RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661243-13, 16/655812-12 (tul) en 09/014376-12 (tul) (P) vonnis van de meervoudige strafkamer van 18 juni 2013 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum], thans gedetineerd te HvB Nieuwegein. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. A.S. Kamphuis, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: op 6 maart 2013 te Utrecht primair met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een boormachine heeft gestolen bij de Praxis, subsidiair daartoe een poging heeft gedaan; feit 2: op 6 maart 2013 te Utrecht primair een portemonnee heeft gestolen van [benadeelde], subsidiair die portemonnee heeft verduisterd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem primair onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en verzoekt de rechtbank verdachte daarvan vrij te spreken. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem subsidiair onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de – deels – bekennende verklaring van verdachte, de aangiften en de getuigenverklaringen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit acht de officier van justitie niet de verduistering van de gehele portemonnee, maar alleen de verduistering van de OV chipkaart bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is met de officier van justitie van mening dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de primair onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte daarvan vrij te spreken. De verdediging is voorts van mening dat ook niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het subsidiair onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en verzoekt de rechtbank om verdachte ook daarvan vrij te spreken. De verdediging voert daartoe aan dat verdachte over de portemonnee heeft verklaard dat hij die wilde afgeven bij de politie en dat verdachte over de OV chipkaart, één van de pasjes uit die portemonnee, heeft verklaard dat hij die had willen houden indien het saldo op die kaart hoger zou zijn dan het saldo op zijn eigen OV chipkaart. Verdachte is echter niet zo ver gekomen om dat te checken, waardoor de verduistering nog niet was voltooid. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.
- Vrijspraak Ten aanzien van feit 1, primair De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem daarvan dan ook vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier blijkt dat verdachte de door hem voorgenomen diefstal niet heeft voltooid. Ten aanzien van feit 2, primair De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem daarvan dan ook vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte de persoon is geweest die de portemonnee heeft gestolen. 4.3.2 Het bewijs Ten aanzien van feit 1, subsidiair Aangezien verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht het feit bewezen gelet op: Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], namens de Praxis te Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 4-7 van het proces-verbaal met dossiernummer PL091A
- Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 23-24 van het proces-verbaal met dossiernummer PL091A
- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni
- Ten aanzien van feit 2, subsidiair De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen. Aangever [benadeelde] heeft verklaard dat hij op 6 maart 2013, omstreeks 11.00 uur, in het Beatrixgebouw te Utrecht was. Hij plaatste zijn rugzak in tegen een wand en ging het toilet in. Toen hij uit het toilet kwam zag hij dat zijn portemonnee uit zijn rugzak was weggenomen. In zijn portemonnee zaten onder andere zijn rijbewijs, bankpasje, zorgpas en andere pasjes. Op 6 maart 2013 te Utrecht, omstreeks 15.30 uur, werd bij verdachte een portemonnee aangetroffen. De pasjes in de portemonnee stonden op naam van [benadeelde]. Verdachte heeft verklaard dat hij de portemonnee die ochtend had gevonden in het Beatrixgebouw in Utrecht. 4.3.3 Aanvullende overwegingen Ten aanzien van feit 2, subsidiair De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat verdachte de gehele portemonnee met inhoud heeft verduisterd. Verdachte heeft verklaard dat hij voornemens was de portemonnee bij de politie af te geven. Verdachte heeft verklaard dat hij de portemonnee ’s morgens in het Beatrixgebouw heeft gevonden. In die omstandigheid had het, als verdachte werkelijk de intentie had gehad om de portemonnee af te geven, zonder meer voor de hand gelegen de portemonnee gelijk af te geven bij de balie van het Beatrixgebouw. Verdachte heeft dit echter niet gedaan. Integendeel, hij heeft verklaard dat hij het saldo op de ov-kaart nog wilde controleren om vervolgens te beslissen of hij die zou houden en gebruiken. Hieruit blijkt dat verdachte er in ieder geval bewust voor heeft gekozen de portemonnee onder zich te houden ten einde te onderzoeken of hij een deel van de inhoud al dan niet voor zichzelf wilde gebruiken. Daarmee heeft hij zich de gehele portemonnee met inhoud wederrechtelijk toegeëigend. