vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht handelskamer locatie Lelystad zaaknummer / rolnummer: C/07/204401 / HL ZA 12-207 Vonnis van 20 november 2013 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats], eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. M. Kashyap te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde 1], wonende te [woonplaats], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. A.K. Oostlander-Vos te Haarlem, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] MONUMENTEN B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. V. Bakker te Amsterdam, 3. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. V. Bakker te Amsterdam, 4. [gedaagde 3], wonende te [woonplaats], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. V. Bakker te Amsterdam. Partijen zullen hierna de vrouw, de man, [X] Monumenten, de broer en de neef worden genoemd, en gedaagden gezamenlijk ook de man c.s. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 6 maart 2013 de bij brief van 3 juni 2013 toegezonden producties 52-59 van de man de akte vermeerdering van eis van de vrouw van 17 juni 2013, met productie 19 de bij brief van 10 juni 2013 toegezonden productie 20 van de vrouw het proces-verbaal van comparitie van 17 juni 2013 de brief van mr. Kashyap van 23 juli 2013 naar aanleiding van het proces-verbaal. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 1.3. De hiervoor vermelde brief van mr. Kashyap van 23 juli 2013 is niet van invloed op de in dit vonnis te nemen beslissingen, behoudens hetgeen hierna is vermeld in 4.32 (en waarin met bedoelde brief rekening is gehouden). De brief wordt aan het proces-verbaal gehecht en maakt daarmee deel uit van de processtukken. 2De feiten 2.1. De vrouw en de man zijn gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 augustus 2004 is hun echtscheiding uitgesproken. Deze is op 24 augustus 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.2. De broer is broer van de man. De neef is zoon van de broer en daarmee neef (oomzegger) van de man. 2.3. Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoorden per 24 augustus 2004 in ieder geval de volgende goederen (en, wat sub a., g., h. en i. betreft, (mogelijk) tevens schulden): het (afgescheiden) vermogen van de vennootschap onder firma Café Restaurant [naam] te [vestigingsplaats], in welke vennootschap de man en de vrouw beiden vennoot waren (hierna: de VOF); alle aandelen in [X] Monumenten; het appartementsrecht [adres] te [woonplaats] (gemeente [woonplaats], sectie D, nummer [nummer]) (hierna: pand [woonplaats]); het appartementsrecht [adres] te [woonplaats] (gemeente [woonplaats], sectie AL, nummer AL [nummer]) (hierna: pand [woonplaats]); de voormalige echtelijke woning aan de[adres] te [woonplaats] (gemeente [woonplaats], Sectie U, nummer [nummer]) (hierna: pand [woonplaats]); een speedboot; saldi op diverse bankrekeningen; een schuld aan de gemeente Bodegraven ter zake van onterecht genoten bijstandsuitkeringen; een aan het pand [woonplaats] verbonden hypothecaire schuld. 2.4. De man heeft bij brief van 15 november 2004 de VOF opgezegd. De man heeft de onderneming vervolgens als eenmanszaak voortgezet. De onderneming werd gedreven in het pand [adres]/[adres] te [vestigingsplaats], welk pand tot in het eerste halfjaar van 2013 eigendom was van [X] Monumenten. 2.5. De man heeft, zonder daarvoor toestemming van de vrouw te hebben gevraagd of verkregen, de aandelen in [X] Monumenten en het pand [woonplaats] verkocht en geleverd aan de neef in 2008 respectievelijk 2009, voor € 21.859,00 respectievelijk € 315.000,00. 2.6. Wegens diefstal van de speedboot heeft de man een verzekeringsuitkering ontvangen van € 14.364,00. 3Het geschil 3.1. De vrouw heeft in conventie, na vermeerdering en wijziging van eis, samengevat gevorderd: verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van de man en de vrouw, voor zover het betreft de hiervoor in 2.2 onder b., c., e. en g. genoemde goederen, de voor de speedboot (2.2 onder f.) in de plaats getreden verzekeringsuitkering (2.5) alsmede een zestal appartementen te Spanje, die volgens de vrouw ook tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoren, aldus dat de aandelen in [X] Monumenten en het pand [woonplaats] worden toebedeeld aan de vrouw, en de overige goederen aan de man, met dien verstande dat voor drie van de zes appartementen (door de vrouw aangeduid als appartementen D, E en F) de vrouw aanspraak maakt op vergoeding van niet de helft van maar de volledige waarde op