uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Familierecht locatie Utrecht zaaknummer / rekestnummer: C/16/354252 / JE RK 13-2760 mandatering uitvoering ondertoezichtstelling Uitspraak van 3 december 2013 op het beroep in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats], hierna te noemen eiseres, advocaat mr. R.F. Vogel, tegen STICHTING BUREAU JEUGDZORG UTRECHT, gevestigd te Utrecht, hierna te noemen verweerster. 1Inleiding Verweerster heeft bij besluit van 27 augustus 2013 eiseres niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de beslissing van 14 mei 2013 van verweerster, strekkende tot afwijzing van het verzoek van eiseres tot intrekking van de mandatering aan de Willem Schrikker Jeugdbescherming (hierna: WSJ). Eiseres heeft tegen het besluit van 27 augustus 2013 beroep ingesteld en tevens verzocht verweerster in de proceskosten van deze procedure te veroordelen. Het beroep is op 22 oktober 2013 ter zitting behandeld, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw drs. [A] en mevrouw mr. [B]. Voorts was aanwezig de heer [C] van WSJ. 2Overwegingen Bij beschikking van deze rechtbank van 4 juni 2013 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [2011] te [woonplaats], verlengd tot 16 december
- Bij beschikking van deze rechtbank van 4 juni 2013 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige 2], geboren op[2001] te [woonplaats], verlengd tot 16 juni
- Bij beschikkingen van deze rechtbank van 4 juni 2013 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige 3], geboren op[2009] te [woonplaats], verlengd tot 16 juni
- Verweerster heeft de uitvoering van de ondertoezichtstelling gemandateerd aan WSJ. Eiseres is het hier (niet langer) mee eens en heeft verweerster verzocht om over te gaan tot intrekking van de mandatering aan WSJ. Bij beslissing van 14 mei 2013 heeft verweerster het verzoek van eiseres afgewezen. Eiseres heeft vervolgens bij brief van 24 juni 2013 bezwaar gemaakt tegen de beslissing. Op 27 augustus 2013 heeft verweerster eiseres niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. De rechtbank overweegt als volgt. In het mandaatbesluit (in werking getreden met ingang van 1 januari 2005) is geregeld dat de Stichting die een Bureau Jeugdzorg in stand houdt (als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de Jeugdzorg), aan de directeuren van de instelling met een landelijk bereik zoals WSJ, mandaat, volmacht en machtiging kan verlenen tot het nemen van besluiten en het verrichten van (rechts)handelingen die betrekking hebben op de uitvoering van (onder andere) een ondertoezichtstelling. Dit mandaatbesluit staat in rechte vast. Dit betekent dat verweerster er toe over kon gaan de ondertoezichtstelling uit te laten voeren door de WSJ. De beslissing de uitvoering van de ondertoezichtstelling in dit individuele geval aan WSJ over te dragen is gegrond op voornoemd mandaatbesluit. Nog daargelaten of de toedeling van uitvoering van de ondertoezichtstelling is aan te merken als een besluit als in de Algemene wet bestuursrecht, stelt de rechtbank vast dat eiseres bij de toedelingsbeslissing van deze zaak aan de WSJ geen rechtstreeks betrokken belang heeft. Dit is uiteraard anders bij een besluit dat de WSJ vervolgens zou nemen in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling, maar dat ligt in deze procedure niet voor. Nu geen bezwaar tegen deze toedeling van de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan WSJ kan worden gemaakt, volgt hieruit dat ook tegen de weigering deze toedeling ongedaan te maken geen bezwaar kan worden gemaakt. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerster eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar. Nu tegen deze beslissing op bezwaar beroep openstaat bij de bestuursrechter zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. 3Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond. Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. de Beij, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.M.M.P. Westbroek als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december
- Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.