← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2013:7091

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling StrafrechtZittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/702057-12 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2013 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [woonplaats 1] op[geboortedatum 1], wonende aan [adres], [postcode] [woonplaats 2]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 juli

  1. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. A. Dekkers, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 29 november 2012 tot en met 4 december 2012 samen met een ander haar minderjarige zoon aan het wettig gezag danwel bevoegd opzicht heeft onttrokken. 3Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.
  2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en verwijst daartoe naar de aangifte van [A] namens Bureau Jeugdzorg, de beschikkingen van de sector familie en toezicht van de Rechtbank te Utrecht van 13 september 2012 en 29 november 2012, het Europees Arrestatiebevel betreffende verdachte van 2 december 2012 en het proces-verbaal van aanhouding van verdachte. 4.
  3. Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, aangezien verdachte tot 29 november 2012 het gezag heeft gehad over haar minderjarige zoon en zij niet op de hoogte was van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 29 november 2012 tot uithuisplaatsing van haar minderjarige zoon. De verdediging verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland – West-Brabant van 9 april 2013, LJN BZ 6454, waarin is overwogen dat slechts tot een bewezenverklaring van onttrekking aan het wettig gezag danwel bevoegd opzicht kan worden gekomen, indien verdachte wetenschap heeft gehad van beslissingen zoals een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing. 4.
  4. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen en het ontrekken van de minderjarige zoon van verdachte aan het bevoegd opzicht niet bewezen kunnen worden. De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Verdachte is belast met het ouderlijk gezag over haar zoon, [minderjarige]. Bij beschikking van 13 september 2012 van de rechtbank Utrecht is de ondertoezichtstelling over [minderjarige] uitgesproken en is het Bureau Jeugdzorg belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. [minderjarige] verbleef met ingang van 20 september 2012 op basis van een machtiging uit huisplaatsing bij zijn grootouders vaderszijde. De rechtbank te Utrecht heeft op 29 november 2012 een crisis-machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor verblijf pleegouder 24 uurs met ingang van 29 november 2012 en bepaalt dat het verhoor van de belanghebbenden zal plaatsvinden op 10 december
  5. Aangever [A] heeft verklaard dat hij op 29 november 2012 in zijn functie van jeugdbeschermer van Bureau Jeugdzorg Utrecht samen met twee collega’s naar de grootouders van [minderjarige] is toegegaan voor de uithuisplaatsing van [minderjarige]. Grootvader vaderszijde, zijnde [medeverdachte], gaf aan dat [minderjarige] er niet was. Verdachte is gebeld door [medeverdachte], die haar vertelde dat er drie man kwam om [minderjarige] op te halen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat dit telefonisch contact met de medeverdachte [medeverdachte] heeft plaatsgevonden op 30 november
  6. Verdachte heeft [minderjarige] vervolgens op dezelfde dag opgehaald bij medeverdachte [medeverdachte] en hem meegenomen naar België. Verdachte heeft verklaard [minderjarige] te hebben weggehaald, omdat ze haar kind niet wilde meegeven. Verdachte is op 2 december 2012 met medeverdachte [medeverdachte] door de politie Regio Turnhout (België) aangetroffen in een auto bij een camping te Kasterlee. [minderjarige] [medeverdachte] is aangetroffen in het administratief centrum van de camping. Nadere bewijsoverweging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet op de hoogte was van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige zoon [minderjarige]. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen maakt de rechtbank op dat de verdachte op de hoogte was van de beschikking tot uithuisplaatsing van haar minderjarige zoon. Verdachte heeft immers eerder bij de politie verklaard dat zij op 30 november 2012 met de medeverdachte [medeverdachte] heeft gebeld, die haar vertelde dat er drie mannen kwamen om [minderjarige] op te halen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte in de periode van 30 november 2012 tot en met 4 december 2012 haar minderjarige zoon heeft onttrokken aan het wettig gezag. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek
  7. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode van 30 november 2012 tot en met 4 december 2012 te Nieuwegein, te Lopikerkapel en te Kasterlee, opzettelijk een minderjarige, te weten[minderjarige] (geboren op 6 juli 2009), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag, immers heeft verdachte daar toen (nadat bij beschikking van 29 november 2012 de uithuisplaatsing van die [minderjarige] bij een neutraal pleeggezin was bepaald) die[minderjarige] meegenomen naar België en weggehouden bij het neutraal pleeggezin. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op. Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag. Dit feit is op grond van artikel 5 lid 1, 2˚ Sr eveneens strafbaar voor zover het door verdachte gepleegd is in België, nu het feit door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en op dit feit op grond van artikel 432 van het Belgische Strafwetboek een straf is gesteld. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.
