RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/657320-12 (P) vonnis van de meervoudige strafkamer van 10 oktober
- in de strafzaak tegen [verdachte] Geboren op [1947] te [geboorteplaats] Wonende te [adres], [woonplaats]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. A.J.M. Mohrmann, advocaat te Bussum, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige (primair), dan wel met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd (subsidiair). 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft voor het bewijs ten aanzien van het primair ten laste gelegde verwezen naar de verklaring van [slachtoffer]. Haar verklaring wordt ondersteund door de aangifte van de vader van [slachtoffer], [aangever], de verklaring van getuige[getuige], de verklaring van de moeder van [slachtoffer], [A] en de verklaringen van de leidinggevenden van verdachte bij Connexxion, [B] en[C]. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van het ten laste gelegde -blijkens een aan de rechtbank overgelegde pleitnota- algehele vrijspraak betoogd. De raadsman heeft aangevoerd dat het bewijs ten aanzien van de ten laste gelegde feiten slechts wordt gevormd door de verklaring van [slachtoffer]. Het is echter vaste jurisprudentie dat een bewezenverklaring niet enkel kan volgen uit de verklaringen van het vermeende slachtoffer. Daarnaast is [slachtoffer] minderjarig en heeft zij een geestelijke beperking, waardoor haar verklaring niet als betrouwbaar bewijsmiddel kan worden gebruikt. De deskundigenberichten kunnen niet als aanvullend bewijs worden gebezigd, omdat die geen objectieve gegevens bevatten. De verklaring van getuige [getuige] is slechts suggestief, waardoor die verklaring ook geen ondersteuning biedt om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. De bewijswaarde van de verklaring van [slachtoffer] dient met de nodige terughoudendheid te worden beschouwd. [slachtoffer] was een -op dat moment- twaalfjarig meisje, met een geestelijke beperking en een door de deskundigen geschatte belevingswereld van een drie- of vierjarige. Naast de verklaring van [slachtoffer] is er slechts de verklaring van getuige [getuige] over wat hij gezien heeft op de parkeerplaats. Deze verklaring biedt echter onvoldoende onderbouwing om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te komen. De verklaring van verdachte dat [slachtoffer] hem heeft omhelsd en hem een kusje heeft gegeven omdat zij een cadeautje van hem kreeg, is niet onaannemelijk, mede in het licht van hetgeen de ouders van [slachtoffer] hebben verklaard over haar aanhankelijkheid. Bovendien zou het kunnen passen in wat getuige [getuige] heeft gezien. De rechtbank kan onder deze omstandigheden niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de ten laste gelegde feiten zich hebben voorgedaan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. 5Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer] heeft zich -daartoe vertegenwoordigd door [aangever]- als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.425, -, zijnde immateriële schade. 5.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. 5.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat de benadeelde partij -gelet op de bepleite vrijspraak- niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering. 5.3 Het oordeel van de rechtbank De benadeelde partij [slachtoffer] wordt in de vordering niet-ontvankelijk verklaard nu de verdachte van de hem ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken. 6Beslissing De rechtbank: Vrijspraak spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten; Benadeelde partij bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; compenseert de kosten van partijen aldus dat ieder de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mrs. J.P.W. Helmonds en J.F. Haeck, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober
- BIJLAGE : De tenlastelegging Primair hij op of omstreeks 06 juli 2011 te Lage-Vuursche, gemeente Baarn, althans in het arrondissement Utrecht, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en / of opleiding en / of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [1998], immers heeft hij verdachte (meermalen) (terwijl die [slachtoffer] op zijn schoot zat) - die [slachtoffer] geknuffeld en/of gekust en/of - zijn tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden; art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht Subsidiair hij op of omstreeks 06 juli 2011 te Lage-Vuursche, gemeente Baarn, althans in het arrondissement Utrecht, met [slachtoffer], geboren op [1998], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig - knuffelen en/of kussen van die [slachtoffer] en/of - het brengen en/of houden van zijn tong in de mond van die [slachtoffer] (terwijl die [slachtoffer] op zijn schoot zat); art 247 Wetboek van Strafrecht
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.