vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/315668 / HA ZA 11-1854 Vonnis van 19 juni 2013 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], Hertfordshire (Verenigd Koninkrijk), eiser, advocaat mr. P.M. Keegstra te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TISCALI INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Vianen, gedaagde, advocaat mr. E.J. Rietema te Den Haag. Partijen zullen hierna[eiser] en Tiscali genoemd worden. 1De procedure 1.
(2)berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag (Hoge Raad 25 april 2008, LJN: BC2800). Gelet op het eerste vereiste kan de rechtbank niet terugkomen van de eindbeslissingen die in de hoofdzaak zijn genomen en die de grondslag van de aansprakelijkheid betreffen (Hoge Raad 30 mei 1997, LJN: ZC2383). Voor zover in de hoofdzaak over meer dan alleen de aansprakelijkheid eindbeslissingen zijn genomen, valt niet in te zien waarom daarvoor niet hetzelfde geldt als voor andere bindende eindbeslissingen (vgl. “De Schadestaatprocedure”, prof. mr. dr. ir. T.F.E. Tjong Tjin Tai, p. 78). Het gaat er immers om om te voorkomen dat de rechter op een ondeugdelijke grondslag einduitspraak doet. Dat belang doet zich evenzeer voor bij een op een hoofdzaak volgende schadestaatprocedure. Van gezag van gewijsde van de einduitspraak van het hof is, zoals hiervoor reeds is overwogen, geen sprake. Het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2006, LJN:AY7929 doet daaraan evenmin af. Dit arrest laat de mogelijkheid open om de bindende kracht van een eindbeslissing aan te tasten op een andere wijze dan door middel van vernietiging na aanwending van een (gewoon) rechtsmiddel; in de betreffende zaak werd immers ten behoeve van een of meer toekomstige schadestaatprocedures de bindende kracht aan een (bindende) eindbeslissing van een hof in de hoofdzaak ontnomen zonder vernietiging van het betreffende arrest op dat punt. 4.13. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de eindbeslissingen van het hof, en in het bijzonder over het antwoord op de vraag of het hof in ro. 4.12 en 4.14 reeds geoordeeld heeft over alle gevolgen van het Engelse belastingrecht voor de door[eiser] ten gevolge van de wanprestatie van Tiscali te lijden schade, en of dit mitsdien aan een betwisting van causaal verband tussen tekortkoming en schade alsmede een beroep op eigen schuld en/of matiging in de weg staat. 4.14. De rechtbank stelt voorop dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure volgens vaste jurisprudentie voldoende is dat de eisende partij de mogelijkheid van schade (als gevolg van de normschending) aannemelijk maakt. Tegen deze achtergrond zullen partijen naar het oordeel van de rechtbank niet snel mogen aannemen dat de rechter in de hoofdprocedure aan een veroordeling tot schadevergoeding bij staat beslissingen van een verdergaande strekking ten grondslag heeft gelegd (vgl. Gerechtshof Arnhem 5 juni 2007, LJN: BA6596). 4.15. De rechtbank constateert dat het hof zich niet heeft uitgelaten over de omvang van de schadevergoedingsplicht. Het heeft daarover expliciet overwogen dat “niet vast te stellen [is] welk bedrag aan de schade […][eiser] zal gaan lijden als gevolg van de wanprestatie van Tiscali”. Op die grond heeft het vervolgens de (in reconventie) primair gevorderde veroordeling tot betaling van een concrete schadevergoeding afgewezen en de subsidiaire vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure toegewezen. Voor zover de verweren van Tiscali in de onderhavige procedure zien op de omvang van de schadevergoedings-plicht, staat het arrest aan beoordeling daarvan dan ook in beginsel niet in de weg. 4.16. Voor zover het oordeel van het hof (in overwegingen 2.12 en 2.14) aldus moet worden begrepen dat het ook heeft beslist dat er sprake is van causaal verband tussen de tekortkoming van Tiscali en de toekomstige belastingschade van[eiser] is de rechtbank van oordeel dat er zodanig sterke aanwijzingen zijn dat er in zoverre wel sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag, dat de mogelijkheid moet worden opengehouden dat van die eindbeslissing wordt teruggekomen. Zij overweegt daartoe als volgt. 