← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ4204

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 13/2246 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 februari 2013 in de zaak tussen [Eiser], geboren op [1957], van gestelde Rwandese nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. S. de Schutter), en de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, (gemachtigde: mr. P. van Zijl). Procesverloop Verweerder heeft op 3 september 2012 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de bewaring beroep ingesteld bij deze rechtbank. Daarbij is verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Het onderzoek ter zitting bij de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 5 februari

  1. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting heropend, verweerder verzocht om nadere inlichtingen te verstrekken, en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Nadat verweerder de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt, eiser hierop heeft gereageerd en partijen de rechtbank toestemming hebben gegeven om deze zaak verder buiten zitting af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek op 11 februari 2013 gesloten. Overwegingen
  2. Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december
  3. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt voor 1 januari
  4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
  5. Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 september 2012 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
  6. Eiser voert aan dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, nu hij in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) is opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis Veldzicht te Balkbrug. Naar de mening van eiser is het voorts niet mogelijk om de maatregel van bewaring en een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis naast elkaar te laten voortduren.
  7. De rechtbank stelt vast dat bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2012 een voorlopige machtiging is verleend om eiser tot uiterlijk 7 maart 2013 in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven.
  8. Verweerder heeft bij faxbericht van 7 februari 2013 verklaard dat eiser op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) in het kader van de vreemdelingenbewaring is overgeplaatst naar een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in de Bopz. Nu eiser niet instemde met een dergelijke overplaatsing, was een machtiging op grond van de Bopz vereist. Volgens verweerder is deze machtiging dan ook in het kader van de vreemdelingenbewaring verleend.
  9. Artikel 15, vijfde lid, van de Pbw luidt: “In geval van gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van een gedetineerde kan de selectiefunctionaris bepalen dat de gedetineerde naar een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen zal worden overgebracht om daar zolang dat noodzakelijk is te worden verpleegd”.
  10. Artikel 30 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Staatscourant 2000, 176) bevat regels over de plaatsing van een gedetineerde in een psychiatrisch ziekenhuis op basis van artikel 15, vijfde lid, van de Pbw. In de toelichting bij dit artikel is het volgende opgenomen: ‘Artikel 15, vijfde lid, van de wet biedt de mogelijkheid gedurende de detentie een (tijdelijke) plaatsing van een gedetineerde in een algemeen psychiatrisch ziekenhuis (APZ), een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) of een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ) te realiseren. Artikel 15, vijfde lid, van de wet geldt ook voor voorlopig gehechten (bijvoorbeeld in tegenstelling tot artikel 13 Wetboek van Strafrecht dat alleen geldt voor veroordeelden). Toepassing van artikel 15, vijfde lid, van de wet is bedoeld voor de gedetineerde: — bij wie sprake is van een (dreigende) psychiatrische decompensatie dan wel absolute ongeschiktheid voor een detentiesituatie als gevolg van psychiatrische stoornissen, dan wel een psychiatrische aandoening waarvoor klinische behandeling is aangewezen; — voor wie op grond van een persoonlijkheidsstoornis een detentievervangende behandeling is aangewezen in een andere voorziening dan een TBS-inrichting. Indien de gedetineerde niet instemt met een dergelijke overplaatsing, dan wel de gedetineerde in het psychiatrisch ziekenhuis als gedwongen opgenomen patiënt moet worden behandeld, is tevens een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opname psychiatrische ziekenhuizen vereist. Artikel 15, vijfde lid, van de wet biedt alleen basis voor een vrijwillige plaatsing.’ (…) ‘De inrichting alwaar betrokkene administratief is ingeschreven is eindverantwoordelijk voor de ongestoorde tenuitvoerlegging van de detentie.’
  11. Op basis van de door verweerder verstrekte informatie dient het ervoor te worden gehouden dat eiser naar het psychiatrisch ziekenhuis is overgeplaatst op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Pbw, en dat hiervoor door de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 6 september 2012 een machtiging op grond van de Bopz is gegeven. De bewaringsmaatregel wordt hierdoor nu ten uitvoer gelegd in een psychiatrisch ziekenhuis. Eiser heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld in reactie op de door verweerder verstrekte inlichtingen, zodat kan worden uitgegaan van verweerders toelichting dat de overplaatsing van eiser op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Pbw - in het kader van eisers inbewaringstelling - heeft plaatsgevonden. Dat aan eiser op 4 februari 2013 een zogenaamde kamerplaatsing op grond van artikel 53 van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden is opgelegd, is niet van belang voor de vraag of een Bopz-machtiging en toepassing van artikel 15, vijfde lid, van de Pbw samen kunnen vallen.
  12. Voor zover eiser heeft willen betogen dat de grond voor de maatregel dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken, niet meer kan worden gehandhaafd, nu eiser verblijft in een gesloten psychiatrisch ziekenhuis, volgt de rechtbank dit betoog niet. Daarvoor is redengevend dat de maatregel - die nu ten uitvoer wordt gelegd in dit ziekenhuis - nog steeds ten doel heeft te voorkomen dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken en eiser de feiten en omstandigheden die verweerder hieraan ten grondslag heeft gelegd, niet heeft bestreden. De beroepsgrond slaagt niet.
  13. Eiser voert voorts aan dat er geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn is.
  14. De rechtbank stelt vast dat de Ghanese autoriteiten op 22 november 2012 en op 9 januari 2013 de Ghanese nationaliteit van eiser hebben bevestigd. Omdat het vervolgens nog niet tot afgifte van een laissez passer is gekomen, rappelleert verweerder regelmatig bij de Ghanese autoriteiten. Niet is gebleken dat deze autoriteiten te kennen hebben gegeven een laissez passer ten behoeve van eiser te zullen weigeren. Onder voormelde omstandigheden leidt het gestelde feit dat vanaf februari 2010 aan de uitzetting wordt gewerkt en het daartoe nog niet is gekomen, anders dan eiser stelt, niet tot het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
  15. Voor zover eiser heeft betoogd dat er geen zicht op uitzetting bestaat vanwege de omstandigheid dat hij wordt verpleegd in een psychiatrisch ziekenhuis overweegt de rechtbank dat de door de rechtbank Rotterdam afgegeven machtiging voor opname is gegeven tot uiterlijk 7 maart 2013, en dat deze situatie naar het oordeel van de rechtbank slechts leidt tot een belemmering van tijdelijke aard. De beroepsgrond slaagt niet.
  16. Eiser voert voorts aan dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen nu zijn gedwongen opname waarschijnlijk wordt verlengd. De rechtbank is van oordeel dat dit een toekomstig onzekere gebeurtenis betreft, waarover nu niet kan worden geoordeeld dat dit, bezien in onderlinge samenhang met de hiervoor genoemde omstandigheden, maakt dat aan het belang van eiser bij zijn invrijheidsstelling meer gewicht toekomt dan aan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel. Voor zover eiser stelt dat hem niet kan worden verweten dat hij niet meewerkt aan zijn uitzetting, overweegt de rechtbank dat hij dat niet met medische verklaringen heeft onderbouwd. Weliswaar is niet in geschil dat eiser lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze stoornis hem belet om mee te werken aan zijn uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.
  17. Gelet op het voorgaande en artikel 96, derde lid, van de Vw is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vw. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij afweging van de betrokken belangen, de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
  18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, voorzitter, en mr. M.P. Glerum en mr. K.J. Veenstra, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari
  20. griffier voorzitter afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.