RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Sector strafrecht parketnummer: 16/656281-12 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 januari 2013 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1985] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats], raadsvrouw mr. W. Mijnders, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting van 3 januari 2013 is het onderzoek gesloten. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak van medeverdachten [medeverdachte 1] (16/656280-12), [medeverdachte 2] (16/701573-12 en 07/660020-12) en [medeverdachte 3] (16/701572-12 en 07/660018-12). 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: samen met anderen [slachtoffer] heeft geprobeerd af te persen 3 De voorvragen De geldigheid van de dagvaarding De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is. De bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak. De ontvankelijkheid van de officier van justitie De verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. De politie heeft –aldus de verdediging- via sms-berichten contact opgenomen met de vader van verdachte. Hierbij heeft de politie zich voorgedaan als zijnde aangever. De politie is sturend opgetreden terwijl daarbij een valse hoedanigheid was aangenomen. Aldus is de vader van verdachte door de politie misleid en is hij uitgelokt tot het afleggen van een verklaring. Vervolgens zijn de vader van verdachte en eventueel andere personen naar een locatie gelokt. Door de handelwijze van de politie is artikel 8 EVRM geschonden. Verdachte is hierdoor rechtstreeks in zijn belangen - te weten de eerbiediging van zijn privéleven - geschaad. Alles aldus de verdediging. De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van verdachte geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM en overweegt daartoe als volgt. Door de politie is, met gebruikmaking van de telefoon van het slachtoffer, een sms-bericht gestuurd naar de vader van verdachte. Niet valt in te zien hoe de eerbiediging van het privéleven van verdachte door deze handelwijze is geschonden. De behandeling van de zaak voldoet aan de beginselen van goede procesorde, zodat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging. Schorsen vervolging De rechtbank heeft tot slot vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met de drie medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], het slachtoffer [slachtoffer] (verder te noemen het slachtoffer) heeft geprobeerd af te persen. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van het slachtoffer, de observaties, de tapgesprekken, de camerabeelden van de winkel, het e-mail bericht van het slachtoffer op 13 september 2012, het sms-contact tussen de telefoon van het slachtoffer en de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verklaringen van verdachte en de medeverdachten. Verdachte was –aldus de officier van justitie- daarbij de initiator van het plan en was bij de uitvoering aanwezig. Verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] waren de uitvoerders van de bedreigingen, in opdracht van verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 1] wist van het plan, hield de voortgang in de gaten en had contact met de anderen vlak na de bedreigingen en ging uiteindelijk zelf, na een via de sms gemaakte afspraak, met verdachte op 14 september 2012 het geld ophalen in Houten. De officier van justitie is dan ook van mening dat er sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten om in ieder geval € 2000,- van het slachtoffer te krijgen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Zij wijst daarbij allereerst op een aantal formele punten, waardoor naar de mening van de verdediging op onrechtmatige wijze bewijs is vergaard en de resultaten hiervan dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Inzet tap Allereerst is –aldus de raadsvrouwe- de inzet van de tap op grond van artikel 126m Wetboek van Strafvordering onrechtmatig geweest. Primair is er geen sprake van een feit waardoor sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Subsidiair is er niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verdachte is hiermee geschaad in zijn recht op privacy. Op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering dient het aldus op onrechtmatige wijze verkregen bewijs te worden uitgesloten. Alles aldus de raadsvrouwe. Observatie van de winkel De politie observeert de winkel van verdachte op grond van artikel 2 Politiewet. Daar heeft de verdediging geen opmerkingen over, maar wel over de herkenning van verdachte. Kennelijk