de hennep in België achter te laten, zij zijn er enkel doorheen gereden. In zoverre verdient de bewezenverklaring van in- en uitvoer enige nuancering. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de strafmaat. (verlengde) uitvoer Op 28 juli 2009 belt [verdachte] naar [betrokkene 3] en zegt dat hij donderdag de baan op moet voor motormuis. Hij vraagt of ‘[naam 18]’ nog iets moet hebben, want dan kan hij dat in een keer regelen. [betrokkene 3] heeft nog niets gehoord, maar gaat vanavond nog bij hem langs. [betrokkene 3] zegt dat hij [naam 10] niet meer heeft gezien, waarop [verdachte] antwoordt dat het wel opzij ligt. Een uur later wordt [verdachte] gebeld door [betrokkene 3]. Hij zegt ‘voor motormuis dinsdagavond’, waarop [verdachte] antwoordt dat dit goed is. Op 30 juli 2009 belt [betrokkene 3] naar [verdachte]. [verdachte] zegt tegen hem dat het morgen zal zijn en ‘… dan zal die bij jou zijn om een uur’. Een dag later belt [verdachte] aan het eind van de ochtend naar [betrokkene 3] en zegt dat het iemand anders zal zijn. Hij kan de motormuis niet te pakken krijgen. Het zullen twee ‘fleskes’ zijn. [betrokkene 3] zegt dat hij aan de autostrade, aan de afrit, in Waregem gaat staan. [verdachte] zegt dat ‘als hij papieren moest hebben, hij deze aan hem mag meegeven’. [betrokkene 3] zegt dat hij voor de eerste keer zelf gaat komen. [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij met [verdachte] had afgesproken dat [verdachte] weed aan hem zou leveren. De 200 gram weed is door een andere man afgeleverd. [betrokkene 3] heeft de man niet betaald. Dat regelde hij met [verdachte]. Op 31 juli 2009 belt [betrokkene 3] naar [verdachte]. Als [betrokkene 3] zegt ‘alles ok’ zegt [verdachte] dat hij dat weet omdat hij alles al heeft gehoord. [verdachte] vraagt of [betrokkene 3] al weet wanneer hij komt, want hij is bij [naam 10]. Hij moet afspreken voor die vier flessen whisky voor [betrokkene 3]. [betrokkene 3] zegt ‘… morgen’. [verdachte] zal het regelen. [betrokkene 3] belt [verdachte] op 5 augustus 2009 en zegt ‘zaterdag iets boeken bij ons’, waarop [verdachte] zegt dat het goed is en dat ze er om een uur of vijf zullen zijn. [betrokkene 3] zegt ‘vandaag komt dingen’, waarop [verdachte] zegt dat hij hem wel ziet verschijnen en dat hij er wel een briefje bij zal doen. Op 6 augustus 2009 belt [verdachte] naar [betrokkene 3] en zegt dat die gast er tegen een uur of zes zal zijn. [betrokkene 3] vraagt of hij twee soorten wodka bij heeft, waarop [verdachte] antwoordt dat dat niet het geval is, want het was al moeilijk om aan een te geraken. Op 12 september 2009 belt [verdachte] naar [betrokkene 3]. [betrokkene 3] vraagt wanneer [verdachte] de beste whisky heeft, waarop [verdachte] zegt dat hij goede heeft staan. [betrokkene 3] zegt dat hij eigenlijk ‘een prijsklasse of drie’ zou moeten hebben. [verdachte] zegt dat dat niet gaat lukken. Zij spreken af voor maandag. Op de vraag van [betrokkene 3] of hij dan hele goede whisky voor hem heeft antwoordt [verdachte] ‘jajajajaja’. [verdachte] belt op 2 september 2009 naar [betrokkene 3]. [betrokkene 3] vraagt of [verdachte] nog een keer kijkt voor een beetje van die chocola. Op 13 september 2009 belt [verdachte] naar [betrokkene 3]. [betrokkene 3] vraagt of [verdachte] ‘ook wat van die chocola … voorzien ook?’ [verdachte] antwoordt dat dit geen probleem is, waarop [betrokkene 3] zegt dat hij morgen komt, dat zal ’s avonds zijn. Op 28 januari 2010 heeft [betrokken 3], die in Waregem (België) woont , bij de politie verklaard dat hij van [verdachte] een keer hashish heeft gekocht. Dit was minder dan honderd gram. Hij kocht dat in het café van [verdachte]. Als er in telefoongesprekken wordt gesproken over ‘chocola’ wordt daarmee bedoeld hashish. Verder heeft [betrokkene 3] verklaard dat hij ook hennep van [verdachte] heeft gekocht. Hij kocht gedurende het laatste half jaar soms één keer per maand, maar ook wel eens twee keer per maand. Hij schat dat hij per keer ongeveer 200 gram weed kocht. Als er wordt gesproken over ‘whisky’ wordt weed bedoeld. Eén fles whisky is 100 gram weed. Ook met ‘wodka’ wordt weed bedoeld. Op grond van voornoemde tapgesprekken tussen [verdachte] en [betrokkene 3] waarin gesproken wordt over hoeveelheden, aantallen, ‘chocola’, ‘whisky’ en ‘wodka’ en de verklaring die is afgelegd door [betrokkene 3] alsook de verklaring van [verdachte] dat hij een paar keer heeft bemiddeld in weed - in combinatie met hetgeen hiervoor onder feit 1 A, B, C, D en E is weergegeven - leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van leveringen van hennep en hashish door [verdachte] aan [betrokkene 3]. De rechtbank is van oordeel dat de in de tapgesprekken genoemde goederen en aantallen versluierd taalgebruik betreft. Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode hennep en hashish buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hennep en/of hashish zijn in het dossier onvoldoende aanknopingspunten anders dan de hiervoor genoemde doorvoer van hennep via België. De rechtbank is van oordeel dat deze leveringen een beroeps- dan wel bedrijfsmatig karakter hebben. Zij overweegt daarbij dat uit bovenstaande bewijsmiddelen in samenhang met hetgeen onder feit 1 A tot en met E is overwogen blijkt dat er in een korte periode regelmatig leveringen in Nederland en België hebben plaatsgevonden alsook dat de betrokken personen hun rol op gestructureerde wijze vervulden. Feit 6 Op 30 november 2007 stuurt [verdachte] een sms-bericht naar een telefoonnummer, dat op naam staat van [betrokkene 15], met de vraag hoe laat hij op de koffie komt. Daarop komt de vraag hoe laat hij klaar is, waarop [verdachte] sms’t zes uur. ’s Avonds stuurt [verdachte] een sms-bericht naar dit nummer met de vraag of hij morgen om tien uur die schoenen kan brengen, waarop [betrokkene 15] sms’t ‘oke 10 uur’. [betrokkene 15] woont in Sint-Niklaas (België). Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zijn zoon in paraplu’s handelde en dat dit gesprek daar mogelijk ook over ging. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Zij ziet niet in waarom [verdachte] over ‘schoenen’ spreekt als het gesprek over legale goederen, te weten paraplu’s, gaat. De rechtbank acht het in het licht van hetgeen hierboven onder feit 1 A tot en met E is overwogen aannemelijk dat er sprake is van versluierd taalgebruik en dat [verdachte] in werkelijkheid hennep bestelde bij [betrokkene 15]. [betrokkene 2] heeft bij de politie verklaard dat zij gedurende zes maanden wekelijks minstens één kilo weed kocht bij een persoon uit Clinge, die ‘[naam 1]’ wordt genoemd en waarvan zij later heeft begrepen dat hij [voornaam verdachte] heette. Zij onderhandelde en kocht steeds van ‘goed leven’. [betrokkene 2] heeft deze verklaring bij de rechter-commissaris deels ingetrokken in die zin dat zij heeft verklaard dat zij slechts gedurende vijf à zes maanden een keer per maand hoogstens één kilo weed heeft gekocht van [verdachte]. Dit was eind 2007, begin
- Zij heeft [verdachte] de eerste twee keer gezien, daarna kwam er telkens iemand anders. [betrokkene 2] is woonachtig in Dendermonde (België). Gelet op vorenstaande - in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen onder feit 1 A tot en met E - is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] in 2007 in de ten last