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte feit 1, subsidiair op 6 maart 2013 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bouwmarkt gelegen aan de Europalaan 34 weg te nemen een boormachine (merk Makita, verkoopwaarde 289 euro), toebehorende aan de Praxis, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen volgen van geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (medewerkers van de Praxis) en een medewerkster van de Praxis genaamd [A], te plegen met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, met een zogenaamde geprepareerde tas naar die bouwmarkt is gegaan en die boormachine uit het schap heeft gepakt en verstopt in die winkel en, nadat die [slachtoffer 1] hem, verdachte had aangehouden en verdachte had vastgepakt zich heeft los gerukt en getrokken uit de greep waarin die [slachtoffer 1] verdachte vasthield en nadat hij, verdachte, zich had losgerukt en losgetrokken en was weggerend en buiten de winkel opnieuw was vastgepakt opnieuw getracht heeft zich los te rukken en te trekken uit de greep waarin die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en die [A] hem, verdachte vasthielden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; feit 2, subsidiair op 6 maart 2013 te Utrecht, opzettelijk een portemonnee met inhoud, toebehorende aan [benadeelde], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als feit 1, subsidiair: poging tot diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren; feit 2, subsidiair: verduistering. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest. 8.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf dient te matigen, in die zin dat de duur van de straf gelijk zal zijn aan de duur van de voorlopige hechtenis. 8.
- Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft op één dag twee stafbare feiten gepleegd. Zo vond hij eerst een portemonnee in het Beatrixgebouw te Utrecht, welke hij verduisterde. Vervolgens heeft hij geprobeerd met een geprepareerde tas een boormachine te stelen bij de Praxis in Utrecht. Vervolgens werd hij aangesproken door winkelpersoneel. Verdachte werd door hen aangehouden en vastgegrepen, maar verdachte verzette zich door zich herhaaldelijk los te trekken. Verdachte heeft door zijn handelen laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en enkel stil te staan bij zijn eigen financieel gewin. Daarbij komt dat winkeldiefstallen ergerlijke feiten zijn, die naast schade vaak veel hinder opleveren voor de gedupeerde bedrijven. Diefstallen kosten winkels, en daardoor ook het publiek, jaarlijks veel geld. Dat verdachte zich, toen hij werd betrapt, ook nog eens heeft verzet tegen de winkelmedewerkers acht de rechtbank zeer kwalijk. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met: een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 13 mei 2013, waaruit blijkt dat verdachte reeds vele malen eerder is veroordeeld voor al dan niet gekwalificeerde diefstallen; een de verdachte betreffend advies van Reclassering Nederland, d.d. 7 mei 2013 opgesteld door B. Bakker, reclasseringswerker, inhoudende de conclusie dat bij verdachte sprake is van een financieel motief en van persoonlijkheidsproblematiek, maar dat de reclassering geen meerwaarde ziet in reclasseringscontact. Verdachte is moeilijk te begeleiden en wil enkel hulp wanneer het hem uitkomt. De reclassering adviseert dan ook om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De officier van justitie heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden gevorderd. De rechtbank acht deze straf, gezien hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, passend en noodzakelijk. 9Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat beide vorderingen tot tenuitvoerlegging dienen te worden toegewezen en dat de gevangenisstraffen daarbij dienen te worden omgezet in werkstraffen. 9.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging kunnen worden toegewezen, met dien verstande dat de gevangenisstraffen worden omgezet in werkstraffen. 