worden verdachte en zijn vader herkend aan foto’s, waarvan niet bekend is waar die vandaan komen. Verdachte heeft geen strafblad en was op dat moment nog geen verdachte. Het ligt niet voor de hand dat de politie beschikt over een foto van verdachte. Deze herkenning is derhalve op onrechtmatige wijze geschied en mag niet meewegen voor het bewijs, aldus de raadsvrouwe. Inzet stelselmatige observatie Op enig moment ontstaat waarschijnlijk op basis van de tapgesprekken de verdenking tegen verdachte. De inzet van de tap is –aldus de raadsvrouwe- onrechtmatig en de resultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Daarmee valt de verdenking van verdachte weg en is er geen redelijk vermoeden van schuld op het moment dat de officier van justitie overgaat tot de inzet van de stelselmatige observatie. De aanvraag tot observatie wordt gedaan op basis van onrechtmatig verkregen bewijs en op basis van onjuiste informatie. Dit maakt dat de resultaten verkregen door deze observatie onrechtmatig zijn en dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van deze observatie. Alles aldus de raadsvrouwe. Het sms-verkeer tussen de politie, die zich voordoet als aangever, en [medeverdachte 1] De politie is sturend opgetreden en neemt een valse hoedanigheid aan, namelijk die van aangever. De vader van verdachte wordt misleid en in de val gelokt. Deze opsporingsmethode raakt aan de BOB-methoden, maar zonder de waarborgen die het Wetboek van Strafvordering daaraan verbindt. Ook verdachte wordt hierdoor rechtstreeks in zijn belangen geschaad, namelijk de eerbiediging van zijn privéleven op grond van artikel 8 EVRM . Het doel van de inzet van deze methode was namelijk tot een ontmoeting komen met vader en/of andere personen. De inzet zag derhalve van te voren al op een aanhouding/ontmoeting met ieder ander persoon die zich toevalligerwijs op dat moment in het gezelschap van vader bevond. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van de onrechtmatige handeling en de daarop volgende aanhouding. Alles aldus de raadsvrouwe. Het geweld bij de aanhouding De aanhouding had –aldus de raadsvrouwe- niet mogen plaatsvinden, omdat deze aanhouding het resultaat is geweest van de onrechtmatige inzet van diverse opsporingsmethoden. Verder mag volgens artikel 7, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie een vuurwapen alleen worden gebruikt om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken, dan wel om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken of heeft onttrokken. Hiervan is geen sprake. Er is op onrechtmatige wijze gebruik gemaakt van een bevoegdheid. Het vuurwapengebruik is op disproportionele wijze ingezet. De aanhouding is hierdoor onrechtmatig, aldus de raadsvrouwe. De conclusie van de verdediging is dat er op onrechtmatige wijze bewijs is vergaard en verdachte op onrechtmatige wijze is aangehouden. Al het hieruit volgende bewijs dient te worden uitgesloten van het bewijs, eveneens de hieruit voortvloeiende verklaringen van verdachten. Verdachte dient te worden vrijgesproken. Opzet en nauwe en bewuste samenwerking Subsidiair is de verdediging van mening dat verdachte niet het oogmerk heeft gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld. Onduidelijk blijft wat er gezegd is tegen het slachtoffer en er is ook geen bewijs waaruit zou blijken dat er sprake was van een vooropgezet plan. Verdachte heeft geen opzet gehad op de al dan niet door medeverdachte [medeverdachte 3] geuite woorden en bovendien is er geen bewijs voor nauwe en bewuste samenwerking voor wat betreft het uiten van dreigende woorden. Voor zover deze al geuit zouden zijn, zijn deze door een ander dan verdachte geuit en zijn hierover vooraf geen afspraken gemaakt. Verdachte dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouwe. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal allereerst een oordeel geven over de formele verweren die de verdediging heeft gevoerd. De inzet van de tap en de observaties De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van het slachtoffer een verdenking van een zeer ernstig en gewelddadig strafbaar feit naar voren kwam. De politie had dan ook alle reden om onderzoek te doen en de verklaringen van het slachtoffer te verifiëren. Hierbij zijn taps en observaties ingezet. Gelet op de ernst van de verklaringen van het slachtoffer is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet tot de machtiging kon komen om de onderhavige bijzondere opsporingsmiddelen in te zetten. De verdenking was dermate ernstig dat de machtiging niet alleen rechtmatig, maar zelfs geboden was. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bijzondere opsporingsmiddelen rechtmatig en proportioneel zijn ingezet. Tevens levert de inzet van deze middelen geen schending op van het recht op privacy van de verdachte. Het sms-verkeer tussen de politie, die zich voordoet als aangever, en [medeverdachte 1] De politie heeft met gebruikmaking van de telefoon van het slachtoffer sms-berichten gestuurd naar de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1]. Het eerste sms-bericht dat door de politie is gestuurd, luidde: “Kan nu niet bellen, wat is er”. Vervolgens is door medeverdachte [medeverdachte 1] gereageerd met een bericht dat hij die avond 2000,- euro wilde hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de politie met het hiervoor weergegeven sms-bericht een open vraag gesteld. De politie is daarbij niet sturend opgetreden. Door het versturen van de sms-berichten heeft de politie medeverdachte [medeverdachte 1] er niet toe bewogen een strafbaar feit te begaan. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 1] door de sms-berichten van de politie is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Aldus heeft de politie zich niet schuldig gemaakt aan uitlokking van een strafbaar feit. Het geweld bij de aanhouding Verdachte is onder schot aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat bij verdenking van een ernstig feit als het onderhavige, de politie niet kan uitsluiten dat er sprake is van wapenbezit bij de verdachten. In de situatie zoals hier gebleken, is de rechtbank van oordeel dat het alleszins gerechtvaardigd is en zelfs geboden om de voltooiing van een misdrijf te voorkomen of te beëindigen. Het feit dat verdachten in dit geval geen wapens bij zich droegen, doet daar niet aan af. Het vuurwapengebruik door de politie is derhalve niet onrechtmatig of disproportioneel geweest. De aanhouding is dan ook rechtmatig. De rechtbank concludeert dat alle formele verweren van de verdediging worden verworpen, waardoor er geen uitsluiting van bewijs in welke vorm dan ook zal plaatshebben. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met drie medeverdachten het slachtoffer [slachtoffer] heeft geprobeerd af te persen. De rechtbank komt tot haar oordeel op grond van de volgende feiten en omstandigheden. Op 11 september 2012 is [slachtoffer] (verder te noemen het slachtoffer) gebeld door verdachte (hierna te noemen: [verdachte]) met het verzoek de volgende dag in de ochtenduren naar zijn [naam] winkel aan de [adres] in [vestigingsplaats], te komen. Deze afspraak wordt verder gemaakt via de e mail. Die afspraak is gemaakt op verzoek van [medeverdachte 1]. Op 12 september 2012 is het slachtoffer naar de winkel gegaan, waar hij [verdachte] en twee andere mannen ontmoette. [verdachte] had gevraagd aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] om hem te helpen 2000 euro terug te krijgen van het slachtoffer. [medeverdachte 3] zou het slachtoffer een beetje intimideren met woorden. [medeverdachte 1] wist van het plan om te bedreigen omdat [verdachte] het hem vooraf heeft verteld. Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] werd geld van het slachtoffer geëist dat hij de volgende dag, 13 september 2012, in de winkel moest komen betalen. Zij bedreigden het slachtoffer en zijn gezin met de dood en konden beschrijven hoe het huis van het slachtoffer er uit ziet en dat zij hem en zijn kinderen weten te wonen. Ook wisten zij waar de kinderen van het slachtoffer op school zitten. De afpersers zeiden ook dat wanneer het slachtoffer het geld niet betaalde, er vandaag of morgen een groep langs zou komen die zijn vrouw en dochter zouden verkrachten en in stukken zouden snijden. Tevens heeft [medeverdachte 3] gezegd dat hij de kop van het slachtoffer af zou beuken en zijn tanden er uit zou slaan. [verdachte] heeft gezien dat het slachtoffer bang was en bijna begon te huilen. Er is vervolgens een afspraak gemaakt voor 13 september 2012 om 16.00 uur in de winkel. Ongeveer een half uur nadat het slachtoffer de winkel heeft verlaten, komt [medeverdachte 1] de winkel binnen en praat met [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. Op 13 september 2012 is [verdachte] in de zaak. Om 15.52 uur komen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de zaak binnen. Rond 16.32 uur verlaten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de zaak weer. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bevestigen ook dat zij in de winkel aanwezig waren op 13 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.