RECHTBANK MIDDELBURG Sector bestuursrecht AWB nummer: 10/725 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken inzake 1. [naam 1] 2. [naam 2], wonende te [woonplaats], eisers, gemachtigde mr. M.M. Breukers (DAS rechtsbijstand), tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de Minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie), en de staatssecretaris van Financiën, tezamen aangeduid als verweerder. I. Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van verweerder van 15 juli 2010 (hierna: het bestreden besluit). Op 27 september 2011 is het beroep behandeld ter zitting. Eisers zijn daar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en drs. R.H.M. van Immerseel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E. de Groot en B. Jongbloed. Na afloop van de zitting is een schrijven van verweerder van 7 oktober 2011 ontvangen. Eisers hebben hierop bij brief van hun gemachtigde van 9 november 2011 gereageerd. Bij brief van 23 december 2011 heeft de rechtbank het voornemen kenbaar gemaakt om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (Stab) als deskundige te benoemen. Van partijen is geen bezwaar tegen het voornemen tot benoeming ontvangen. Bij brief van 17 januari 2012 is ir. M.L.A. Huizer van de Stab als deskundige benoemd en is de opdracht verstrekt. Op 27 februari 2012 is het advies van de Stab ontvangen. Partijen zijn bij brief van 29 februari 2012 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken op dit advies te reageren. Van verweerder is op 28 maart 2012 een reactie ontvangen. Eisers hebben bij schrijven van 12 april 2012 op die brief gereageerd. Beide partijen hebben desgevraagd schriftelijk aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het doen van een uitspraak zonder nadere zitting. II. Overwegingen 1. Eisers hebben de onroerende zaak [naam locatie] te [woonplaats] (gemeente [gemeente]) op 29 mei 2009 in eigendom verkregen. Eisers hebben op 26 mei 2009 verzocht om rangschikking van “[naam locatie]” onder de Natuurschoonwet 1928 (hierna: Nsw). Eisers zijn ingeval de aanvraag wordt toegewezen, ingevolge artikel 9a van de Nsw geen overdrachtsbelasting verschuldigd. 2. Op 14 juli 2009 zijn de provincie Zeeland (directie Ruimte Milieu en Water) en de Belastingdienst Oost-Brabant (afdeling natuurschoonwet) om advies gevraagd. Zij adviseren het verzoek af te wijzen omdat nauwelijks sprake is van historische tuinelementen van voor 1850. 3. Bij besluit van 10 december 2009 is dit verzoek afgewezen. In dat besluit is vermeld dat [naam locatie] niet wordt aangemerkt als landgoed in de zin van de Nsw, omdat - [naam locatie] wordt beschouwd als monumentale boerderij. Een boerderij valt volgens het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (hierna: het Rangschikkingsbesluit) niet onder het begrip buitenplaats. - er geen sprake is van een architectonisch met de buitenplaats verbonden historische tuin of park, waarvan de aanleg dateert van voor 1850, en welke aanleg nog herkenbaar aanwezig is. 4. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt. 5. Op 17 mei 2010 heeft de Belastingdienst Oost-Brabant verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. 6. In het bestreden besluit is vermeld dat bij de primaire beoordeling onterecht is geoordeeld dat voor wat betreft de opstallen geen sprake is van een buitenplaats (een ‘in oorsprong versterkt huis’). Ten tijde van de rangschikking (mei 2009) was echter geen sprake van een met de opstallen architectonisch verbonden historische tuin/historisch park van ten minste 1 ha, waarvan de aanleg dateert van voor 1850 en herkenbaar aanwezig is, zodat niet wordt voldaan aan de definitie van een buitenplaats. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard. 7. Eisers hebben deelgenomen aan project ‘verborgen buitens op Walcheren 2008-2010’, dat ten doel heeft buitenplaatsen in stand te houden. Bij deelname aan dat project wordt 75% van met herstelwerkzaamheden gemoeide kosten, gesubsidieerd. In dat kader zijn in zomer en herfst 2010 een aantal elementen aan [naam locatie] hersteld. Zo is de van 1830 daterende gracht uitgebaggerd en de bomenrij langs de oprijlaan herplant. 