9.3 Het oordeel van de rechtbank 9.3.1 Ten aanzien van 16/655812-12 Bij de stukken bevindt zich de op 26 maart 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16/655812-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 1 augustus 2012 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot onder andere een gevangenisstraf van zestien weken, met aftrek, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot vier weken niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van vier weken te gelasten. De rechtbank zal deze gevangenisstraf omzetten in een werkstraf van 60 uur. 9.3.2 Ten aanzien van 09/014376-12 Bij de stukken bevindt zich de op 25 maart 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 09/014376-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 17 december 2012 van de politierechter te Den Haag, waarbij verdachte is veroordeeld tot onder andere een gevangenisstraf van twee maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van twee maanden te gelasten. De rechtbank zal deze gevangenisstraf omzetten in een werkstraf van 120 uur. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14g, 22c, 22d, 45, 57, 312, 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 11Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert: feit 1, subsidiair: poging tot diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren; feit 2, subsidiair: verduistering; verklaart het bewezene strafbaar; verklaart verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden; beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf; gelast de tenuitvoerlegging van de straf onder parketnummer 16/655812-12, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van de politierechter te Utrecht d.d. 1 augustus 2012, namelijk een gevangenisstraf van vier weken, en zet deze straf om in een werkstraf van 60 uur; gelast de tenuitvoerlegging van de straf onder parketnummer 09/014376-12, welke voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van de politierechter te Den Haag d.d. 17 december 2012, namelijk een gevangenisstraf van twee maanden, en zet deze straf om in een werkstraf van 120 uur. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mrs. L.M.G. de Weerd en E.A.A. van Kalveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni
- BIJLAGE: De tenlastelegging Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat
- Primair hij op of omstreeks 06 maart 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een bouwmarkt gevestigd aan de Europalaan 34) heeft weggenomen een boormachine (merk Makita, verkoopwaarde 289 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Praxis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (medewerkers van voornoemde Praxis) en/of een Praxis-medewerkster genaamd [A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat - ( nadat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] hem, verdachte had/hadden aangehouden en/of verdachte hadden/had vastgepakt) zich los heeft gerukt en/of getrokken uit de greep waarin die [slachtoffer 1] en/of die[slachtoffer 2] en/of die [A] hem, verdachte vasthielden en/of - ( nadat hij, verdachte, zich had losgerukt en/of losgetrokken en/of was weggerend en/of [buiten de winkel] opnieuw was vastgepakt) (opnieuw) heeft getracht zich los te rukken en/of te trekken uit de greep waarin die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [A] hem, verdachte, vasthielden; Subsidiair hij op of omstreeks 06 maart 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een bouwmarkt gelegen aan de Europalaan 34) weg te nemen een boormachine (merk Makita, verkoopwaarde 289 euro), geheel of ten dele toebehorende aan de Praxis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en / of te doen vergezellen en / of te doen volgen van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (medewerkers van de Praxis) en/of een medewerkster van de Praxis genaamd [A], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - met een (zogenaamde) geprepareerde tas naar die bouwmarkt gegaan en/of die boormachine uit het schap gepakt en/of verstopt in die winkel en/of, - - ( nadat die [slachtoffer 1] en/of die[slachtoffer 2] hem, verdachte had/hadden aangehouden en/of verdachte hadden/had vastgepakt) zich los gerukt en/of getrokken uit de greep waarin die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [A] hem, verdachte vasthielden en/of - ( nadat hij, verdachte, zich had losgerukt en/of losgetrokken en/of was weggerend en/of [buiten de winkel] opnieuw was vastgepakt) (opnieuw) getracht zich los te rukken en/of te trekken uit de greep waarin die [slachtoffer 1] en/of die[slachtoffer 2] en/of die [A] hem, verdachte vasthielden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
- Primair hij op of omstreeks 06 maart 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; Subsidiair hij op of omstreeks 06 maart 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], opgenomen op pagina 37-38 (en met goederenbijlage op pagina 39-40) van het proces-verbaal met nummer PL091A 2013051541, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met
- Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina
- De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2013.