4.17. Als productie 2 bij Conclusie van Antwoord heeft Tiscali een rapport overgelegd van Bird&Bird d.d. 13 februari 2012 waarin wordt geconcludeerd dat het voor[eiser] tot 6 april 2008 mogelijk moet zijn geweest om de rente belastingvrij in Engeland in te voeren. Volgens Bird&Bird wordt onder de zogenaamde “mixed funds rules” aangenomen dat “income” (rente) eerder een “mixed account” verlaat dan “capital” (hoofdsom). Zij acht het waarschijnlijk dat als[eiser] een bedrag zou hebben ingevoerd vanaf de “mixed fund” dat niet het bedrag zou overschrijden dat aan rente op de “mixed fund” was binnengekomen, de Engelse fiscus het ingevoerde bedrag integraal zou hebben aangemerkt als “income” (rente) en daarover alsdan geen belasting zou hebben geheven. 4.18. Naar het oordeel van de rechtbank zou het passeren van dit rapport - met een beroep op de bindende eindbeslissing van het hof - een groot risico meebrengen dat de rechtbank uiteindelijk op een ondeugdelijke grondslag einduitspraak zou doen. Immers, het rapport is niet ‘slechts’ de weergave van de mening van een Engelse fiscalist, maar wordt ook ondersteund door objectieve bronnen: het (kennelijk gezaghebbende) boek “Taxation of Foreign Domiciliaries 2010-11” en diverse uitspraken van Engelse rechters. 4.19. Daarbij komt dat[eiser] ook geen nader advies in het geding heeft gebracht die de door Bird& Bird getrokken conclusies en de daaraan ten grondslag gelegde stukken tegenspreken. Zij beroept zich alleen op de in de hoofdzaak overgelegde adviezen van[A] van 29 september 2006 (overgelegd door Tiscali bij conclusie van antwoord in de onderhavige procedure als onderdeel van productie 10 behorende bij de conclusie van eis in reconventie in de hoofdzaak) en 2 mei 2008 (productie 2 bij de akte van[eiser] van 6 juni 2012, door[eiser] overgelegd voorafgaand aan de comparitie van partijen in de hoofdzaak). Het advies van [X] LLP van 29 juni 2011 (productie 2 bij dagvaarding in de onderhavige schadestaatprocedure), hierna: het advies van [X], bevat geen fiscaal advies over de gevolgen van het ‘vervuild’ raken van de rente. [A] bereikt in zijn adviezen weliswaar een andere conclusie dan Bird& Bird, maar laat ook ruimte voor de mogelijkheid dat de belasting bij invoer van de rente vóór 6 april 2008 lager uitvalt of zelfs geheel vervalt. De rechtbank verwijst naar de volgende citaten uit deze adviezen: “may be [cursief rechtbank] incapable of being remitted, without being treated at least in part, remittance of non-remittable funds” “depending on the exact circumstances”. 4.20. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook de reële kans aanwezig dat het voor[eiser] mogelijk was om het door hem opgebouwde rentebedrag vóór 6 april 2008 belastingvrij in te voeren. De bindende kracht van het arrest van het hof staat dan ook als zodanig niet in de weg aan de beoordeling van de verweren van Tiscali die zien op het ontbreken van causaal verband tussen de tekortkoming en de door[eiser] te lijden toekomstige belastingschade. 4.21. Wel is de rechtbank vooralsnog van oordeel dat voor een definitieve positieve beantwoording van de vraag of het naar Engels fiscaal recht mogelijk was om vóór 6 april 2008 de tot 6 april 2007 opgebouwde rente belastingvrij in te voeren in Engeland, noodzakelijk is om vragen te stellen aan het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de te stellen vragen, die hierna onder 4.43 zijn opgenomen. 4.22. De rechtbank passeert in ieder geval wel de betwisting door Tiscali dat het onderhavige rentebedrag (uiteindelijk) op een rekening van[eiser] op de Isle of Man is gestort (het verweer onder 4.7 sub a onder 2). Onder 4.18 heeft het hof immers expliciet overwogen dat het bedrag aan vrijgevallen rente is geparkeerd “op een bankrekening van een bank gevestigd op The Isle of Man”. Bij akte van 6 juni 2012 heeft[eiser] met stukken nader onderbouwd dat de betreffende bank inmiddels overgenomen is door een in Guernsey gevestigde bank. Tiscali heeft dit niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat in zoverre niet geoordeeld kan worden dat sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag. De vordering tot schadevergoeding 4.23. Zoals de rechtbank onder 4.5 reeds heeft overwogen, moet de toewijsbaarheid van de gevorderde schadevergoeding, en moeten daarmee ook de daartegen gevoerde verweren, beoordeeld worden naar Engels recht. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de inhoud van het Engels recht op dit punt. De rechtbank zal dan ook bij het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag inlichtingen inwinnen omtrent de inhoud van dat recht. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de te stellen vragen, die hierna onder 4.43 zijn opgenomen. 4.24. Het verweer ten aanzien van de berekening van het rentebedrag waarover[eiser] als gevolg van de wanprestatie van Tiscali bij invoering in Engeland belasting zal moeten betalen (4.7 sub c), kan wel reeds nu worden beoordeeld. 4.25. Volgens[eiser] betreft dit een bedrag van £ 301.386; Tiscali gaat uit van een bedrag van £ 114.000,--. 4.26. De rechtbank kan de berekening van[eiser], die hij in de dagvaarding en ter gelegenheid van het pleidooi heeft toegelicht, niet volgen. Hij stelt zich - onder verwijzing naar zijn productie 3 bij dagvaarding - op het standpunt dat het bedrag van £ 301.386,-- bestaat uit een bedrag van £ 290.000,-- dat Tiscali hem op 22 augustus 2006 aan rente heeft uitgekeerd, vermeerderd met de rente die hij van Tiscali heeft ontvangen over het bedrag van £ 215.077,-- dat Tiscali teruggestort heeft op de escrowrekening in verband met een vordering die Tiscali op[eiser] zou hebben (ad € 276.871,--) en verminderd met een bedrag van £ 18.718,-- aan na 5 april 2007 opgebouwde rente. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom van het totale (door de wanprestatie van Tiscali) vermengd geraakte bedrag (£ 1.290.000,--) een bedrag van £ 290.000,-- moet worden toegerekend aan (in Engeland in te voeren) rente. In ro. 4.7 van het arrest heeft het hof immers overwogen dat tussen partijen de afspraak was gemaakt om de vrijgevallen rente op een aparte rekening te laten binnenkomen. Zoals[eiser] zowel ten overstaan van het hof als in de onderhavige procedure heeft aangevoerd, was de achtergrond van deze afspraak daarin gelegen dat hij (meende dat hij) daardoor (door vermenging met de hoofdsom te voorkomen) in staat zou worden gesteld het rentebedrag belastingvrij in Engeland in te voeren. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat - indien Tiscali geen wanprestatie zou hebben gepleegd -[eiser] het in de aparte escrowrekening opgebouwde bedrag aan rente in Engeland zou hebben ingevoerd. Dat volgt ook uit hetgeen het hof heeft overwogen in ro. 4.18 van het arrest (“deze rente”). 4.27. Het bedrag van £ 290.000,-- betreft evenwel - blijkens het door[eiser] als productie 3 bij dagvaarding overgelegde overzicht - slechts voor een deel (namelijk: £ 114.000,--) rente en voor het overige hoofdsom. Als gevolg van de wanprestatie van Tiscali is een bedrag van £ 114.000,-- vermengd met de hoofdsom, en dit bedrag moet dan ook in beginsel tot uitgangspunt worden genomen bij de berekening van de door[eiser] geleden schade. Wel zal dit bedrag vermeerderd moeten worden met de rente die[eiser] - zonder wanprestatie van Tiscali - over de hoofdsom zou hebben ontvangen van 22 augustus 2006 tot en met 5 april 2007, omdat de mogelijkheid van belastingvrij invoeren van vrijgevallen rente volgens Engels belastingrecht hoe dan ook beperkt was tot tot en met 5 april 2007 opgebouwde rente.[eiser] heeft zijn vordering overigens ook dienovereen-komstig beperkt. De hoogte van deze rentepost is niet uit het als productie 3 overgelegde overzicht af te leiden, zodat de rechtbank[eiser] in de gelegenheid zal stellen om zich daarover bij akte uit te laten. 4.28. Partijen zijn het erover eens dat[eiser] over het tot en met 5 april 2007 vrijgevallen rentebedrag in het belastingjaar 2013 maximaal 45% aan belasting verschuldigd is. Het precieze percentage is afhankelijk van de inkomensgroep waarin[eiser] zich bevindt.