voet van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (verzwijging); veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van € 1.550.000,00 en € 20.485,89, vermeerderd met rente, wegens de verdelingen die reeds hebben plaatsgevonden van de VOF en het pand [woonplaats]; nietigverklaring (artikel 3:190 lid 1 BW) of vernietiging (artikel 3:45 BW) van de verkopen en leveringen door de man aan de neef van de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats], en de verkoop en levering die volgens de vrouw ook heeft plaatsgevonden tussen de man en de broer met betrekking tot drie van de zes Spaanse appartementen (door de vrouw aangeduid als appartementen A, B en C); veroordeling van de neef, de broer en [X] Monumenten tot medewerking aan teruglevering van het hiervoor sub c. genoemde; veroordeling van de man tot overlegging van bankafschriften van of van rond 24 augustus 2004, met betrekking tot de hiervoor in 2.2 onder g. bedoelde bankrekeningen; alles bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, met veroordeling van de man c.s. in de kosten. 3.2. De man c.s. voert verweer en beroept zich daarbij op verjaring, bekrachtiging door de vrouw, goede trouw van de man c.s., zaakwaarneming, ontbreken van benadeling en (daarmee) belang voor de vrouw, en redelijkheid en billijkheid. Verder stelt de man c.s. dat de man de Spaanse appartementen A, B en C reeds vóór de ontbinding van het huwelijk heeft verkocht en vervreemd, zodat deze niet behoorden of behoren tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. De man c.s. betwist voorts de door de vrouw gevorderde wettelijke rente. 3.3. In reconventie heeft de man c.s. veroordeling van de vrouw gevorderd, bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, tot betaling aan de man van € 272.846,00, vermeerderd met rente en kosten. 3.4. Aan deze vordering in reconventie heeft de man c.s. de volgende posten ten grondslag gelegd: 50% van de negatieve waarde van de VOF: € 86.034,00; 50% van de negatieve verkoopopbrengst van het pand [woonplaats] (restschuld hypothecaire lening, vlg. hiervoor 2.1 sub i): € 75.367,00; 50% van de gemeentebelasting over de jaren 2007, 2008 en 2009 voor het pand [woonplaats]: € 2.538,00; 50% van de VvE-bijdrage voor het pand [woonplaats]: € 9.491,00; 50% van de verbouwingskosten van het pand [woonplaats]: € 1.359,00; 50% van een betalingsverplichting aan de heer[A] (hierna: [A]): € 35.067,00; een gebruiksvergoeding voor het pand [woonplaats]: € 27.000,00; uit hoofde van geldlening: € 17.000,00; uit hoofde van geldlening voor een Peugeot: € 5.000,00; wegens overdracht van een Chrysler: € 9.000,00; wegens voldoening van premies ziektekostenverzekering voor de vrouw: € 4.930,00 3.5. De man c.s. heeft als productie 2 een overzicht overgelegd met diverse posten en bedragen. Deze komen deels overeen met hiervoor in 3.4 genoemde posten en bedragen. Omdat er echter ook verschillen zijn, en de man c.s. voor zijn vordering in reconventie niet nader verwijst naar deze productie 2, laat de rechtbank dat overzicht voorshands buiten beschouwing, en gaat uit van de anderszins door de man c.s. genoemde posten en bedragen, waarnaar hij wel nader verwijst. 3.6. De vrouw voert op onderdelen verweer tegen de vordering in reconventie. 3.7. De rechtbank gaat er voorshands vanuit dat partijen met de door hen ter comparitie getroffen regeling hebben beoogd de eis in conventie 4.1 sub b. te verminderen met € 15.000,00 en de eis in reconventie onder 4.4 sub h. tot € 7.000,00 en sub i. tot nihil, alles voor zover van toepassing met inbegrip van de over die verminderingen gevorderde rentes. De rechtbank gaat er voorts voorshands vanuit dat partijen met de door hen ter comparitie getroffen regeling hebben beoogd de eis in conventie 3.1 sub a. onderdeel e. (pand [woonplaats]) aan te passen conform die aldus getroffen regeling op dit punt, zonder dat de man daartegen verder nog verweer voert. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling de verweren en vorderingen van de neef, de broer en [X] Monumenten in reconventie, voor zover afwijkend van die van de man 4.1. Niet duidelijk is wat het belang is van de neef, de broer en [X] Monumenten bij hun vordering in reconventie tot betaling aan de man van diverse bedragen. De neef, de broer en [X] Monumenten dienen zich daarover uit te laten en zich voorts uit te laten over hun belang bij hun verweer in conventie en hun vorderingen in reconventie, voor zover die strekken tot afwijking van hetgeen blijkens het hiervoor in 3.7 en hierna in 4.40 vermelde, tussen de man en de vrouw is overeengekomen. vordering in conventie: beschikkingsonbevoegdheid man 4.2. De vrouw doet een beroep op beschikkingsonbevoegdheid van de man ten aanzien van de verkoop en levering van de aandelen in [X] Monumenten en het pand [woonplaats] aan de neef. 4.3. Ingevolge artikel 3:190 BW kan een deelgenoot in een bijzondere gemeenschap als de onderhavige niet beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk, zonder toestemming van de overige deelgenoten. De man heeft erkend dat hij geen toestemming heeft gevraagd aan of verkregen van de vrouw. De man was derhalve in beginsel niet bevoegd over zijn aandelen in de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats] te beschikken, laat staan ook de aandelen van de vrouw daarin, zodat ingevolge artikel 3:84 BW uitgangspunt is dat de eigendom daarvan niet is overgegaan en alsnog verdeling dient plaats te vinden. verweren in conventie: verjaring, bekrachtiging, goede trouw, zaakwaarneming, ontbreken van benadeling/belang, redelijkheid en billijkheid 4.4. Voor zover het verjaringsverweer van de man c.s. is gericht op de vordering van de vrouw tot verdeling faalt dit verweer, nu een vordering tot verdeling niet aan verjaring is onderworpen. Voor zover het is gericht op de op voet van artikel 3:190 lid 1 BW gebaseerde vordering van de vrouw tot nietigverklaringen faalt het evenzeer, nu ook een dergelijke vordering niet blootstaat aan verjaring. Voor zover het verweer is gericht op de door de vrouw gevorderde vernietigingen, komt de rechtbank hieraan (vooralsnog) niet toe. Wat betreft de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats] niet omdat de rechtbank de betreffende overdrachten nietig oordeelt (hierna, 4.11). Wat betreft de Spaanse appartementen A, B en C vooralsnog niet omdat de vrouw nog niet heeft gereageerd op het verweer van de man dat deze niet behoorden of behoren tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, en de rechtbank er vooralsnog vanuit gaat dat de vordering van de vrouw op dit onderdeel slechts is gebaseerd op de – aldus door de man betwiste – grondslag dat deze daartoe wél behoorden. 4.5. Aan zijn bekrachtigingsverweer legt de man c.s. de stelling ten grondslag dat de vrouw ter zake van door hem verrichte transacties gelden heeft ontvangen en behouden. Hij spitst dit verweer echter niet toe op transacties waarvan de vrouw in dit geding nietigverklaring of vernietiging vordert, terwijl met betrekking tot die transacties ook niet van dergelijke ontvangsten door de vrouw is gebleken. Dit verweer faalt dus. 4.6. Het verweer dat een beroep doet op goede trouw van de man c.s. betreft klaarblijkelijk de transacties met de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats]. Dit verweer faalt. Wegens het ontbreken van toestemming van de vrouw was de man niet bevoegd te beschikken over de aandelen en het pand te [woonplaats]. Wegens zijn beschikkingsonbevoegdheid is de eigendom niet overgegaan (artikelen 3:190 lid 1 j° 3:84 lid 1 BW). Goede trouw van de neef, zou daarvan sprake zijn, met betrekking tot de beschikkings(on)bevoegdheid van de man, beschermt hem niet: artikel 10:131, 10:138 j° 3:88 BW. 4.7. Het verweer dat beroep doet op zaakwaarneming, dat kennelijk (slechts) ziet op de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats], faalt ook. De rechtbank gaat er vanuit, bij ontbreken van indicaties van het tegendeel, dat de man bedoelt te stellen dat hij mede namens de vrouw heeft verkocht. Voor zover de man c.s. zich beroept op de eigen onwetendheid van de man met betrekking tot zijn beschikkingsonbevoegdheid (artikel 3:190 lid 1 BW), geldt dat hij dit beroep onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de door de vrouw in het geding gebrachte processtukken met betrekking tot een tussen de man, de vrouw en de broer al in december 2004 gevoerde procedure waarin de man en de broer wél – maar tevergeefs – medewerking van de vrouw hadden gevraagd aan vervreemding van het pand [woonplaats] aan de broer. Hierbuiten heeft de man geen reden, laat staan een goede reden genoemd om over deze door hem beoogde transacties geen voorafgaand overleg te voeren met de vrouw. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat de man zich met deze transacties op redelijke grond heeft ingelaten met wat hij kwalificeert als behartiging van de belangen van de vrouw, betreffende deze vermogensbestanddelen. 