vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/324902 / HA ZA 12-807 Vonnis van 30 december 2013 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FROG AGV SYSTEMS BV, gevestigd te Utrecht, eiseres, advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen de vennootschap naar Duits recht FA. D.BADER SÖHNE GMBH & CO KG, gevestigd te Remshalden, Duitsland gedaagde, advocaat mr. S.W. van Dijk te Apeldoorn. Partijen zullen hierna Frog en Bader genoemd worden. 1De procedure 1.
(2)‘Plattformwagen mit angetriebener Rollerbahn’ for the AGV Project at K-Face in Heiligengrabe, Germany. Delivery date required is KW37/2011 (middle of September 2011) After each of the Parties has signed this LOI, BAKA will immediately start with the engineering portion (mechanical design) and procurement of components related to the PO. 2. Conditions and Duration of LOI This LOI is valid until both parties agree that below points have been fulfilled. 1. BAKA will rework its proposal (“baka Angebot 8641, dated April 5, 2011) for the delivery of the equipment specified above; this rework has been agreed between the Parties during the meeting at BAKA on May 12, 2011, and will lead to a new proposal from BAKA to FROG. 2. Pricing in the new proposal will be no more than 5% above the current price (EUR 77.700,- per Plattformwagen), payment terms & penalty for late delivery back-to-back with FROG’s PO from K-Face. 3. Delivery date shall stay fixed at KW37/2011. Purchase order will not be issued before above mentioned points are completed by BAKA and approved by FROG. Issue of the PO [purchase order] automatically implies that the LOI will be terminated. However, if BAKA fails to fulfil its obligations under this clause within a period of two weeks after signing of the LOI, all provisions of this LOI and all the negotiation results are null and void without prejudice or damage to either Party and all products and other materials exchanged between parties shall be returned.” 2.3. Na ondertekening van de LOI hebben partijen over en weer voorstellen gedaan – verzoeken om offertes en een concept-purchase order respectievelijk offertes – die in elk geval op het onderdeel levertijd steeds van elkaar afweken. 2.4. Bij brief van 4 augustus 2011 heeft Frog Bader medegedeeld af te zien van het plaatsen van een order. 3Het geschil 3.1. Frog vordert na wijziging en vermeerdering van eis – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard: a. voor recht verklaart dat op basis van de aan de rechtbank ter kennis gebrachte feiten tussen partijen een koopovereenkomst noch een ontwikkelingsovereenkomst tot stand is gekomen; b. Bader veroordeelt tot teruggave van bepaalde door Frog aan haar verschafte documenten; c. Bader veroordeelt tot betaling aan Frog van € 266.924,26, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. Aan vordering a. legt Frog de stelling ten grondslag dat zij met Bader slechts de LOI is overeengekomen en dat overigens tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. Vordering b. baseert Frog op de in de LOI (slot) opgenomen verplichting van partijen tot teruggave van de van elkaar ontvangen producten en andere materialen. Vordering c. baseert Frog op de stelling dat Bader zich niet heeft gehouden aan de in de LOI opgenomen – en daarna door partijen niet losgelaten – verplichting om een offerte uit te brengen die voorzag in levering in week 37, 2011, althans op het beschamen door Bader van het gerechtvaardigd vertrouwen van Frog dat Bader een dergelijke offerte zou gaan uitbrengen, althans het niet ontzien van de gerechtvaardigde belangen van Frog door er niet expliciet en ondubbelzinnig op te wijzen dat zij niet binnen de door Frog gewenste termijn kon of wilde leveren. Verder is in deze post nog een bedrag opgenomen voor door Frog gemaakte kosten van vertaling van een vonnis van de rechtbank Stuttgart van 14 november 2012; deze kosten komen volgens Frog voor rekening van Bader omdat Bader heeft verzuimd zelf een vertaling van dit vonnis, dat zij zelf als productie (in de Duitse taal) heeft overgelegd, in het geding te brengen. 