[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij zich in de hoogste belastingschaal bevindt, maar Tiscali heeft dat betwist. Het door[eiser] in het geding gebrachte advies van [X] is op dit punt te vaag om als bewijs voor de juistheid van de stelling van[eiser] te dienen. Er zal dus in beginsel nadere bewijslevering moeten plaatsvinden. Indien[eiser] dit bewijs schriftelijk kan leveren, kan hij dat bewijs in het geding brengen bij dezelfde akte als hiervoor onder 4.27 bedoeld. Zo niet, dan zal in beginsel bewijslevering middels een deskundigenonderzoek moeten plaatsvinden. De rechtbank houdt een beslissing op het punt van de noodzaak en inhoud van een dergelijk onderzoek evenwel - om proceseconomische redenen - aan tot na de aktewisseling en de uitvoering van de aangekondigde rapportage door het Internationaal Juridisch Instituut ten aanzien van de inhoud van het Engelse recht. 4.29. De rechtbank merkt nu reeds op dat - gelet op het feit dat de rechtbank de berekening van het rentebedrag waarover[eiser] als gevolg van de wanprestatie van Tiscali bij invoering in Engeland belasting zal moeten betalen, niet baseert op het advies van [X] - het op dit advies gebaseerde verweer van Tiscali, dat onjuist beheer van de bankrekeningen van[eiser] aan de schade bijgedragen heeft of kan hebben (overweging 4.7 sub
- b)onder 3), moet worden gepasseerd. 4.30. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft[eiser] aangevoerd dat ABN AMRO niet tot vergoeding van de belastingschade is overgegaan. Nu Tiscali haar in overweging 4.7 sub
- a)onder 4) weergegeven stelling niet nader heeft onderbouwd, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De kosten wegens het afsluiten van een kredietfaciliteit 4.31. Volgens[eiser] is Tiscali aansprakelijk voor de kosten die hij heeft moeten maken voor het afsluiten van een kredietfaciliteit bij zijn bank op The Isle of Man (thans: Guernsey), bestaande uit de voor dit krediet betaalde rente, omdat hij door de ‘vervuiling’ van het rentebedrag niet in Engeland over dit rentebedrag heeft kunnen beschikken. 4.32. Tiscali heeft tegen deze schadepost als verweer gevoerd: dat er geen causaal verband bestaat tussen deze schadepost en de wanprestatie van Tiscali, dat deze schade voor haar niet voorzienbaar was, dat[eiser] deze schade had kunnen vermijden door het rentebedrag in Engeland in te voeren. 4.33. Voor het toepasselijk recht op deze vordering geldt hetzelfde als ten aanzien van de eerste vordering onder 4.5 is overwogen: daarop is Engels recht van toepassing. 4.34. In het arrest is geoordeeld dat[eiser] schade heeft geleden als gevolg van de wanprestatie van Tiscali. Daarmee is nog geen oordeel gegeven over het causale verband tussen de onderhavige schadepost en de wanprestatie. Het hof heeft ten aanzien van deze schadepost in ro. 4.18 expliciet geoordeeld dat de beslissing daarover in de schadestaatprocedure moet worden genomen. Ook over de voorzienbaarheid van deze schadepost en de eigen schuld van[eiser] heeft het hof geen oordeel uitgesproken, zodat ook de gegrondheid van die verweren in de onderhavige procedure moet worden vastgesteld. 4.35. Partijen hebben zich ook ten aanzien van de overige in 4.32 genoemde verweren niet uitgelaten over de inhoud van het Engelse recht, zodat de rechtbank voornemens is ook op deze punten vragen aan het Internationaal Juridisch Instituut te stellen. De kosten van juridische bijstand 4.36. Ter onderbouwing van deze vordering heeft[eiser] aangevoerd dat hij voor de hoofdzaak en de onderhavige schadestaatprocedure aanzienlijke kosten aan juridische bijstand heeft moeten maken, en wel tot een bedrag van in totaal € 88.604,12, bestaande uit: € 61.187,-- (kosten tot de hoger beroeps procedure in de hoofdzaak; productie 4 van[eiser]) € 6.413,-- (kosten hoger beroepsprocedure in de hoofdzaak; productie 12 van[eiser]) € 20.103,12 (kosten schadestaatprocedure; productie 13 van[eiser]) € 1.000,-- (schatting aanvullende kosten schadestaatprocedure; productie 14 van[eiser]). 4.37. De rechtbank constateert dat in het arrest reeds een oordeel is gegeven over de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep in de hoofdzaak (toegewezen tot een bedrag van in totaal € 6.897,--; zie het dictum), alsmede over de toewijsbaarheid van buitengerechtelijke incassokosten (afgewezen; zie r.o. 4.19). Zoals volgt uit hetgeen onder 4.12 is overwogen, is de rechtbank aan de inhoud van het arrest op dit punt gebonden. 