  8. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot - een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van voorarrest, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren; - een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat als verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen 8.
  9. Het strafmaatverweer van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat bij een eventueel op te leggen straf de volgende feiten en omstandigheden van belang zijn. Nadat verdachte met haar zoon [minderjarige] in België is aangetroffen, heeft zij meegewerkt met politie, justitie en Bureau Jeugdzorg. Verdachte heeft verder tijd doorgebracht in overleveringsdetentie en voorlopige hechtenis. Ook valt het verdachte zwaar dat het contact met haar zoon [minderjarige] beperkt is. Gezien het voorgaande, heeft de verdediging aangevoerd dat het in de onderhavige zaak passend en geboden zou zijn om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. Subsidiair is de verdediging van mening dat er een geheel voorwaardelijk opgelegde straf opgelegd zou moeten worden, nu er door andere rechtbanken in soortgelijke zaken zelden onvoorwaardelijke werkstraffen zijn opgelegd. 8.
  10. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, door na kennisneming van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing, haar minderjarige zoon mee te nemen naar België. Hierdoor heeft zij haar zoon aan het wettig gezag onttrokken. De omstandigheid dat verdachte dit, zoals zij ter zitting heeft verklaard, uit paniek en angst heeft gedaan, betekent niet dat er geen sprake is van een strafbaar feit. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies, opgemaakt op 5 juli 2013 door M. Bongenaar, reclasseringsmedewerker. Uit het rapport komt naar voren dat het contact tussen verdachte en [minderjarige] is beperkt door het Bureau Jeugdzorg als gevolg van de onttrekking en dat verdachte het daar moeilijk mee heeft. De rechtbank heeft verder acht geslagen op justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking met justitie is geweest. De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Naast alle hiervoor genoemde omstandigheden vindt de rechtbank in dat verband van belang dat het handelen van verdachte tot gevolg heeft gehad dat zij haar zoon nog slechts in zeer beperkte mate en alleen onder toezicht mag zien. Door dit gevolg wordt verdachte al gestraft. Wel vindt de rechtbank het van belang om een voorwaardelijke straf op te leggen, zodat verdachte ervan doordrongen is dat zij haar zoon niet nogmaals aan het gezag moet onttrekken. De rechtbank acht in dat verband een proeftijd voor de duur van 3 jaren passend en noodzakelijk. Indien en voorzover het in het belang van [minderjarige] wordt geacht de contacten met moeder uit te breiden en op termijn zonder toezicht te laten plaatsvinden, zal een voorwaardelijke straf verdachte weerhouden [minderjarige] zonder toestemming mee te nemen. Aangezien een eventuele uitbreiding nog geruime tijd kan duren acht de rechtbank een langere proeftijd noodzakelijk. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 279 van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 200 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag. Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 3 jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzitter, mrs. L.M.G. de Weerd en E.A.A. van Kalveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. van de Kraats, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juli
  11. Mr. Messer is buiten staat mede te ondertekenen. BIJLAGE : De tenlastelegging Zij in of omstreeks de periode van 29 november 2012 tot en met 4 december 2012 te Nieuwegein en/of te Lopikerkapel, althans in Nederland en/of te Kasterlee, althans in België, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [minderjarige] (geboren op [geboortedatum 2]), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde zag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (nadat door de kinderrechter bij de rechtbank te Utrecht bij beschikking van 13 september 2012 de ondertoezichtstelling van die [minderjarige] bij Bureau Jeugdzorg was uitgesproken en/of bij beschikking van 29 november 2012 de uithuisplaatsing van die [minderjarige] bij een neutraal pleeggezin was bepaald) die [minderjarige] meegenomen naar België en/of weggehouden van/bij Bureau Jeugdzorg en/of het neutraal pleeggezin; art 279 lid 2 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht Indien hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt hierbij telkens verwezen naar de bijlagen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Utrecht, genummerd PL0960 2012268968, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met
  12. Een geschrift, te weten een beschikking van de kinderrechter van 13 september 2012 met betrekking tot de minderjarige [minderjarige], gegeven door mr. A. van Dijk, kinderrechter, doorgenummerde pagina
  13. Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina
  14. Een geschrift, te weten een beschikking van de kinderrechter van 29 november 2012 met betrekking tot de minderjarige [minderjarige], gegeven door mr. H.A. Gerritse, kinderrechter, doorgenummerde pagina
  15. Proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde pagina
  16. Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde pagina
  17. Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 juli
  18. Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 juli
  19. Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde pagina
  20. Een geschrift, te weten een proces-verbaal van inlichtingen van politie Regio Turnhout, doorgenummerde pagina’s 65 tot en met 68.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.