vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/319518 / HA ZA 12-193 Vonnis van 26 juni 2013 in de zaak van MR. G. KUIJPER in hoedanigheid van curator in het faillissement van E-Privateoffice B.V. kantoorhoudende te Amsterdam, eiser, advocaat mr. G. Kuijper te Amsterdam, tegen 1MR A.A.M. DETERINK in hoedanigheid van curator in het faillissement van Econcern N.V., wonende te Eindhoven,
- MR. W.J.M. VAN ANDEL in hoedanigheid van curator in het faillissement van Econcern N.V., wonende te Utrecht, gedaagden, advocaat mr. V.H. Jurgens te Eindhoven. Partijen zullen hierna Kuijper q.q. respectievelijk Deterink en Van Andel q.q. genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 6 februari 2013 het proces-verbaal van comparitie van 15 mei 2013 en de aldaar genoemde stukken. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- E-Privateoffice B.V. (hierna: EPO) heeft diensten verleend aan Econcern N.V. (hierna: Econcern). Op 12 juni 2009 is Econcern failliet verklaard. EPO heeft een vordering van € 1.285.259,83 ter verificatie ingediend in het faillissement van Econcern. EPO is op enig moment nadien gefailleerd. 3Het geschil 3.
- Kuijper q.q. vordert erkenning van de hiervoor in 2.1 vermelde vordering. 3.
- Deterink en Van Andel q.q. voeren verweer. 4De beoordeling 4.
- Kuijper q.q. heeft in de onderhavige procedure op eigen naam van conclusie van eis tot verificatie gediend, waaruit de rechtbank afleidt dat hij de procedure op voet van artikel 27 lid 3 van de Faillissementswet (Fw) van EPO heeft overgenomen. 4.
- De vordering van Kuijper q.q. strekt naar eigen zeggen tot nakoming van contractuele betalingsverplichtingen van Econcern uit hoofde van tussen EPO en Econcern vóór het faillissement van Econcern overeengekomen dienstverlening, over de periode ná faillietverklaring. Deze vordering was aldus, binnen de context van de stellingen van Kuijper q.q., op de dag van faillietverklaring van Econcern nog een toekomstige vordering tot nakoming. Deze is op voet van artikel 24 Fw niet verifieerbaar. Hieraan doet niet af dat de vordering – volgens de stellingen van Kuijper q.q. – rechtstreeks voortvloeit uit overeenkomsten tussen EPO en Econcern die op de dag van faillietverklaring van Econcern reeds bestonden (vlg. T.T. van Zanten, De overeenkomst in het insolventierecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2012, p. 22-25). 4.
- Kuijper q.q. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Deterink en Van Andel q.q. worden begroot op: griffierecht € 1.436,00 salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00) Totaal € 2.340,00 5De beslissing De rechtbank 5.
- wijst de vordering af, 5.
- veroordeelt Kuijper q.q. in de proceskosten, aan de zijde van Deterink en Van Andel q.q. tot op heden begroot op € 2.340,00, 5.
- verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2013.