RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 13/1450 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats], verzoeker (gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder), en de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerster (gemachtigde: drs. M.M. van Dongen). Procesverloop Bij besluit van 17 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerster het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard en hem een alcoholslotprogramma (ASP) opgelegd. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 21 december 2012 is verzoeker door de regiopolitie Utrecht aangehouden. Bij verzoeker is een ademalcoholgehalte geconstateerd van 600 µg/l. Namens de korpschef van de regiopolitie is hiervan op grond van artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) mededeling gedaan aan verweerster. Door mee te werken aan het hem opgelegde ASP kan verzoeker in het bezit komen van een rijbewijs voor de categorie B met code 103 "rijden met een alcoholslot". In de begeleidende brief bij het bestreden besluit staat onder andere vermeld dat het ASP minimaal twee jaar duurt en twee componenten omvat, te weten de installatie van een alcoholslot in de auto en het ondergaan van een begeleidingsprogramma. Het alcoholslot moet regelmatig worden gekalibreerd en gegevens uit het geheugen van het alcoholslot moeten worden uitgelezen. Ook moet worden deelgenomen aan een motivatieprogramma. Verder staat in de brief vermeld dat het alcoholslot alleen kan worden ingebouwd in motorrijtuigen van de categorie B (personenauto). Voor eventuele overige rijbewijscategorieën blijft het rijbewijs gedurende het volgen van het ASP ongeldig. 2. Verzoeker heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De oplegging van het ASP is punitief en onevenredig. Het ASP is volgens verzoeker een "criminal charge" (punitieve sanctie) in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het onderzoek voorafgaand aan de oplegging van het ASP is zeer strafrechtelijk van aard en op grond van een strafrechtelijke verdenking op grond van artikel 8 van de Wvw heeft het ademonderzoek plaatsgevonden. Het ASP kan niet in een vrachtwagen worden ingebouwd en daardoor is het zogenoemde C-rijbewijs van verzoeker voor de duur van 24 maanden ongeldig. Volgens verzoeker bevat de maatregel een vergeldend element, omdat het rijbewijs direct en onmiddellijk ongeldig wordt verklaard. Dit maakt de situatie anders dan de oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol of een ongeldigverklaring die volgt op een onderzoek naar de rijgeschiktheid door een psychiater. Verzoeker betoogt dat in navolging van zijn stelling dat het ASP een punitieve sanctie is, de evenredigheid van de opgelegde maatregel niet of niet voldoende is afgewogen. Er is verder geen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, namelijk dat hij een rijbewijs C nodig heeft voor zijn werkzaamheden. Het uitvoeren van zijn werkzaamheden wordt hem nu onmogelijk gemaakt waardoor verzoeker in de financiële en sociale problemen komt. Verzoeker kan de kosten van het ASP niet opbrengen en dat heeft tot gevolg dat zijn rijbewijs voor de komende vijf jaar ongeldig wordt verklaard. Verzoeker acht het besluit in strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening allereerst moet worden bezien of de situatie zich voordoet dat er geen enkel spoedeisend belang is. Als dat zich voordoet is dat al, zonder verdere inhoudelijke beoordeling van het verzoek, reden om het verzoek af te wijzen. Vervolgens geeft de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ten slotte maakt de voorzieningenrechter een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het door die uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang 4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich niet de situatie voor dat verzoeker geen enkel spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening heeft. Verzoeker is onder de naam "De Fruitman" werkzaam als handelaar in sinaasappels en rijdt daarvoor in een vrachtwagen (naar de veiling) en een bestelbus met grote aanhanger (naar de klanten). Verzoeker kan door het bestreden besluit deze werkzaamheden, voor zover daarvoor een rijbewijs van een "hogere" categorie dan B nodig is, niet meer verrichten. Wettelijk kader 5. Op grond van artikel 132b, eerste lid, van de Wvw legt het CBR de verplichting op om deel te nemen aan het ASP en verklaart op grond van het tweede lid van dit artikel het rijbewijs van de betrokkene ongeldig. Daarbij bepaalt het CBR dat de ongeldigverklaring betrekking heeft op alle categorieën waarvoor dat rijbewijs geldig was, met uitzondering van de categorie AM. Op grond van artikel 132c, eerste lid, aanhef en onder a van de Wvw dient degene aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen een alcoholslot te doen inbouwen in ten minste één motorrijtuig dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen. In het Reglement rijbewijzen zijn nadere regels gesteld voor de uitvoering van het ASP. Op grond van artikel 132a, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen wordt een alcoholslot alleen ingebouwd in motorrijtuigen van rijbewijscategorie B, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen die onder deze rijbewijscategorie vallen. Beoordeling van het geschil 6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de constatering van het rijden van een motorrijtuig met een ademalcoholgehalte van 600 µg/l op grond van de wet en de regelgeving niet zonder meer kan leiden tot een ongeldigverklaring van het rijbewijs. Het is een ernstige overtreding van de normen die zijn opgesteld ter bescherming van de verkeersveiligheid, maar na een dergelijke constatering is nog niet direct gebleken dat iemand langdurig ongeschikt is om een motorrijtuig te besturen. Er is geen onderzoek van een arts aan voorafgegaan en van misbruik, tolerantie of afhankelijkheid van alcohol is niet gebleken. 7. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de oplegging van een ASP voor de rijbewijscategorie B geen punitieve sanctie is in de zin van artikel 6 van het EVRM. Dit standpunt van partijen wordt gevolgd door de voorzieningenrechter nu (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.