4.8. De man c.s. beroept zich op ontbreken van benadeling en daarmee ontbreken van belang van de vrouw ter zake van de door haar aangevochten transacties. De man c.s. stelt in dit kader dat de door de man vervreemde vermogensbestanddelen destijds voor reële prijzen zijn verkocht, en nu minder zouden opleveren als ze opnieuw zouden moeten worden verkocht, ten minste wanneer de investeringen die de verkrijgers daarop intussen hebben verricht, daarbij zouden worden verdisconteerd. Hij stelt dat artikel 3:190 BW niet de door de vrouw beoogde consequentie van nietigheid of vernietigbaarheid van de rechtsvorderingen beoogt. De ontbonden gemeenschap moet worden verdeeld met hetgeen in de plaats is gekomen van de vermogensbestanddelen. 4.9. De rechtbank begrijpt dat de man c.s. met dit verweer slechts doelt op het pand [woonplaats]. De vrouw erkent dat met eventuele investeringen van de neef met betrekking tot het pand [woonplaats] rekening kan worden gehouden. De rechtbank verwerpt het verweer. De vrouw heeft belang bij de verdeling. Als niet alsnog tot verdeling zou worden overgegaan, betekent dit dat het pand haar mede-eigendom zou blijven (hierna, 4.11), met mogelijk (onbedoeld) ook de aansprakelijkheden die daarbij behoren. De vrouw heeft er belang bij dat aan die situatie een einde wordt gemaakt door middel van verdeling. Dit neemt overigens niet weg dat indien de man op grond van zijn rechtsverhouding tot de vrouw aanspraak zou kunnen maken op toedeling van het pand aan hem, hij in plaats van die toedeling – maar met eerbiediging van de financiële consequenties die aan die toedeling zouden zijn verbonden – zou kunnen verlangen dat de vrouw meewerkt aan levering van het pand aan de neef, door alsnog haar toestemming aan de door de man verrichte overdracht aan de neef te geven. 4.10. De man c.s. beroept zich voorts op redelijkheid en billijkheid ten betoge dat de door de man verrichte en door de vrouw aangevallen transacties in stand moeten worden gelaten, omdat de betreffende vermogensbestanddelen destijds voor reële prijzen zijn verkocht, en de man destijds geen beter alternatief had. De man voert dit verweer kennelijk aan voor de aandelen en voor het pand [woonplaats]. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uitgangspunt is de nietigheid van de overdracht van de aandelen [X] Monumenten en van het pand [woonplaats] aan de neef. Indien de man met zijn stellingen beoogt op grond van de redelijkheid en de billijkheid de nietigheid opzij te zetten, dan heeft hij onvoldoende gesteld om tot een zo verstrekkende conclusie te komen. Indien de man beoogt de waardepeildatum te stellen op de datum van verkoop aan de neef, overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt is dat de (beoogde) datum van verdeling als peildatum voor de waardering dient te gelden. Op grond van redelijkheid en billijkheid kan daarvan wel worden afgeweken (HR 22 maart 1996, NJ 1996/710, sindsdien vaste rechtspraak), maar de omstandigheden die de man c.s. daartoe aanvoert zijn onvoldoende om van het uitgangspunt af te wijken. Hetgeen de rechtbank hiervoor (r.0. 4.7) heeft geoordeeld met betrekking tot het zaakwaarnemingsverweer van de man c.s. staat in de weg aan het onderhavige verweer. Het is aan de man te wijten dat hij, wetende dat hij toestemming van de vrouw nodig had, geen toestemming heeft gevraagd. 4.11. Het vorenstaande betekent dat de eigendom van de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats] niet zijn overgegaan op de neef. De aandelen en het pand [woonplaats] maken onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en zullen in de verdeling worden betrokken. peildatum samenstelling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap 4.12. De peildatum voor de samenstelling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is 24 augustus 2004, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. peildatum waardebepaling 4.13. Uitgangspunt is dat de te verdelen goederen en toe te rekenen schulden moeten worden gewaardeerd naar het (beoogde) moment van verdeling. Spaanse appartementen A-F (conventie 3.1 sub a., c., d.) 4.14. De man c.s. dient een Nederlandse vertaling in het geding te brengen van de door hem als productie 8 overgelegde in het Spaans gestelde koopakte. De vrouw mag vervolgens reageren op het verweer van de man c.s. met betrekking tot de Spaanse appartementen A, B en C, inhoudende dat hij deze vóór de ontbinding van het huwelijk heeft vervreemd, en deze dus geen deel uitmaken of uitmaakten van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. 