RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Zittingslocatie Utrecht parketnummers: 16-656628-12 vonnis van de meervoudige strafkamer van 2 april 2013 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1967] te [geboorteplaats] (Algerije) wonende te [woonplaats] thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Nieuwegein te Nieuwegein raadsman mr. H. Drenth, advocaat te Utrecht 1 Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 maart 2013, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: op 25 december 2012 te Utrecht samen met anderen (primair) heeft ingebroken in een woning en daarbij een kluis met 16.000 euro heeft gestolen, dan wel (subsidiair) dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling van die kluis met inhoud; feit 2: op 25 december 2012 als ongewenst vreemdeling heeft verbleven in Nederland. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. Hij baseert zich hierbij op de aangifte van [benadeelde], op de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd en op de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte]. De officier van justitie acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. Hij baseert zich hierbij op het besluit van de staatssecretaris van justitie van 8 april 1998 waarbij verdachte tot ongewenst vreemdeling is verklaard en op de wetenschap die verdachte had van dit besluit. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 zowel primair als subsidiair ten laste gelegde feit, mede omdat de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring voor het bewijs niet gebruikt kan worden. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de verdediging geen verweer gevoerd, anders dan de hierna genoemde verweren ten aanzien van de strafbaarheid van dit feit. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak van feit 1 De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het hem onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende. Verdachte is op 25 december 2012 in Utrecht aangetroffen in een auto, terwijl in de kofferruimte van die auto een kluis met contant geld werd aangetroffen, die kort daarvoor was gestolen uit een woning aan de [adres] te [woonplaats]. De rechtbank heeft echter niet kunnen vaststellen dat verdachte de in de auto aangetroffen kluis uit deze woning heeft weggenomen, zodat niet bewezen kan worden dat hij zich deze kluis wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank heeft voorts niet kunnen vaststellen dat verdachte feitelijke zeggenschap heeft gehad over de kluis, zodat evenmin bewezen kan worden dat verdachte deze kluis heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen. Ten slotte heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, zodat evenmin bewezen kan worden dat verdachte tezamen met de medeverdachten de primair ten laste gelegde diefstal dan wel de subsidiair ten laste gelegde heling heeft begaan. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van zowel het primair als het subsidiair onder 1 tenlastegelegde. 4.3.2 Het bewijs ten aanzien van feit 2 De rechtbank overweegt omtrent het subsidiair ten laste gelegde feit het volgende. Bij besluit van de staatssecretaris van justitie van 8 april 1998 is verdachte ongewenst verklaard op grond van artikel 21, aanhef en onder c, van de destijds geldende Vreemdelingenwet. Verdachte is nadien meerdere malen veroordeeld voor het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven. Hij heeft verklaard dat hij op de hoogte is van voornoemd besluit en dat hij op 25 december 2012 in Utrecht als vreemdeling heeft verbleven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 2 op 25 december 2012 te Utrecht als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet ongewenst vreemdeling was verklaard. 5 De strafbaarheid 5.1.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Primair is de verdediging van oordeel dat verdachte niet strafbaar is vanwege overmacht. De raadsman heeft hiertoe onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juni 2012 (LJN: BW7941) aangevoerd dat Algerije enkel bij een actieve en volledige medewerking van een vreemdeling meewerkt aan uitzetting. Het is verdachte echter niet te verwijten dat hij een dergelijke medewerking weigert. Onder deze omstandigheden is het te wijten aan de handelwijze van de Algerijnse autoriteiten dat verdachte nog steeds als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijft, aldus de raadsman. De verdediging is subsidiair van oordeel dat het feit niet strafbaar is. De raadsman heeft er hiertoe op gewezen dat met ingang van 31 december 2011 de zogenaamde Europese Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. Sinds die datum is het ten aanzien van vreemdelingen die geen gemeenschapsonderdaan zijn (derdelanders) enkel nog mogelijk een inreisverbod uit te vaardigen en bestaat voor hen niet meer de mogelijkheid een ongewenstverklaring uit te vaardigen. Per diezelfde datum is aan de strafbaarstelling van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht toegevoegd: het als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl een inreisverbod is uitgevaardigd. De aan verdachte uitgevaardigde ongewenstverklaring is nooit omgezet in een inreisverbod. Nu de term inreisverbod niet in de tenlastelegging is opgenomen kan het feit niet als strafbaar worden gekwalificeerd. Alles aldus de raadsman. 5.1.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat van overmacht geen sprake was, nu het niet aannemelijk is dat verdachte alles in het werk heeft gesteld om Nederland te verlaten. Hij is voorts van mening dat het feit strafbaar is, nu uit jurisprudentie volgt dat een eerdere ongewenstverklaring in dit geval mede als inreisverbod heeft te gelden. 5.1.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het beroep op overmacht De rechtbank verwerpt het primaire beroep op overmacht. Zij overweegt daartoe dat een ongewenst verklaarde vreemdeling alleen dan geen verwijt van zijn illegale verblijf in Nederland kan worden gemaakt, wanneer die vreemdeling heeft getracht aan de illegale situatie een einde te maken door alle medewerking te verlenen aan de initiatieven van de overheid om te voldoen aan de in de Vreemdelingenwet 2000 neergelegde verplichting om Nederland te verlaten. De rechtbank is gebleken dat verdachte dergelijke medewerking sinds de uitvaardiging van zijn ongewenstverklaring in 1998 steeds heeft geweigerd. De rechtbank stelt voorts ambtshalve vast dat niet is gebleken dat de Nederlandse staat zich sindsdien onvoldoende inspanningen heeft getroost om verdachte conform de terugkeerprocedure beschreven in de Terugkeerrichtlijn en thans ook in de Vreemdelingenwet 2000 van het Nederlandse grondgebied te verwijderen. Een strafrechtelijke sanctie is naar het oordeel van de rechtbank thans dan ook geoorloofd. Ten aanzien van het kwalificatieverweer De rechtbank verwerpt voorts het subsidiaire kwalificatieverweer. Bewezen is verklaard dat verdachte als vreemdeling in Nederland heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht en kan aldus worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt daarbij dat sinds 31 december 2011de Vreemdelingenwet 2000 is gewijzigd, waarbij de reikwijdte van de ongewenstverklaring is aangepast en waarbij het middel van het inreisverbod nieuw in de wet is ingevoerd. De raadsman stelt terecht vast dat de mogelijkheid een inreisverbod uit te vaardigen sindsdien exclusief geldt voor derdelanders. Met ingang van diezelfde datum is ook artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht gewijzigd, in die zin dat eveneens strafbaar is gesteld het als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.