RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Sector strafrecht Locatie Utrecht parketnummer: 16/700885-12 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 april 2013 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1980] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres]. Raadsvrouw mr. W.B. Janssens, advocaat te Oudewater. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 maart 2013, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: - feit 1 primair: in de periode van 3 mei 2012 tot en met 28 mei 2012 een politieambtenaar, [medeverdachte], heeft omgekocht teneinde die [medeverdachte], in strijd met diens geheimhoudingsplicht, een kenteken na te laten trekken in de politiesystemen en € 50,00 voor de verkregen vertrouwelijke informatie aan die [medeverdachte] heeft betaald; - feit 1 subsidiair: deze ambtenaar heeft uitgelokt tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens afkomstig uit politiesystemen; - feit 2: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 2 mei 2012 telkens politieambtenaar [medeverdachte] heeft uitgelokt tot het schenden van zijn ambtsgeheim en tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens afkomstig uit politiesystemen. 3 De voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding De dagvaarding is geldig. 3.2 De bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank is bevoegd. 3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte door de politie is ingezet bij de pseudokoop, zonder dat er tegen verdachte een redelijke verdenking bestond. Voorts is verdachte uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten om zodoende bewijs tegen verdachte [medeverdachte] te verkrijgen. De rechtbank heeft het pleidooi van de raadsvrouw opgevat aldus dat zij pleit voor de niet- ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, nu er, naar de mening van de verdediging sprake is van onherstelbare vormverzuimen. De rechtbank oordeelt als volgt: In de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] werd een bevel pseudokoop afgegeven teneinde in contact te komen met [medeverdachte] om zodoende bewijs te verzamelen dat [medeverdachte] zich bezighield met handelingen in strijd met zijn ambtsplicht. Daarop ontstond er contact tussen de pseudokoper en – de latere medeverdachte - [verdachte]. Vanaf het moment dat [verdachte] in beeld kwam als mogelijke verdachte ter zake het plegen van strafbare feiten, te weten het tegen betaling verkrijgen van vertrouwelijke informatie van een politieagent, werd [verdachte] eveneens als verdachte aangemerkt. Toen is er ten aanzien van verdachte – zekerheidshalve – een apart bevel pseudokoop opgemaakt. De rechtbank is van oordeel dat er op grond van voornoemde feiten en omstandigheden sprake was van voldoende gronden en een redelijk vermoeden van schuld om [verdachte] als verdachte aan te merken. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat op het moment dat het middel van pseudokoop werd ingezet, [verdachte] inderdaad nog geen verdachte was. De verdenking bestond immers tegen medeverdachte [medeverdachte] en het bevel was dan ook tegen hem gericht. In het kader daarvan heeft de pseudokoper (toevalligerwijs) contact gelegd met [verdachte]. Daarvoor was op dat moment niet vereist dat [verdachte] verdachte was. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Uitlokking/Tallon criterium De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van het Tallon criterium, artikel 126i lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Uit de processen-verbaal van bevindingen van agent [verbalisant B] volgt dat [verdachte], gaande het gesprek met [verbalisant B] d.d. 13 mei 2012, zelf met het gegeven komt dat hij, via een politieman, een kenteken kan laten checken. Uit het dossier volgt niet dat [verdachte] zou zijn uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. De rechtbank acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in zijn vervolging, nu geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Strafuitsluiting of bewijsuitsluiting is om dezelfde reden evenmin aan de orde. 3.4 Overige voorvragen Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging Verdachte betwist dat hij [medeverdachte] heeft betaald. Verdachte voelde zich ten tijde van zijn verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris onder druk gezet en was verward. Verdachte had diverse (psychische) problemen, schulden en een gokverslaving. