RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Lelystad Parketnummer: 07.993015-10 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 6 december 2013 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende [postcode] te [woonplaats], [adres]. 1HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 12 april 2011. Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op 23 september 2011, waarna er op 6 oktober 2011 een tussenvonnis is gewezen. Verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. V.L. Koppe, advocaat te Amsterdam. Op 21 november en 22 november 2013 is het onderzoek ter terechtzitting hervat, op welke data de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden. Verdachte is wederom verschenen, bijgestaan door mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.H. Frank en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht. 2DE TENLASTELEGGING De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking in de strafzaak komt er, kort en feitelijk weergegeven op neer dat verdachte: Primair: opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1] terwijl zij tezamen en in vereniging met [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen in de periode 1 december 2005 tot 18 februari 2008 te Urk en/of Nunspeet valsheid in geschrifte heeft gepleegd door valse facturen op te maken door in de facturen Schol/Scholfilet(s)/ Scholle(nfillets)/Rocksole/Kutterschol op te nemen terwijl er Yellowfinsole dan wel Rocksole dan wel schar vermeld had moeten staan. Subsidiair: tezamen en in vereniging met[bedrijf 1]. en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [medeverdachte 1] en/of[medeverdachte 2] en/of met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen in de periode van 1 december 2005 tot 18 februari 2008 te Urk en/of Nunspeet valsheid in geschrifte heeft gepleegd door valse facturen op te maken door in de facturen Schol/Scholfilet(s)/Scholle(nfillets)/ Rocksole/ Kutterschol op te nemen terwijl er Yellowfinsole dan wel Rocksole dan wel schar vermeld had moeten worden. Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging onder het primair ten laste gelegde in de eerste regel "[bedrijfsnaam]” in plaats van "[bedrijf 1]". De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad. 3DE VOORVRAGEN Geldigheid van de dagvaarding Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat de dagvaarding ten aanzien van het gedeelte met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen (partieel) nietig verklaard dient te worden Daartoe heeft zij aangevoerd dat deze bewoordingen onvoldoende specifiek zijn in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, nu noch uit de tenlastelegging zelf, noch in samenhang met het dossier voldoende te begrijpen is welke natuurlijke personen en/of rechtspersonen hier zijn bedoeld. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft betoogd dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is nu de tenlastelegging in samenhang met het dossier gelezen dient te worden. Het oordeel van de rechtbank De dagvaarding behelst de opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, aldus artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Die opgave heeft tot doel de verdachte ten behoeve van zijn verdediging kenbaar te maken welk voorval hem verweten wordt en de rechter onder meer in staat te stellen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting zijn bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de officier van justitie te beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het gedeelte met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen nietig verklaard dient te worden. Zij overweegt daartoe dat het procesdossier zich niet beperkt tot de verdachten die vermeld zijn in het eindproces-verbaal. In de keten waarin het ten laste gelegde zich afspeelt, bevinden zich immers meer afnemers c.q. natuurlijke personen en rechtspersonen. Nu onvoldoende bepaald is welke andere natuurlijke- en rechtspersonen voorwerp van de tenlastelegging zijn, is niet duidelijk welk verwijt de rechtbank in zoverre dient te onderzoeken en tegen welk verwijt de verdediging zich in zoverre moet verdedigen. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaarding voor wat betreft het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN Inleiding 1) Uit een rapport van de Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: VWA) d.d. 09-11-2005, getiteld ‘Impasse in de vissector’ is bekend geworden dat vanwege vangstbeperkende maatregelen en hoge exploitatiekosten vraag en aanbod van de reguliere vissoorten onder druk zijn komen te staan. Om deze problemen te ondervangen zou de vissector een goedkopere vissoort te verkopen voor een duurdere vissoort. Filets van de uit de wateren in Oostelijk Azië afkomstige Yellow Fin Sole (hierna: YFS) (Limanda Aspera) zou verkocht worden als een filet van schol (Pleuronectes Platessa). 2) Op 24 augustus 2005 is door VWA controleur [A] bij een controle bij [bedrijf 4] geconstateerd dat op de palletbonnen op de pallets met vis staat aangegeven dat het om scholfilet gaat, terwijl de pallets in werkelijkheid YFS bevatten. Voorts werden dozen met YFS, welke waren ingeslagen bij [bedrijf 4] als YFS, door [bedrijf 4] gestickerd als scholfilet. Het ging hierbij om vis die in opdracht van verdachte [bedrijf 5] is geglaceerd bij [bedrijf 1] 3) Op 26 september 2006 is door VWA controleur [B] tijdens een controle bij[bedrijf 1] vastgesteld dat YFS, bestemd voor [bedrijf 5] werd geglaceerd en verpakt in dozen. Voornoemde dozen werden op een pallet gezet en voorzien van een palletkaart met daarop de tekst ‘scholfilet 2 wit’. Onderaan de pallet stond met de hand geschreven de term ‘YF’. 4) Op 7 augustus 2007 is door VWA seniorcontroleur [C] een controle uitgevoerd bij het vrieshuis [bedrijf 4] Tijdens deze controle zag hij dat op een aantal pallets met dozen met vis een palletsticker werd gestoken met daarop de aanduiding YFS DD Paneer alsmede de naam [bedrijf 5] Met betrekking tot één van voornoemde pallets werd op de dozen een sticker aangebracht waarop de naam Pleuronectus Platessa stond vermeld. 5) Door de FIOD is, in samenwerking met een Deense zusterdienst, in 2007 onderzoek gedaan waaruit bleek dat de feitelijk aan[bedrijf 5] geleverde YFS, in 2005, bij import onjuist is omschreven als Pleuronectes Platessa (scholfilet). 6) Op 24 januari 2008 werd op basis van heb bovenstaande besloten tot het openen van een onderzoek onder de naam ‘Kwets’ naar verschillende rechts- en natuurlijke personen, werkzaam in de vissector. Diverse afnemers in de vissector zijn als getuigen gehoord. 7) [verdachte] is binnen het onderzoek Kwets als verdachte aangemerkt. Hij ontkent iedere betrokkenheid bij het ten laste gelegde. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft - blijkens een aan de rechtbank overlegd schriftelijk requisitoir - gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld. Daartoe heeft hij onder meer verwezen naar de uitgewerkte subdossiers met betrekking tot de facturen in het zaaksdossier. De officier van justitie heeft tevens gewezen op de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen van de Duitse afnemers van verdachte. Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat voor de handel in vis de EG-verordening 104/2000, de Warenwet, het Warenwetbesluit Visserijproducten en de Warenwetregeling Handelsbenamingen Vis van belang zijn. Uit deze regelgeving kan afgeleid worden dat op de dozen en de pallets de handelsnaam en/of wetenschappelijke naam vermeld moet worden. Op de facturen dient zodoende ook de juiste benaming vermeld te worden. Op de facturen van verdachte werd schol opgenomen terwijl er ‘YFS’, Rocksole of schar geleverd werd. Van het feit dat er andere vis geleverd werd dan er gefactureerd werd, waren de afnemers niet op de hoogte. Zelfs indien zij hiervan wel op de hoogte waren dan nog is er sprake van misleiding van de consument nu niet kenbaar is welk proces het eindproduct heeft doorlopen. Uit de prijs kon niet afgeleid worden dat er geen schol geleverd werd. In de handel kunnen vele andere factoren van invloed zijn op de prijs. Met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte heeft de officier van justitie gewezen op een verhoor van verdachte waarin hij verklaard heeft : “Ik heb volledig vertrouwen in mijn broer en wat hij verklaart, zal ik wel achter staan” en de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij en zijn broer samen de algehele leiding hebben en alles van elkaar weten. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft - blijkens een aan de rechtbank overlegde pleitnota- betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij primair aangevoerd dat het enkele in strijd met een rechtsplicht nalaten van het vermelden van bepaalde gegevens onvoldoende is om valsheid in geschrifte aan te nemen. Beslissend is uiteindelijk of de werkelijkheid door het achterhouden van gegevens geweld is aangedaan. Terminologie De regelgeving waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, heeft slechts beperkte waarde nu deze niet toeziet op de facturering. Tevens is van belang dat de verordening niet van toepassing is op alle visproducten. De gebruikte termen op de facturen waren in het maatschappelijk verkeer aanvaard en klopten met de realiteit. In dit verband heeft de raadsvrouw verwezen naar de biologische eigenschappen van de vissoorten, de algemene benaming van Pleuronectes voor scholachtigen, de literatuur en de verklaringen van de VWA medewerkers [A] en [D]. De termen werd niet gebruikt om te verhullen welke vis er geleverd werd. Opzet / Oogmerk op misleiding Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is van opzet op de valsheid omdat verdachte er van overtuigd was dat de term schol/Rocksole mocht worden gebruikt. In het geval van de Rocksole leveringen dacht hij dat er door [bedrijf 1] daadwerkelijk Rocksole geleverd werd. Daarnaast ontbreekt het oogmerk op misleiding omdat de afnemers wisten welke vis zij geleverd kregen. De afgesproken prijs stond ook op de factuur. Verlaadfout Met betrekking tot de laatste drie transactie op de tenlastelegging (levering van schar) heeft de raadsvrouw betoogd dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen de leveringen aan [bedrijf 6], [bedrijf 7] en [bedrijf 8]. Bij de leveringen aan [bedrijf 6] en [bedrijf 7] is er namelijk sprake geweest van een laadfout. Verdachte heeft hier ook over verklaard. Bij deze laadfouten was er eveneens geen sprake van opzet op een valse factuur en oogmerk tot misleiding. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet voldoende is dat een valse factuur in een lade wordt weggestopt. Er dient gelet op de jurisprudentie gebruik gemaakt te worden van de valse factuur. Bovendien waren de facturen alleen van belang voor de administratie van de verschillende B.V.’s, maar vervulden zij tegenover derden (controleurs, belastingdienst) geen beslissende rol. Taakverdeling Meer subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte de leiding heeft over de werkvloer binnen [bedrijf 1] en dat hij feitelijk verantwoordelijk is voor het paneren, glaceren en inpakken van vis. Verdachte heeft geen zeggenschap over de administratieve kant van [bedrijf 1] en is daardoor nooit betrokken geweest bij de facturering. Tevens heeft verdachte zich nooit bemoeid met de naamgeving. Van een nauwe en bewuste samenwerking op het opmaken van de facturen is dan ook geen sprake. Periode Met betrekking tot de periode heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er in de tenlastelegging negen facturen opgesomd zijn die dateren uit de periode van 2007 tot en met begin 2008. De ten laste gelegde periode ziet echter op 2005-2008. Van de periode van 2005 tot en met 2006 dient vrijspraak te volgen. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk heeft leiding gegeven aan [bedrijf 1] terwijl zij tezamen en in vereniging met [bedrijf 2] en/ of [bedrijf 3], althans alleen, in de periode van 1 december 2005 tot 18 februari 2008 valselijk facturen heeft opgemaakt, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. Daartoe overweegt zij het navolgende. Ingevolge artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voor een bewezenverklaring vereist dat het een vals geschrift betreft dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Een factuur is een dergelijk geschrift. Een factuur bevat immers een opgave van - i.c. - geleverde goederen en heeft in het maatschappelijk verkeer mede de functie tegenover degene die betaling verschuldigd is aannemelijk te maken dat deze aldus zijn geleverd teneinde op grond daarvan betaling te verkrijgen. Vals in de zin van artikel 225 Sr betekent dat het “opzettelijk in strijd met de waarheid is”. Dit dient beoordeeld te worden naar het tijdstip van het opmaken van het geschrift. In casu wordt niet betwist dat op de in de tenlastelegging vermelde facturen schol/scholle/scholfilet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.