8. Eisers kunnen zich niet het met bestreden besluit verenigen en voeren het volgende aan. Het verzoek om rangschikking van [naam locatie] had toegewezen moeten worden, op de volgende gronden: - Uit het deskundigenrapport van de Bouwwinkel Zeeland van 27 september 2010 blijkt dat de bestrating van de toegangsweg (dreef) op het erf van [naam locatie] naar alle waarschijnlijkheid dateert uit de 18e eeuw, zodat sprake is van een duidelijk herkenbaar element van voor 1850. - Uit een aanvullend deskundigenrapport van februari 2011 van drs. R.H.M. van Immerseel (groen erfgoedadviseur, historicus, wetenschappelijk medewerker Stichting Arcadie, voorheen stichting behoud particuliere buitenplaatsen) blijkt dat sprake is van waarneembare elementen van voor 1850. In dat rapport is onder meer het volgende vermeld. De oprijlaan is als beeldbepalend 17e eeuws structuurelement tot op heden nog herkenbaar aanwezig. De laanbestrating dateert uit de eerste helft van de 18e eeuw. De bestrating van de oprijlaan is bijzonder en vrij uniek te noemen. Een dergelijke zeer kostbare bestrating in de 18e eeuw is alleen voor buitenplaats- en kasteeleigenaren weggelegd en past in traditie van onrendabele verfraaiingen zoals natuurstenen hekken, tuinprielen ed. Dit is gebaseerd op kennis over wat in die tijd gangbaar was. De beplanting aan de west- en noordgrens (historische kavelgrens) van het terrein is een continue structuurelement van voor 1850 (vanaf 1660). Verder is vermeld dat leifruitbomen op een plek staan waar in 1813 een boomgaard was. Niet uit te sluiten valt dat de boomgaard teruggaat op een nog oudere boomgaard, omdat het in de 17e en 18e eeuw gebruikelijk was dat vakken beplant met fruitbomen deel uitmaakten van de geometrische tuinaanleg. De grachten waren tot 1944 onmiskenbaar aanwezig en watervoerend. Tot voor kort waren de contouren als depressie zichtbaar en begroeiing wees op een afwijkende ondergrond en door de vorm en plaats was te zien dat het om oude grachten ging. Momenteel is de gracht deels hersteld. De tuinaanleg dateert van 1660. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt vermeld dat Zeelandia, Ter Hooghe en Zeeduin ook gerangschikte buitenplaatsen zijn, waar de beplanting van vóór 1850 verloren is gegaan door watersnood en inundatie, en op het moment van beoordelen van de aanvraag gerestaureerd was. 9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan criteria buitenplaats als bedoeld in art. 1, lid 1c Rangschikkingsbesluit. - De rapportage van de Bouwwinkel is onvoldoende: één element (de toegangsweg) is onvoldoende. Tevens niet gebleken dat bestrating van voor 1850 dateert. - Ten aanzien van de oprijlaan geldt dat uit rapport (ook niet uit kaarten en gravure) niet blijkt dat de oprijlaan onderdeel uitmaakte van de tuinaanleg van voor 1850. - Verder is niet onomstotelijk bewezen dat de bestrating van voor 1850 dateert. - De beplanting aan de westgrens is aanwezig van voor 1850 maar maakt geen deel uit van historische tuinaanleg. Bovendien blijkt niet dat het om dezelfde soort bomen gaat. - Niet gebleken is dat de beplanting aan de noordgrens deel uitmaakte van de historische tuinaanleg van voor 1850 (zie mn afbeelding 11 rapport). Gravure 5 toont wel aan dat er ooit bomen hebben gestaan aan noordgrens. Echter destijds laanbeplanting, thans is doel erfafscheiding, en daarom geen onderdeel historische tuinaanleg. Tevens is niet gebleken dat het om dezelfde soort bomen gaat. Dat er bomen staan is onvoldoende. - De leifruitbomen liggen op een plek waar ooit een boomgaard was. Niet is aangetoond dat deze ooit deel uitmaakten van een oorspronkelijke boomgaard en dat het dezelfde soort bomen betreft als destijds. Dat er thans leifruitbomen staan is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van oorspronkelijk herkenbare elementen van historische tuinaanleg. - Ten tijde van de eigendomsoverdracht op 29 mei 2009 waren de grachten niet herkenbaar op het terrein aanwezig. Ze zijn pas hersteld in 2010. Er is dus geen sprake van een kenbaar element. Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt voor wat betreft Zeelandia opgemerkt dat daar de vergane elementen op moment van aanvraag om rangschikking waren vervangen door vergelijkbare elementen. Ter Hooghe en Zeeduin zijn niet als historische buitenplaatsen gerangschikt, maar als landgoederen die groter waren dan 5 ha. Daarom is daar niet beoordeeld of sprake was van een historische tuin. Verweerder acht veroordeling in kosten deskundigenrapportages niet redelijk, nu deze pas in de beroepsfase zijn overgelegd. Eisers hadden dit in de aanvraag- dan wel bezwaarfase moeten doen. De rechtbank overweegt als volgt. 10. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Natuurschoonwet 1928, zoals die wet luidde ten tijde van belang, wordt hierin verstaan onder landgoed een in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak - daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen voorkomen - voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is. Ingevolge artikel 2, vijfde lid, wordt, indien aan het verzoek wordt voldaan, de onroerende zaak als een landgoed aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop het verzoek bij de minister van LNV is ingekomen. In het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (hierna: het Rangschikkingsbesluit) zijn nadere regels gesteld inzake de voorwaarden waaraan een onroerende zaak moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een landgoed. Artikel 1, eerste lid, onder c, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 vermeldt: In dit besluit wordt verstaan onder: (…) c. buitenplaats: onroerende zaak met daarop gelegen een in oorsprong versterkt huis, een kasteel, een buitenhuis of een landhuis, eventueel met bijgebouwen, met een architectonisch daarmee verbonden historische tuin of historisch park van ten minste één hectare waarvan de aanleg dateert van vóór 1850 en herkenbaar aanwezig is, indien dit complex, dan wel ten minste één van de onderdelen daarvan, een beschermd monument is dat is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988; Ten aanzien van de vraag of het verzoek tot rangschikking op de juiste wijze is gedaan, overweegt de rechtbank als volgt. 11. Eisers hebben de onroerende zaak op 29 mei 2009 in eigendom verkregen. Ten behoeve van [naam 3], moeder van eiser sub 1, is het recht van vruchtgebruik als bedoeld in artikel 3:202 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gevestigd op een deel van het landgoed. 12. Met een op 26 mei 2009 ondertekend formulier is een verzoek tot rangschikking van [naam locatie] gedaan. Op het formulier is vermeld dat dit verzoek is gedaan door eisers, ieder voor 1/3 eigenaar, en [naam 3], als vruchtgebruikster van 1/3 deel. 13. Bij brief van 27 mei 2009 heeft verweerder eisers gemeld dat de aanvraag op een aantal punten onvolledig is en hen in de gelegenheid gesteld voormeld verzoek aan te vullen. Daarop wordt een nieuwe aangevulde aanvraag ingediend op 13 juli 2009. Op dat formulier is eveneens vermeld dat eisers voor 1/3 eigenaar zijn en [naam 3] voor 1/3 vruchtgebruikster is. 14. Bij brief van 16 juni 2009 heeft verweerder eisers meegedeeld (middels een aan eiser sub 1 gerichte brief) dat het verzoek niet volledig is. In die brief is onder meer vermeld: “U vult bij de eigenaren in dat de heer [naam 1] en [naam 2] voor 1/3 eigenaar zijn en dat [naam 3] voor 1/3 vruchtgebruiker is. Voor de NSW zien wij het vruchtgebruik als eigendom, derhalve is [naam 3] voor 100% eigenaar i.h.k.v. de NSW, en dient de aanvraag op haar naam te komen staan. Wij beschouwen uw aanvraag derhalve als gedaan door [naam 3] voor 100% vruchtgebruik. Ik verzoek u om een kopie van de originele ondertekende akte van de akte van recht van vruchtgebruik (…)” 15. Bij brief van 17 juni 2009 heeft verweerder aan eiser sub 1 meegedeeld dat hem naar aanleiding van het telefoongesprek van 17 juni 2009 twee blanco aanvraagformulieren rangschikking toe worden gestuurd, waarvan er één voor hem en zijn vrouw als eigenaren bestemd is en één voor zijn moeder, als vruchtgebruikster. 16. Vervolgens is door eisers een aanvraagformulier van 13 juli 2009 aan verweerder gestuurd. Daarop is vermeld dat eisers ieder voor de helft eigenaar van de buitenplaats zijn. 17. Bij brief van 14 juli 2009, gericht aan eiser sub 1, is door verweerder meegedeeld dat gebleken is dat de oorspronkelijke aanvraag in twee afzonderlijke aanvragen is gesplitst: “[naam locatie]” met aanvraagnummer 09/09/1127 en “[naam locatie] I” met nummer 09/09/1706. 18. Bij besluit van 10 december 2009 is aan eisers meegedeeld dat het op 27 mei 2009 ingekomen verzoek om rangschikking onder de Nsw van het landgoed “[naam locatie]” wordt afgewezen. 19. Bij schrijven van 7 oktober 2011 heeft verweerder meegedeeld dat op 10 december 2009 aan eiser sub 1 een beschikking is verzonden, waarbij het verzoek dat door hem namens [naam 3] is gedaan voor [naam locatie] I, wordt afgewezen. Tegen dat besluit is geen bezwaar ingediend. 20. Namens eisers is bij schrijven van 9 november 2011 aangevoerd dat het besluit van 10 december 2009 niet aan de eisen van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voldoet, nu het alleen aan eiser sub 1 en niet aan [naam 3] is toegezonden. Voor zover wordt geoordeeld dat artikel 3:41 van de Awb niet is geschonden, geldt dat verweerder het betreffende perceel in zijn geheel heeft beoordeeld en geen onderscheid heeft gemaakt tussen een deel waarop vruchtgebruik rust en het overige deel. 21. Ter zitting is namens eisers verklaard dat op een deel van het perceel (ongeveer 0.47
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.