RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/652086-13 en 16/653753-12 (P) vonnis van de meervoudige strafkamer van 2 april 2013. in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] ([postcode]) in[woonplaats 1], momenteel verblijvende bij IrisZorg Dagopvang in Tiel 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2013. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en de advocaat, mr. J.J. Weldam naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: door bedreiging met geweld samen met een ander een shophoudster van een tankstation heeft gedwongen om een geldbedrag af te geven Feit 2: niet heeft voldaan aan de verplichting om als leerling van school ‘[naam 2]’, deze school regelmatig te bezoeken 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie is van mening dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Zij baseert zich hierbij op de bekennende verklaringen van verdachte en de aangifte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is uitgegaan van de bekentenis van verdachte. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Ten aanzien van feit 1: - de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting; - de aangifte van [slachtoffer] namens [naam 1] Vianen. Ten aanzien van feit 2: - de bekennende verklaring van verdachte ter overstaande van de leerplichtambtenaar en ter terechtzitting; - proces-verbaal leerplicht. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 1. op 30 november 2012 te Vianen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag (642 euro) toebehorende aan Tankstation [naam 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij en/of zijn mededader een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] hebben gericht en gericht hebben gehouden en daarbij hebben geroepen: ‘geld, snel!’ 2. in de periode van 11 oktober 2012 tot en met 30 oktober 2012 te Maarsbergen, meermalen, terwijl hij, verdachte, de leeftijd van 12 jaren had bereikt, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, terwijl hij als leerling van een school, te weten ‘[naam 2]’ was ingeschreven, die school na inschrijving geregeld te bezoeken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als feit 1: medeplegen van afpersing feit 2: spijbelen Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte De deskundige, drs. A. Laurijssen-Timmers, kinder- en jeugdpsycholoog, heeft in haar pro justitia rapportage d.d. 12 maart 2013, aangegeven dat zij verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht ten aanzien van de afpersing. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daarbij als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, waaronder een maatregel Hulp en Steun en ook als dit inhoudt blijven meewerken aan behandeling bij Iris-Zorg en daarnaast een werkstraf van 160 uur, indien niet naar behoren uitgevoerd, te vervangen door 80 dagen jeugddetentie. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de duur van de door de officier van justitie voorgestelde werkstraf enigszins te matigen. [verdachte] heeft schuld bekend, ondanks het feit dat hij op dat moment kampte met verslaving en andere beperkingen. Eigenlijk zit [verdachte] op dit moment bij IrisZorg ook in een detentiesituatie. In het licht hiervan is de eis van de officier van justitie aan de zware kant. De bijzondere voorwaarden zullen voor [verdachte] goed kunnen werken als stok achter de deur. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft, samen met een ander, een overval gepleegd op een tankstation. Met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is de medewerkster van het tankstation gedwongen het geld uit de kassa af te geven. Dit is een angstaanjagende ervaring voor het slachtoffer geweest zoals ondermeer is gebleken uit de slachtofferverklaring en draagt ook in het algemeen bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid die bestaan in de samenleving. Verdachte heeft bij het plegen van het feit geen oog gehad voor de mogelijke gevolgen van een dergelijk feit voor het slachtoffer en zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin. Anderzijds betrekt de rechtbank in haar oordeel, dat de overval is opgelost dankzij het feit, dat de vader van [verdachte] zijn zoon naar het politiebureau gebracht heeft zodra de ouders duidelijk werd, dat [verdachte] hierbij betrokken was en dat hij toen zijn aandeel ruiterlijk bekend heeft. Ook ter zitting heeft hij laten zien, dat hij inziet heel verkeerd bezig te zijn geweest en dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het volgende: blanco strafblad van verdachte d.d. 8 februari 2013; pro justitia rapportage d.d. 12 maart 2013, opgesteld door drs. A. Laurijssen-Timmers, kinder- en jeugdpsycholoog; rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 10 januari 2013, opgesteld door drs. J. Cloosterman. Uit de pro justitia rapportage blijkt dat sprake is van ADHD en een cannabisverslaving. [verdachte] streeft naar een onmiddellijke behoeftebevrediging en denkt dan niet aan de gevolgen van zijn daden. Hij laat zich leiden door egocentrisch denken. Zijn (dure) verslaving aan softdrugs heeft een belangrijke rol gespeeld bij zijn keuze voor een overval. [verdachte] wordt snel beïnvloed en laat zien dat hij niet goed kan omgaan met stress of spanning. Vanwege zijn ADHD-problematiek neemt hij vaak impulsieve beslissingen en kan moeilijk stoppen wanneer de ingeslagen weg niet de juiste blijkt te zijn. Zij acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank neemt dit advies over. De psychologe acht behandeling van zijn verslaving belangrijk en adviseert het behandel- en begeleidingstraject waar [verdachte] zich op dit moment bij IrisZorg in bevindt als bijzondere voorwaarde op te leggen bij een (deels) voorwaardelijke straf, in combinatie met verplicht (jeugd)reclasseringscontact om er zorg voor te dragen dat alles goed verloopt, tijdens maar ook na de interventies. De kans op recidive is anders hoog. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarde dat [verdachte] zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering in het kader van een maatregel Hulp en Steun, ook als dat inhoudt meewerken aan behandeling binnen jeugd(verslavings)kliniek IrisZorg in Tiel. Daarnaast adviseert de Raad voor de Kinderbescherming [verdachte] een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, om [verdachte] te laten ervaren dat er ook duidelijke consequenties verbonden zijn aan het gedrag. Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 120 dagen waarvan 77 dagen voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering in het kader van een maatregel Hulp en Steun, ook als dat inhoudt meerwerken aan behandeling binnen jeugd(verslavings)kliniek IrisZorg in Tiel. Daarnaast legt de rechtbank op een werkstraf van 160 uur, te vervangen door 80 dagen jeugddetentie indien verdachte deze niet of niet naar behoren verricht. Nu het gaat om een misdrijf dat gericht is tegen onaantastbaarheid van een persoon er er bovendien ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen zal de rechtbank ambtshalve de dadelijke tenuitvoerlegging bevelen. 9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De behandeling van de vordering van [slachtoffer], levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Aannemelijk is dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 31,93 (zegge eenendertig euro en drieënnegentig cent) aan materiële schade en € 1.000,00 (zegge duizend euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot een totaalbedrag van € 1.031,93 (zegge duizendeenendertig euro en drieënnegentig cent) worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 30 november 2012 tot de dag der voldoening; Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De verplichting tot schadevergoeding wordt hoofdelijk opgelegd, dat wil zeggen dat verdachte, evenals de medeverdachte(n), aansprakelijk is voor de gehele schade. Als (een van) de medeverdachte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.