RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 13/3923 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats], verzoeker (gemachtigde: mr. J.T. Willemsen), en de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster. Procesverloop Bij besluit van 24 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerster het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard en hem een alcoholslotprogramma (ASP) opgelegd. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 29 juni 2013 is verzoeker door de regiopolitie Utrecht aangehouden. Bij verzoeker is een ademalcoholgehalte geconstateerd van 665 ug/l (1,53 promille) De korpschef van de regiopolitie heeft hiervan op grond artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) mededeling gedaan aan verweerster en daarop het vermoeden gebaseerd dat verzoeker niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke gesteldheid die vereist is voor het besturen van de categorieën AM/BE/C1E van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. 2. Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerster het bestreden besluit genomen. Door mee te werken aan het hem opgelegde ASP kan verzoeker in het bezit komen van een rijbewijs voor de categorie B met code 103 “rijden met een alcoholslot”. In de begeleidende brief bij het bestreden besluit staat onder andere vermeld dat het ASP minimaal twee jaar duurt en twee componenten omvat, te weten de installatie van een alcoholslot in de auto en het ondergaan van een begeleidingsprogramma. Het alcoholslot moet regelmatig worden gekalibreerd en gegevens uit het geheugen van het alcoholslot moeten worden uitgelezen. Ook moet worden deelgenomen aan een motivatieprogramma. Verder staat in de brief vermeld dat het alcoholslot alleen kan worden ingebouwd in motorrijtuigen van de categorie B (personenauto). Voor eventuele overige rijbewijscategorieën blijft het rijbewijs gedurende het volgen van het ASP ongeldig. 3. Verzoeker heeft primair gevraagd om schorsing van het bestreden besluit voor de rijbewijscategorieën BE en C1E en subsidiair voor alleen de rijbewijscategorie C1E. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het de eerste keer was dat een te hoog alcoholpromillage werd geconstateerd bij hem. Verzoeker heeft gesteld bereid te zijn een alcoholslot in zijn auto te laten inbouwen en de kosten daarvan te voldoen, maar het probleem is echter dat verweerster alleen een rijbewijs B zal verstrekken. Hij heeft erop gewezen dat hij fulltime internationaal beroepschauffeur is en voor zijn inkomen volledig afhankelijk is van zijn rijbewijs C1E. Als het bestreden besluit in stand blijft, zal zijn werkgever hem ontslaan omdat hij dan 24 maanden geen rijbewijs C1E heeft en dus niet kan werken. Hij wordt bijzonder zwaar getroffen door de gevolgen van het besluit; hij is alleenstaand en kan op geen andere wijze in zijn inkomen voorzien. Hij heeft zeer veel geld geïnvesteerd in het behalen van rijbewijs C1E en andere professionele vaardigheden heeft hij niet. Verzoeker heeft gesteld dat hij door de ongeldigverklaring van het rijbewijs C1E thans in grote (financiële) problemen komt en dat hij zijn hypotheeklasten niet meer kan voldoen. Verder heeft hij betoogd dat een wettelijke basis voor de beperking van ASP tot personenauto’s ontbreekt en dat de bepaling die dat regelt, artikel 132a, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen, in strijd is met de wet in formele zin, namelijk artikel 132b, derde lid, onder a, van de Wvw, en dus onverbindend is. Tevens heeft verzoeker aangevoerd dat het ongeldig verklaren van het rijbewijs voor 24 maanden een “criminal charge” is in de zin van artikel 6 en 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat zijn betoog dat het Reglement rijbewijzen onverbindend is wegens strijd met algemene rechtsbeginselen moet worden opgevat als betoog dat de toepassing van het Reglement een “criminal charge” is en dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Tot slot heeft verzoeker aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat bezitters van rijbewijs C1E zonder rechtvaardiging anders worden behandeld dan bezitters van een B-rijbewijs. 