3.3. Bader voert verweer. Tegen vordering a. verweert zij zich met de stelling dat Frog hierbij geen belang heeft. Tegen vordering b. verweert zij zich met onder meer de stelling dat zij de door Frog gevraagde documenten inmiddels heeft teruggegeven. Tegen vordering c. verweert zij zich met de stelling dat de LOI is vervallen en dat zij zich daarbuiten niet heeft verplicht tot het uitbrengen van een offerte die voorzag in levering in week 37, 2011. Zij stelt voorts dat dit haar juist onmogelijk is gemaakt door Frog, die volgens Bader tot medio juli 2011 steeds nieuwe eisen stelde aan het ontwerp. Ook betwist Bader gehouden te zijn (geweest) tot het in het geding brengen van een vertaling van het vonnis van de rechtbank Stuttgart, dan wel het voldoen van de ter zake door Frog gemaakte kosten 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling internationale bevoegdheid, litispendentie en connexiteit 4.1. Frog heeft vordering a. eerst bij repliek ingesteld, en haar vordering c. heeft zij bij repliek vermeerderd met een extra schadebedrag in verband met het niet uitbrengen van een offerte door Bader met de volgens Frog overeengekomen leveringstermijn, en een schadebedrag in verband met de vertaling van het vonnis van de rechtbank Stuttgart. Verder heeft zij als grondslag voor vordering c. nog het leerstuk van afgebroken onderhandelingen geïntroduceerd. De rechtbank acht zich ter zake van deze eis- en grondslagvermeerderingen in beginsel bevoegd, nu Bader geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eis- en grondslagvermeerdering op zichzelf, en de bevoegdheid van de rechtbank met betrekking tot deze eis- en grondslagvermeerderingen niet bij dupliek heeft betwist (artikel 24 Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, hierna: EEX-Vo). 4.2. Frog heeft haar aanvullende eisen ingesteld (bij repliek) nadat Bader een vordering aanhangig had gemaakt tegen Frog, in verband met het volgens haar plegen van wanprestatie door Frog onder een tussen partijen in vervolg op de LOI gesloten ontwikkelingsovereenkomst, dan wel het onrechtmatig afbreken van in vervolg op de LOI voortgezette onderhandelingen, welke procedure heeft geleid tot eerdervermeld vonnis van de rechtbank Stuttgart. In dat vonnis heeft de rechtbank Stuttgart de zaak aangehouden onder verwijzing naar artikelen 27 en 28 EEX-Vo. 4.3. De rechtbank dient zich ambtshalve de vraag te stellen of zij de procedure met betrekking tot de aanvullende eisen van Frog dient aan te houden of zou kunnen aanhouden, dan wel zich aanstonds onbevoegd zou dienen te verklaren, vanwege de samenhang van (een deel van) deze eisen met de vordering die Bader tegen Frog eerder aanhangig heeft gemaakt voor de rechtbank Stuttgart, gelet op het bepaalde in artikelen 27 en 28 EEX-Vo. De rechtbank overweegt hierover als volgt. 4.4. Vordering c., voor zover het betreft de vertalingskosten, baseert Frog kennelijk op het bestaan van een verplichting van Bader om, vanwege specifiek (de procestaal
- in)de onderhavige procedure, deze kosten aan Frog te vergoeden. Gesteld noch gebleken is dat partijen deze kwestie (ook) aan de rechtbank Stuttgart ter beoordeling hebben voorgelegd, zodat op dit punt geen plaats is voor aanhouding of verwijzing in verband met litispendentie of connexiteit. 4.5. Vordering c., voor zover het betreft de bij repliek aangevulde schadebedragen in verband met het niet uitbrengen van een offerte door Bader met de volgens Frog overeengekomen levertermijn, betreft niet – in de context van artikelen 27 en 28 EEX-Vo – een nieuwe eis. Bij dagvaarding had Frog reeds naast een aantal concrete schadebedragen, nader – bij staat – op te maken schadevergoeding in verband met additionele inkoopkosten gevorderd, en deze schade heeft zij bij repliek slechts (nader) begroot. De grondslag van deze schadebedragen was reeds bij dagvaarding geïntroduceerd, en hetzelfde geldt voor de aard van de betreffende schades. 