4.38. Uit overweging 4.18 (de verwijzing naar “de vorderingen … sub 4”) van het arrest leidt de rechtbank evenwel af dat onder de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten in ro. 4.19 niet zijn begrepen de op dat moment reeds gemaakte (expertise)kosten van Lawrence Graham ad ₤ 11.452,58. Blijkens productie 4 bij dagvaarding maakt deze kostenpost thans opnieuw onderdeel uit van de vordering van[eiser]. Voor zover de kosten van juridische bijstand op deze post zien, kunnen deze dus bij de beoordeling worden betrokken. De rechtbank acht deze schadepost echter niet toewijsbaar, aangezien deze post - ook na betwisting door Tiscali - niet door onderliggende stukken is onderbouwd. De betreffende factuur/facturen maakt geen onderdeel uit van de bij productie 4 bij dagvaarding overgelegde stukken. 4.39. Het voorgaande betekent dat thans nog slechts ter beoordeling staat of de kosten van juridische bijstand die[eiser] ten aanzien van de onderhavige procedure heeft gemaakt en/of nog zal maken toewijsbaar zijn. 4.40. Over het op deze resterende vordering toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 10 EVO-verdrag is bepaald dat het toepasselijke recht op de overeenkomst ook de gevolgen van de overeenkomst bepaalt “binnen de grenzen van het procesrecht van de rechter”. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze zinsnede beperkt worden uitgelegd: regels van procesrecht dienen zoveel mogelijk dienstbaar te zijn aan het materiële - ook het buitenlandse - recht. Nu een veroordeling in de volledige kosten van rechtsbijstand naar Nederlands (proces-)recht niet uitgesloten is, staat de lex fori naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan beoordeling van deze vordering naar Engels recht. 4.41. Volgens Tiscali volgt uit Section 51 van de Senior Courts Act 1981 dat de vergoeding van kosten van juridische bijstand aan de exclusieve bevoegdheid van de Engelse rechter is overgelaten. Nu deze vordering ziet op kosten die zijn gemaakt voor een in Nederland gevoerde procedure en is gebracht voor de Nederlandse rechter zal de rechtbank moeten beoordelen op welke wijze de Engelse rechter deze vordering dient te beoordelen. Daarom is van belang om kennis te nemen hoe het Engelse recht luidt op het punt van de volgende kwesties: onder welke voorwaarden de (volledige) kosten van juridische bijstand toewijsbaar zijn, hoe de omvang van deze kosten moet worden vastgesteld, in hoeverre daarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen kosten van juridische bijstand die zijn gemaakt vóór of gedurende een gerechtelijke procedure. 4.42. De rechtbank is voornemens om ook over deze kwesties inlichtingen in te winnen bij het Internationaal Juridisch Instituut. De vragen aan het Internationaal Juridisch Instituut 4.43. De zaak zal naar de rol worden verwezen, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de formulering van de voor te leggen vragen te beantwoorden naar Engels recht. De rechtbank is voorshands van oordeel dat de volgende vragen dienen te worden voorgelegd: ten aanzien van de (toekomstige) belastingschade Was het naar Engels belastingrecht mogelijk voor een ‘non-domiciled UK resident’ als[eiser] om vóór 6 juli 2008 belastingvrij rente in te voeren in het Verenigd Koninkrijk die was opgebouwd in de periode tot 6 juli 2007 en die in het buitenland op de onder 2.1 van dit vonnis beschreven wijze vermengd is geraakt met de hoofdsom waarop de rente is gevallen? Kunt u in dit verband aandacht besteden aan de inhoud van de door partijen in het geding gebrachte fiscale adviezen (zie onder 4.17-19) alsmede de laatste twee alinea’s van bijlage/productie G bij het rapport van Bird & Bird (productie 2 bij Conclusie van Antwoord in de onderhavige procedure)? Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: wat is naar Engels belastingrecht de hoogte van de belasting die een non-domiciled UK resident als[eiser] zou moeten betalen over het invoeren na 22 augustus 2006 van (een deel van) de onder 1 bedoelde hoofdsom (zijnde de koopsom voor de verkoop van aandelen)? Welke vereisten gelden er naar Engels recht voor het bestaan van causaal verband tussen een tekortkoming en door een gelaedeerde geleden schade? Bestaat er naar Engels recht een schadebeperkingsplicht? Zo ja, kan deze plicht voor een geval als het onderhavige meebrengen dat een gelaedeerde als[eiser] moet afzien van het invoeren van het ‘vervuilde’ rentebedrag en het bedrag buiten Engeland moet aanwenden, indien hem dat minder nadeel oplevert dan de belastingdruk bij import in Engeland? Indien vraag 4 bevestigend wordt beantwoord: wat is het gevolg van het niet in acht nemen van deze plicht? Kan dit leiden tot het vervallen van de schadevergoedingsplicht of tot het verminderen van de schadevergoeding? Zo ja, op welke wijze wordt de toepasselijke sanctie bepaald en in het bijzonder de omvang van een eventuele vermindering van de schadevergoeding? Op welke wijze wordt de omvang van toekomstige schade in een geval als het onderhavige vastgesteld? Mag de rechter daarbij een inschatting maken van de kans dat de toekomstige schade zal worden geleden? Zo ja, welke omstandigheden mag en/of moet hij hierbij betrekken? Kan een door een gelaedeerde door een wanprestatie genoten voordeel (in casu bestaande uit ontvangen rente) in mindering worden gebracht op de schadevergoedingsplicht? Zo ja, welke vereisten gelden hiervoor? Kan een schadevergoedingsplicht worden gematigd op basis van de in 4.7 onder e genoemde omstandigheden? Zo ja, op welke wijze wordt de omvang van een dergelijke matiging vastgesteld? Op welke partij rust naar Engels recht de stelplicht en de bewijslast terzake van de hiervoor genoemde kwesties? ten aanzien van de kosten voor het afsluiten van een kredietfaciliteit Stelt het Engelse recht vereisten aan het causaal verband tussen een schadepost bestaande uit gevolgschade (in casu: de kosten voor het afsluiten van een kredietfaciliteit) en een wanprestatie als het onderhavige? Zo ja, welke? In hoeverre is voor de toewijsbaarheid van een dergelijke schadepost van belang of de gelaedeerde de betreffende schade had kunnen voorkomen en de laedens de schadepost had kunnen voorzien? ten aanzien van de kosten wegens juridische bijstand Zijn naar Engels recht de (volledige) kosten van juridische bijstand toewijsbaar? Zo ja, onder welke voorwaarden? Op welke wijze wordt de omvang van het toewijsbaar gedeelte van deze kosten vastgesteld? Wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen kosten van juridische bijstand die zijn gemaakt vóór of gedurende een gerechtelijke procedure? Zo ja, op welke wijze? ten aanzien van alle onderwerpen 1. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn? Minnelijke regeling 4.44. Na de door partijen te nemen aktes en het onderzoek van het Internationaal Juridisch Instituut zullen partijen nogmaals in de gelegenheid worden gesteld om aktes te nemen, en wel over de inhoud van het door het I.J.I. uit te brengen rapport. Niet uit te sluiten valt dat daarna een deskundigenonderzoek moet plaatsvinden naar de inkomensgroep waarin[eiser] zich bevindt. Gelet op de met de aktes en een eventueel deskundigenonder-zoek gemoeide tijd en kosten alsmede de gevolgen van het onder 4.27 uitgesproken oordeel voor de maximale omvang van het aan belastingschade toewijsbare bedrag geeft de rechtbank partijen nadrukkelijk in overweging om (andermaal) een poging te doen het geschil in der minne te regelen. 5De beslissing De rechtbank: 5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 juli 2013 voor het nemen van een akte door[eiser] waarin hij zich uitlaat over: de aan het Internationaal Juridisch Instituut te stellen vragen, de rente die hij zonder wanprestatie van Tiscali over de hoofdsom op de escrowrekening zou hebben ontvangen van 22 augustus 2006 tot en met 5 april 2007, de mogelijkheid om schriftelijk bewijs te leveren van zijn stelling dat hij zich in de hoogste belastingschaal bevindt, 5.2. bepaalt dat Tiscali vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om - binnen vier weken nadien - een antwoordakte te nemen, 5.3. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2013.