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 primair Inleiding Vast staat dat de politie in het onderzoek naar de verdenking betreffende verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte], destijds brigadier van politie, gebruik heeft gemaakt pseudokoop, waarbij twee verbalisanten,[verbalisant A]en [verbalisant B], zijn ingezet als pseudokopers. Feiten en omstandigheden In het BVH politiesysteem wordt een verzonnen registratie geplaatst, onder andere inhoudende dat er een melding van een beveiligingsbedrijf was dat de inzittenden van een voertuig, een Landrover, kenteken [kenteken] zich verdacht hadden gedragen bij een loods in Den Dolder. In het voertuig zaten een blanke man en twee vermoedelijke Antilliaanse personen. Uit onderzoek in Brabant bleek dat de inzittenden betrokken waren geweest bij het rippen van hennepkwekerijen. Het voertuig betrof een Lease auto. Aan [verbalisant B] werd alleen meegedeeld dat om een donkerkleurige zwarte terreinwagen, met het kenteken [kenteken]. Op 13 mei 2012 vond er een ontmoeting plaats tussen [verbalisant B] en[verdachte](de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]). Tijdens de ontmoeting gaf [verdachte] aan dat hij een kenteken kon laten checken door een agent. Op 15 mei 2012 overhandigde A-4363 een papiertje aan [verdachte] met daarop het kenteken [kenteken] met de mededeling dat het om een donkere terreinwagen ging. Op 16 mei 2012 werd in het P info systeem van de politie het kenteken [kenteken] tweemaal door medeverdachte [medeverdachte] bevraagd. Op 16 mei 2012 is er telefonisch contact met [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij die gozer heeft gezien en dat hij anderhalve meijer vraagt voor die scooter. Verdachte heeft verklaard dat met “die scooter” de informatie werd bedoeld die hij voor [naam] (de rechtbank begrijpt: agent [verbalisant B]) had. Op 17 mei 2012 vond er een ontmoeting plaats tussen [verbalisant B] en [verdachte]. [verdachte] vroeg of het klopte dat het om een Landrover gaat. [verdachte] zei dat er twee negers en een blanke in rijden en dat die gasten zich bezig houden met rippen. Twee weken geleden zijn zij door de beveiliging gezien bij een Loods. [verdachte] zegt dat de agent om honderdvijftig euro had gevraagd, maar dat hij de agent € 50,00 had betaald. [medeverdachte] heeft verklaard dat van [verdachte] (verdachte [verdachte]) een papiertje met daarop een kenteken had gekregen. Later had hij naar aanleiding van dat papiertje in zijn Black Berry gekeken. De dag erna had hij tegen [verdachte] – onder andere – gezegd dat het foute boel was en dat het rippers waren. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] hem de informatie had gegeven die hij, verdachte, aan [naam] had verstrekt. Hij had [medeverdachte] € 50,00 betaald voor die informatie. Overwegingen De rechtbank acht op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte € 50,00 heeft betaald aan politieambtenaar [medeverdachte], teneinde deze er toe te brengen om, in strijd met zijn plicht, in de politiesystemen een kenteken te bevragen en zodoende vertrouwelijke informatie aan verdachte te verstrekken. Verklaring verdachte De rechtbank acht, anders dan de raadsvrouw, de verklaring van verdachte betreffende de betaling van € 50,00 aan [medeverdachte] betrouwbaar. Verdachte heeft in zijn derde verklaring bij de politie gedetailleerd verklaard over te betalen bedragen en hetgeen hij uiteindelijk had betaald. Deze verklaring wordt grotendeels ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant B], betreffende de inhoud van zijn contacten met [verdachte] op 16 en 17 mei 2012. Voorts heeft verdachte tegenover de rechter-commissaris eveneens verklaard dat hij [medeverdachte] € 50,00 had betaald. In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten waaruit afgeleid kan worden dat verdachte ten tijde van zijn verhoren bij de politie en de rechter-commissaris onder druk is gezet. De verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting, dat hij niet meer weet wat hij de politie verteld heeft, dit deels verzonnen heeft en dat de politie er nog wat bij verzonnen acht de rechtbank niet geloofwaardig. Feit 2: vrijspraak De rechtbank heeft dit deel van de tenlastelegging opgevat als betrekking hebbende op het incident waarbij verdachte refereert aan ‘de negers waar hij problemen mee had.’ De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd. Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanwijzingen. De verklaring van verdachte vindt op dit punt geen enkele steun in het dossier. Voorts is niet gebleken van enig nader onderzoek naar mogelijke raadplegingen van medeverdachte [medeverdachte] in de politiesystemen op dit punt. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair: in de periode van 3 mei 2012 tot en met 28 mei 2012 in Nederland, een (politie)ambtenaar, te weten [medeverdachte] (werkzaam bij de politie regio Utrecht), een gift heeft gedaan, te weten 50 euro, met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen,immers heeft hij, verdachte, een kenteken (te weten [kenteken]) aan die [medeverdachte] gegeven teneinde dit kentekenen te laten natrekken in (een) politiesyste(e)m(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.