4.6. Vordering a. heeft tot doel, volgens de toelichting van Frog, het volgens haar door Bader ingenomen standpunt dat tussen partijen geen koopovereenkomst is gesloten, juridisch te fixeren, in verband met de procedure voor de rechtbank Stuttgart, gelet op artikel 27 EEX-Vo, alsook om vastgesteld te krijgen dat, anders dan Bader stelt, tussen partijen geen “ontwikkelingsovereenkomst” is gesloten. Waarom het Frog klaarblijkelijk gaat is dat de (rechts)verhouding die tussen partijen is ontstaan op basis van de LOI en de communicatie die nadien tussen partijen heeft plaatsgevonden, niet kwalificeert als een koop- of ontwikkelingsovereenkomst die grondslag kan bieden voor aanspraken van Bader jegens Frog. Deze LOI en de communicatie die nadien tussen partijen heeft plaatsgevonden, vormt ook de juridisch-feitelijke basis die Bader aanvoert voor haar vorderingen tegen Frog in de procedure voor de rechtbank Stuttgart. 4.7. Partijen zijn het er klaarblijkelijk over eens, en de rechtbank met hen, dat deze feiten (de LOI en de communicatie die nadien tussen partijen heeft plaatsgevonden) geen grondslag kunnen bieden voor de schadevergoedingsaanspraken van beide partijen. Frog heeft mogen vertrouwen op het verkrijgen van een offerte met leverdatum in week 37, 2011, óf Bader heeft mogen vertrouwen op een inkooporder met acceptatie van de leveringstermijn van Bader van 16 weken, of eventueel heeft uiteindelijk geen van beide op acceptatie door de wederpartij van de door haarzelf voorgestelde leveringstermijn mogen rekenen. Maar niet kunnen beide partijen uiteindelijk gerechtvaardigd hebben vertrouwd op acceptatie door de ander van de eigen leveringstermijn. Toewijzing van de schadevergoedingsvordering van de één sluit die van de ander uit. Er is slechts sprake van één rechtsverhouding, en dan ook nog specifiek de rechtsvraag of deze uiteindelijk grond bood voor gerechtvaardigd vertrouwen op de ene dan wel de andere leveringstermijn (dan wel geen van beide), die zowel de onderhavige procedure als die voor de rechtbank Stuttgart tot voorwerp heeft. 4.8. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat de schadevergoedingsvorderingen die in de onderhavige procedure en in de procedure voor de rechtbank Stuttgart aanhangig zijn, en de daaraan gegeven grondslagen (dus ook de door Frog bij repliek geïntroduceerde grondslag van onrechtmatige daad/afgebroken onderhandelingen), hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, en aldus worden beheerst door artikel 27 EEX-Vo (vgl. U. Magnus & P. Mankowski, Brussels I Regulation (2nd Revised Edition), 2012: Sellier European Law Publishers, München, Duitsland, aantekening 19 (slot) op artikel 27 EEX-Vo en de daar aangehaalde rechtspraak). Vordering a. betreft noodzakelijk ook ditzelfde onderwerp en deze zelfde oorzaak, nu deze ertoe strekt deze rechtsverhouding, voor zover Bader zich daarop heeft beroepen, juridisch te (dis)kwalificeren. Voor zover het vonnis van de rechtbank Stuttgart aldus zou moeten worden gelezen dat de rechtbank Stuttgart de voor haar gevoerde procedure niet op grond van artikel 27 EEX-Vo, maar op grond van artikel 28 EEX-Vo heeft aangehouden (partijen twisten hierover), geldt dat de rechtbank Midden-Nederland hieraan niet is gebonden. 4.9. Artikel 27 EEX-Vo geeft niet direct een antwoord op de situatie die hier aan de orde is, waarin een vordering aanhangig is gemaakt bij een gerecht van een lidstaat (hierna: eerste vordering), gevolgd door het aanhangig maken van een vordering die hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust bij een gerecht van een andere lidstaat (tweede vordering), welk gerecht zich (nog) niet onbevoegd heeft verklaard, gevolgd door nog weer een nieuwe vordering bij het eerstgenoemde gerecht (derde vordering), die hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust als de beide andere (eerdere) vorderingen. Redelijke toepassing van artikel 27 EEX-Vo brengt echter in een dergelijk geval, en dus in het onderhavige geval, mee dat de rechter bij wie de eerste vordering is aanhangig gemaakt (de rechtbank Midden-Nederland), de procedure met betrekking tot de laatste bij haar aanhangig gemaakte vordering, de derde vordering, niet aanhoudt op grond van artikel 27 EEX-Vo ten gunste van het gerecht in de andere lidstaat die met de tweede vordering was geadieerd (de rechtbank Stuttgart), maar op grond van haar eigen kwalificatie van de eerste en de derde