4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening allereerst moet worden bezien of de situatie zich voordoet dat er geen enkel spoedeisend belang is. Als dat zich voordoet is dat al, zonder verdere inhoudelijke beoordeling van het verzoek, reden om het verzoek af te wijzen. Vervolgens geeft de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel over de redelijke kans van slagen van het bezwaar. Tot slot maakt de voorzieningenrechter een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het door die uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisendheid 5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich niet de situatie voor dat verzoeker geen enkel spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening heeft. Als gevolg van het bestreden besluit is verzoekers rijbewijs C1E ongeldig en daardoor kan hij zijn baan als vrachtwagenchauffeur bij [X] Transport B.V. op dit moment niet uitoefenen. Dit betekent dat hij geen inkomsten heeft, maar wel aan al zijn financiële verplichtingen moet voldoen. Wettelijk kader 6. Op grond van artikel 132b, eerste lid, van de Wvw legt verweerster de verplichting op om deel te nemen aan het ASP en verklaart op grond van het tweede lid van dit artikel het rijbewijs van de betrokkene ongeldig. Daarbij bepaalt verweerster dat de ongeldigverklaring betrekking heeft op alle categorieën waarvoor dat rijbewijs geldig was, met uitzondering van de categorie AM. Op grond van het derde lid, aanhef en onder a, doet verweerster mededeling aan betrokkene dat hij, nadat hij heeft voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, onderdelen a, b en c, overeenkomstig de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels een rijbewijs kan aanvragen voor de categorie of categorieën waarvoor hij aan die eisen heeft voldaan, alsmede voor categorie AM. Op grond van het vijfde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste en tweede lid. Op grond van artikel 132c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw dient degene aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde bepalingen een alcoholslot te doen inbouwen in ten minste één motorrijtuig dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen. In het Reglement rijbewijzen zijn nadere regels gesteld voor de uitvoering van het ASP. Op grond van artikel 132a, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen wordt een alcoholslot alleen ingebouwd in motorrijtuigen van rijbewijscategorie B, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen die onder deze rijbewijscategorie vallen. Beoordeling van het geschil 7. Wat betreft verzoekers betoog dat artikel 132c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw een wettelijke grondslag ontbeert, dan wel in strijd is met artikel 132b, derde lid, aanhef en onder a, van de Wvw overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het eerste en tweede lid van artikel 132b Wvw vormen de grondslag voor het vijfde lid, dat bepaalt dat ter uitvoering van die twee bepalingen bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld. De bevoegdheid om nadere regels te stellen in het Reglement rijbewijzen en dus om de inbouw van een alcoholslot te beperken tot motorrijtuigen van rijbewijscategorie B, volgt uit het vijfde lid en staat los van het derde lid. Dat dat derde lid bepaalt – kort samengevat - dat verweerster mededeling aan betrokkene doet dat hij een rijbewijs kan aanvragen voor de categorieën waarvoor hij aan de desbetreffende eisen heeft voldaan, maakt niet dat die beperking in artikel 132a, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen, zoals verzoeker stelt, een wettelijke grondslag ontbeert of wegens strijd met artikel 132b, derde lid, aanhef en onder a, van de Wvw onverbindend is. 8. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat de constatering van het rijden van een motorrijtuig met een ademalcoholgehalte van 665 mg/l op grond van de wet- en de regelgeving niet zonder meer kan leiden tot een ongeldigverklaring van het rijbewijs. Het is een ernstige overtreding van de normen die zijn opgesteld ter bescherming van de verkeersveiligheid, maar na een dergelijke constatering is nog niet direct gebleken dat iemand langdurig ongeschikt is om een motorrijtuig te besturen. Er is geen onderzoek van een arts aan voorafgegaan en van misbruik, tolerantie of afhankelijkheid van alcohol is niet gebleken. 9. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de oplegging van een ASP voor de rijbewijscategorie B geen punitieve sanctie is in de zin van artikel 6, tweede en derde lid, van het EVRM. Dit standpunt van partijen wordt gevolgd door de voorzieningenrechter nu (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.