4.15. De man heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis van de vrouw van 17 juni 2013, met betrekking tot de Spaanse appartementen D, E en F. De rechtbank passeert dit bezwaar omdat de eisvermeerdering niet in strijd is met de goede procesorde. De vrouw dient Nederlandse vertalingen in het geding te brengen van de in het Spaans gestelde stukken die zij als productie 20 in het geding heeft gebracht. Daarbij kan zij deze stukken nog van een toelichting voorzien. De man c.s. mag vervolgens op de eisvermeerdering reageren. vermogen VOF (conventie 3.1 sub b./reconventie 3.4 sub a.) 4.16. Partijen zijn het erover eens dat de activa van de VOF feitelijk reeds zijn verdeeld, en de passiva toegedeeld (beide door toedeling aan de man); het gaat er slechts om de waarde van het VOF-vermogen vast te stellen. Ter comparitie zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de peildatum voor deze waardebepaling 31 december 2004 moet zijn. 4.17. De man c.s. beroept zich voor zijn vordering in reconventie sub. a op een door hem als productie 12 overgelegd financieel rapport met betrekking tot de voorheen door de VOF en in elk geval per 1 januari 2005 door de man gedreven onderneming over de periode 19 november-31 december 2004, waaruit een kapitaal (activa -/- passiva) blijkt van -/-€ 172.069,00, welk bedrag volgens de man c.s. de waarde van de VOF vertegenwoordigt per laatstgenoemde datum. 4.18. De vrouw gaat uit van een waarde van € 3.100.000,00, volgens haar gelijk aan een door de man ontvangen beëindigingsvergoeding met betrekking tot de onderneming, althans minimaal € 272.268,12, het bedrag (destijds in guldens) dat zij in 1997 voor de onderneming heeft betaald. De vrouw betwist de juistheid van de door de man c.s. overgelegde cijfers van de VOF; zij stelt dat de werkelijke omzetten van de VOF veel hoger waren dan in de door de man c.s. overgelegde cijfers is verantwoord. 4.19. Vaststaat dat [X] Monumenten het pand waarin de onderneming werd gedreven op 12 maart 2013 heeft verkocht voor een koopprijs van totaal € 4.785.000,00 k.k., bestaande uit de volgende componenten: - € 2.750.000,00 voor het registergoed; - € 1.600.000,00 voor de uitkoop van de zittende huurders; - € 400.000,00 voor de ontbinding van het huurcontract met KPN; - € 35.000,00 ter compensatie van inkomstenderving. 4.20. De man stelt dat de uitkoopsom voor zittende huurders tot een bedrag van € 1.000.000,00 is bestemd voor CV De Passage (hierna: de CV), die volgens een door de man overgelegd uittreksel uit het handelsregister en een schriftelijke verklaring van mevrouw[W], het voorheen door de VOF en nadien de man gedreven horecabedrijf sinds 1 november 2010 dreef, en waarin volgens diezelfde stukken de neef stille vennoot was. 4.21. De rechtbank zal op voet van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een of meer deskundigen benoemen ter bepaling van de waarde van de VOF per 31 december 2004. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dient daarbij te worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer. De man c.s. zal in elk geval jaarrekeningen van de CV over de jaren 2010-2013 in het geding moeten brengen, en een toelichting moeten geven over hoe en op basis waarvan de volgens hem met de CV overeengekomen afkoopsom van € 1.000.000,00 is bepaald, dit alles ter oriëntatie op de verhouding tussen de resultaten en/of vrije kasstromen van de CV in de periode voorafgaand aan haar uitkoop in relatie tot de met haar overeengekomen uitkoopsom enerzijds, en de verhouding tussen de resultaten en/of vrije kasstromen van de VOF in de periode voorafgaand aan de uittreding van de vrouw (31 december 2004) in relatie tot de door partijen genoemde waardes van de VOF voor die datum anderzijds. 4.22. De vrouw heeft er nog een punt van gemaakt dat ten laste van de VOF betalingen zijn gedaan aan de gemeente Bodegraven ter aflossing van de schuld van partijen aan de gemeente, en dat daarom een bedrag van € 9.000,00 ten laste van het kapitaal van de man moet worden gebracht. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Voor zover in de periode 24 augustus-31 december 2004 ten laste van de VOF betalingen op bedoelde schuld mochten zijn gedaan, dienen deze inderdaad ten laste van het kapitaal van de man te worden geboekt. Voor zover dit niet aldus in de administratie van de VOF is verwerkt, dient dit alsnog te gebeuren, althans dient voor de waardebepaling van de VOF per 31 december 2004 hiermee rekening te worden gehouden. 4.23. Partijen dienen zich uit te laten over het aantal en de kwalificatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.