vordering als betreffende hetzelfde onderwerp en berustend op dezelfde oorzaak (in de zin van artikel 27 EEX-Vo), op deze derde vordering aanstonds recht doet. 4.10. Het voorgaande betekent dat de rechtbank zich ter zake van alle vorderingen van Frog bevoegd acht, ook voor zover deze vorderingen zijn gebaseerd op de door Frog gedane eis- en grondslagvermeerderingen, en dat de rechtbank de behandeling ervan niet aanhoudt op voet van artikel 27 of 28 EEX-Vo. vordering b. 4.11. Bader stelt zich op het standpunt dat zij de documenten waarvan Frog teruggave vordert, inmiddels heeft geretourneerd, waarbij zij verwijst naar een door haar als productie overgelegde hiertoe strekkende brief van haar advocaat van 24 juli 2013. Frog heeft niet meer op deze productie gereageerd, en heeft daarom ook niet (vergeefs) gevraagd (zij heeft zelfs uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de door Bader gevraagde comparitie van partijen na dupliek, waarbij zij die gelegenheid zou hebben gehad). De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het in die brief gestelde klopt, dat wil zeggen dat de betreffende stukken – de door Frog gevraagde stukken – zijn geretourneerd, zodat aan de vordering is voldaan. Deze vordering zal dus worden afgewezen. vordering c (exclusief vertalingskosten) 4.12. Frog baseert haar vordering c., met uitzondering van de vertalingskosten, op het bestaan (en vervolgens schending) van een verplichting van Bader om aan Frog een offerte uit te brengen tot het fabriceren en leveren vóór of in week 37, 2011, aan Frog van 2 AGV’s met rollerband, althans het niet ontzien door Bader van de gerechtvaardigde verwachtingen en belangen van Frog door er niet expliciet en ondubbelzinnig op te wijzen dat zij niet aan de door Frog gewenste leveringstermijn kon of wilde voldoen. Partijen hebben zich over het op deze (gestelde) rechtsverhouding toepasselijke recht niet uitgelaten. Partijen zijn het er met elkaar over eens dat tussen hen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen, zodat het VN-verdrag inzake internationale koopovereenkomsten van roerende zaken van 1980 (Weens Koopverdrag) geen toepassing claimt. Voor zover Frog haar vordering op contractuele grondslag baseert, moet naar het oordeel van de rechtbank Bader worden aangemerkt als de partij die de voor deze (gestelde) overeenkomst karakteristieke prestatie moest verrichten, zodat op voet van artikel 4 lid 2 van Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst – bij gebreke van (een beroep
- op)rechtskeuze – Duits recht van toepassing is. Voor zover Frog haar vordering op het leerstuk van afgebroken onderhandelingen baseert, geldt op voet van artikel 12 lid 1 van Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, alsdan eveneens toepasselijkheid van Duits recht. 4.13. Partijen hebben zich over de inhoud van het Duitse recht – in relatie tot hun vorderingen respectievelijk verweren voor zover het de LOI betreft, of anderszins – niet specifiek uitgelaten. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat naar Duits recht – gelijk naar Nederlands recht – voor de uitleg van een schriftelijke overeenkomst het niet alleen aankomt op de zuiver taalkundige betekenis van de erin opgenomen bepalingen, maar ook de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vlg. R.P.J.L. Tjittes, ‘Uitleg van schriftelijke contracten’ in RM Themis 2005, p. 1-29, op p. 6-7, met verdere verwijzingen). Voor zover het gaat om de vraag of partijen na het afsluiten van de LOI deze LOI of onderdelen daarvan impliciet of expliciet hebben laten voortduren en/of deze nader inhoud hebben gegeven, komt het evenzeer aan op de vraag welke uitlatingen partijen te dien aanzien hebben gedaan en/of overigens het gedrag zij te dien aanzien hebben vertoond, de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voor zover Frog haar vorderingen baseert op onrechtmatige daad (afgebroken onderhandelingen of culpa in contrahendo) geldt naar Duits recht – wederom gelijk Nederlands recht – dat partijen gedurende onderhandelingen rekening dienden te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen en verwachtingen (artikel 311 lid 2